Strafrecht overig

Executie-uitlevering opgeëiste persoon (Turkse nationaliteit) naar Turkije t.z.v. invoer van drugs. 1…

Hoge Raad, 3 november 2026

Zaakgegevens

Op 3 november 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 november 2026
Datum publicatie
30 oktober 2026
Zaaknummer
26/00398
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1784
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Executie-uitlevering opgeëiste persoon (Turkse nationaliteit) naar Turkije t.z.v. invoer van drugs. 1. Verweer dat in strafzaak die heeft geleid tot veroordeling sprake was van voltooide schending van art. 3 EVRM, nu opgeëiste persoon tijdens zijn detentie meermalen is mishandeld, gefolterd en gemarteld. 2. Afwijzing aanhoudingsverzoek teneinde nader onderzoek te doen naar gestelde schending van art. 3 EVRM.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 22 september 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:880
  2. Hoge Raad · 3 november 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1784

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 26/00398 U

Datum 3 november 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 januari 2026, nummer UTL-I-2025005267, op verzoek van de Republiek Turkije tot uitlevering

van

[opgeëiste persoon] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de opgeëiste persoon.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft de advocaat T.E. Korff bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2026.