Strafrecht overig
Verkrachting (art. 242 (oud) Sr) en wederrechtelijke vrijheidsberoving (art. 282.1 Sr) van ex-partner en…
Hoge Raad, 3 november 2026
ECLI:NL:HR:2026:1802 · Hoge Raad · 3 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2026-1802
Zaakgegevens
Op 3 november 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 3 november 2026
- Datum publicatie
- 2 november 2026
- Zaaknummer
- 24/02767
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1802
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verkrachting (art. 242 (oud) Sr) en wederrechtelijke vrijheidsberoving (art. 282.1 Sr) van ex-partner en belaging (art. 285b.1 Sr) van andere ex-partner. 1. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis) t.a.v. verkrachting en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Vinden verklaringen van aangeefster voldoende steun in ander bewijsmateriaal? 2. Opheffing schorsing voorlopige hechtenis, art. 82 Sv. Is opheffing schorsing voorlopige hechtenis bij eindarrest toereikend gemotiveerd en heeft hof verzuimd verdachte voorafgaand aan die beslissing te horen? Belang bij cassatie? 3. Vertrouwensbeginsel. Verweer dat OM n-o moet worden verklaard in vervolging t.z.v. belaging o.g.v. bij verdachte gewekt gerechtvaardigd vertrouwen dat hij niet zou worden vervolgd, gelet op e-mail van wijkagent aan aangeefster en mededeling aan verdachte tijdens verhoor dat zaak zou zijn geseponeerd. 4. Schriftuur benadeelde partij, immateriële schade. Had hof vordering b.p. t.z.v. immateriële schade volledig moeten toewijzen? Kon hof restant van vordering afwijzen i.p.v. n-o verklaren?
HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 25 augustus 2026
ECLI:NL:PHR:2026:748Hoge Raad · 3 november 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1802
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02767
Datum 3 november 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 juli 2024, nummer 23-001293-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. Het vierde cassatiemiddel is schriftelijk toegelicht.
Namens de [benadeelde] heeft de advocaat R.A. Korver bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De raadsvrouw van de verdachte heeft een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De advocaat van de benadeelde partij heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste, het tweede en het vierde cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld en van de cassatiemiddelen die namens de benadeelde partij zijn voorgesteld
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit alles brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van eenentwintig maanden.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze twintig maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C. Caminada als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2026.