Strafrecht overig

Conclusie AG. Executie-uitlevering aan Turkije. Middel bevat falende klachten over verwerping verweer inzake…

Zaakgegevens

Op 22 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22 september 2026
Datum publicatie
15 september 2026
Zaaknummer
26/00398
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:880
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie AG. Executie-uitlevering aan Turkije. Middel bevat falende klachten over verwerping verweer inzake voltooide schending art. 3 EVRM en afwijzing aanhoudingsverzoek dat ter staving van dit verweer is gedaan. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 26/00398 U

Zitting 22 september 2026

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[opgeëiste persoon] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de opgeëiste persoon.

1 Inleiding

1.1

Bij uitspraak van 19 januari 2026 heeft de rechtbank Rotterdam de uitlevering aan Turkije van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het strafvonnis van de 4e meervoudige kamer voor strafzaken te Istanbul Anatolië van 13 mei 2016.

1.2

Namens de opgeëiste persoon heeft T.E. Korff, advocaat in Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

2 Het middel

2.1

Het middel bevat allereerst de klacht dat de rechtbank het verweer dat sprake is van een voltooide schending van art. 3 EVRM op onjuiste althans onbegrijpelijke gronden heeft verworpen en aldus ten onrechte de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Turkije toelaatbaar heeft verklaard. Daarnaast bevat het middel de klacht dat de rechtbank het subsidiaire verzoek van de verdediging om de behandeling van de zaak aan te houden teneinde nader onderzoek te doen naar de gestelde schending van art. 3 EVRM ten onrechte dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft afgewezen.

2.2

De rechtbank heeft het gevoerde verweer strekkende tot ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering wegens een voltooide schending van art. 3 EVRM en het subsidiair gedane aanhoudingsverzoek als volgt weergegeven en verworpen/afgewezen:

“8.1 Voltooide schending van het verbod op foltering (artikel 3 EVRM)

Standpunt verdediging

De raadsman heeft primair aangevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard omdat sprake is van een voltooide schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), inhoudende dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Aangevoerd is dat de opgeëiste persoon tijdens zijn detentie in de strafzaak meerdere malen is mishandeld en gefolterd/gemarteld. Het gaat om meerdere ernstige mishandelingen in de periode van februari/maart 2016 tot en met september 2019 door bewaarders in de [naam 1] -gevangenis en de [naam 2] -gevangenis. Verwezen is naar vier foto’s waarop volgens de opgeëiste persoon letsels te zien zijn die met deze mishandelingen zijn toegebracht. Het letsel dat uit die foto's blijkt toont volgens de opgeëiste persoon aan dat hij in gevangenschap is geslagen, geschopt en van de trap af is geduwd.

De mishandelingen hebben plaatsgevonden in het bijzijn van aanhangers van de Gülenbeweging, met wie hij (zoals hij heeft verklaard tijdens het aanmeldgehoor op 27 juni 2021 bij de Immigratie en Naturalisatiedienst in het kader van zijn asielprocedure) in detentie in contact is gekomen.

Dat in de [naam 2] -gevangenis werd gemarteld blijkt aldus de raadsman ook uit een artikel van 19 juni 2019 op een website, waarvan een Nederlandse vertaling in de pleitnotities is opgenomen. Ook is verwezen naar het in februari 2025 gepubliceerde ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse zaken over de situatie in Turkije en de per e-mail toegezonden artikelen/stukken over mishandeling en martelingen in Turkse gevangenissen en de vervolging van aanhangers van de Gülenbeweging en leden van oppositiepartijen in Turkije.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden in afwachting van het nadere gehoor van de opgeëiste persoon door de IND, omdat hij daarin ook nader zal worden gehoord over de mishandelingen/folteringen tijdens de detentie in Turkije en daarna hiervoor dus een nadere onderbouwing zou kunnen worden geven. In geval van aanhouding van de behandeling zouden er ook door de officier van justitie vragen hierover kunnen worden gesteld aan de Turkse autoriteiten.

Beoordeling

Uitgangspunt bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, is dat in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten die zijn neergelegd in het EVRM en het Internationaal verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: IVBPR) zal respecteren (vgl. HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288).

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463) over de bevoegdheidstoedeling in uitleveringszaken is de beoordeling van de vraag of de opgeëiste persoon bij inwilliging van het uitleveringsverzoek zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 3 EVRM voorbehouden aan de Minister. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren.

De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon tijdens de detentie in het kader van deze strafzaak meerdere malen ernstig is mishandeld door bewaarders in de gevangenissen waar de verdachte heeft verbleven en dit geconcretiseerd. De opgeëiste persoon heeft daarover op zitting ook verklaard. De rechtbank is echter van oordeel dat de onderbouwing die daarvoor is gegeven onvoldoende is om (met voldoende mate van zekerheid) vast te kunnen stellen dat deze mishandelingen hebben plaatsgevonden en daarmee sprake is van een voltooide inbreuk op artikel 3 EVRM.

Enkel op basis van de overgelegde foto's kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een dergelijke voltooide inbreuk. Zonder gegevens met betrekking tot de aanmaakdata van deze foto's en overige stukken die als onderbouwing kunnen dienen, die ontbreken, kan niet worden vastgesteld dat hetgeen te zien is op die foto's letsels zijn die het gevolg zijn van de gestelde mishandelingen door bewaarders in de gevangenissen tijdens zijn detentie. Verder wordt in de overgelegde stukken weliswaar melding gemaakt van mishandelingen en martelingen van gevangenen in Turkse gevangenissen, waaronder in de [naam 2] -gevangenis, maar daaruit blijkt niet dat dit ook voor de opgeëiste persoon het geval is geweest. Uit deze stukken komt het beeld naar voren dat met name tegenstanders van het regime, zoals aanhangers van de Gülenbeweging, slachtoffer (zijn) worden van mishandelingen en martelingen. De opgeëiste persoon stelt tijdens zijn detentie in Turkije contact te hebben gehad met aanhangers van de Gülenbeweging en door verantwoordelijken van deze beweging te zijn geholpen bij het verkrijgen van onderdak en zijn vertrek uit Turkije. Ook stelt hij deel te nemen aan bijeenkomsten van deze beweging, maar verder geen rol te hebben in deze beweging. De rechtbank is van oordeel dat op basis van hetgeen thans is gesteld niet aannemelijk is geworden dat de opgeëiste persoon zelf aanhanger is of was van deze beweging. Bovendien stelt hij ook niet om die reden te zijn mishandeld.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat hetgeen door de opgeëiste persoon en zijn raadsman is aangevoerd en ter onderbouwing daarvan is overgelegd niet toereikend is om de conclusie te rechtvaardigen dat ten aanzien van de opgeëiste persoon sprake is van een voltooide schending van de fundamentele rechten als bedoeld in artikel 3 EVRM. Dit verweer wordt dan ook verworpen.

De rechtbank ziet om die reden ook geen aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van het nadere gehoor in de asielprocedure teneinde de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen om te komen met een nadere onderbouwing en evenmin om de officier van justitie opdracht te geven hierover vragen te stellen aan de Turkse autoriteiten.”

2.3

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de rechtbank een onjuist criterium heeft aangelegd bij de beoordeling van het verweer dat ten aanzien van de opgeëiste persoon sprake is van een voltooide schending van art. 3 EVRM. In plaats van de gestelde schending op aannemelijkheid te beoordelen, heeft de rechtbank beoordeeld of met een ‘voldoende mate van zekerheid’ is vast te stellen dat sprake is van een schending van art. 3 EVRM, en daarmee een te zware maatstaf aanlegt. Volgens de steller van het middel heeft de rechtbank de aannemelijkheid van de stelling van de verdediging derhalve niet onderzocht. Daarnaast heeft de rechtbank verzuimd de zaak aan te houden en de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen om met een nadere onderbouwing te komen en het OM de opdracht te geven om nadere vragen te laten stellen aan de Turkse autoriteiten omtrent de mishandeling.

2.4

Indien de verdediging in een uitleveringszaak aanvoert dat sprake is van een voltooide schending van art. 3 EVRM moet de uitleveringsrechter beoordelen of voldoende is komen vast te staan (in de zin dat het aannemelijk is) dat inderdaad sprake is van een dergelijke schending. Indien dit het geval is, moet hij de uitlevering ontoelaatbaar verklaren.

2.5

In de onderhavige zaak heeft de rechtbank geoordeeld dat hetgeen door de opgeëiste persoon en zijn raadsman is aangevoerd en ter onderbouwing daarvan is overgelegd – te weten foto’s van verwondingen die de verdachte in detentie zou hebben opgelopen als gevolg van het handelen van de bewaarders, een naar het Nederlands vertaald artikel omtrent martelingen die hebben plaatsgevonden in de gevangenis waar de verdachte destijds verbleef, een ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over de situatie in Turkije alsmede andere per e-mail toegezonden artikelen/stukken – niet toereikend is om de conclusie te rechtvaardigen dat ten aanzien van de opgeëiste persoon sprake is van een voltooide schending van art. 3 EVRM.

2.6

Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd. Hierbij speelt een rol dat de rechtbank heeft vastgesteld dat van de foto’s geen aanmaakdata bekend zijn, verder geen stukken zijn overgelegd die als onderbouwing daarvoor kunnen dienen en dat de rechtbank, in het verlengde van die vaststellingen, heeft geoordeeld dat derhalve niet kan worden vastgesteld dat hetgeen te zien is op de foto’s letsels zijn die het gevolg zijn van de gestelde mishandelingen door de bewaarders. Verder acht ik van belang dat de rechtbank heeft overwogen dat de overgelegde stukken (de artikelen en het ambtsbericht) in zijn algemeenheid spreken over mishandelingen in de desbetreffende gevangenis, met name van tegenstanders van het regime, zoals aanhangers van de Gülenbeweging. Dit betekent nog niet dat de opgeëiste persoon ook is mishandeld, mede nu de rechtbank heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat de opgeëiste persoon zelf aanhanger is of was van deze beweging en de opgeëiste persoon ook niet stelt om die reden te zijn mishandeld.

2.7

Wat betreft de door de rechtbank aangelegde maatstaf merk ik het volgende op. Hoewel de term aannemelijkheid hierin niet voorkomt, meen ik dat, gezien hetgeen de rechtbank in het verband van de beoordeling van het verweer heeft overwogen, in de overwegingen van de rechtbank wel een aannemelijkheidstoets besloten ligt. Ik wijs er in dit verband op dat de maatstaf die de rechtbank heeft aangelegd (of met ‘voldoende mate van zekerheid’ is komen vast te staan dat sprake is van een voltooide schending van art. 3 EVRM) nagenoeg overeenkomt met de maatstaf die de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest hanteert. Ik meen dan ook dat het argument dat de rechtbank de aannemelijkheid van de stelling van de verdediging dat sprake is geweest van schending van art. 3 EVRM niet heeft onderzocht feitelijke grondslag mist.

2.8

In verband met de klacht dat de rechtbank het subsidiaire verzoek van de verdediging om de behandeling van de zaak aan te houden teneinde nader onderzoek te doen naar de gestelde schending van art. 3 EVRM ten onrechte dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft afgewezen, merk ik het volgende op.

2.9

In de uitleveringsprocedure zijn ingevolge art. 29 UW onder meer de artikelen 281 en 328 tot en met 331 Sv van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de verdediging een verzoek tot aanhouding in het belang van het onderzoek kan doen en de rechter gehouden is op dit verzoek te beslissen en dit toe te wijzen als het onderzoek dat vordert.

2.10

In de onderhavige zaak heeft de verdediging subsidiair een aanhoudingsverzoek gedaan om het nadere gehoor van de opgeëiste persoon door de IND af te wachten, omdat hij daarin ook nader zal worden gehoord over de mishandelingen/folteringen tijdens de detentie in Turkije en daarna hiervoor dus een nadere onderbouwing zou kunnen worden gegeven, en verder om de officier van justitie “aanvullende vragen” te laten stellen aan de Turkse autoriteiten.

2.11

De rechtbank heeft het verzoek tot aanhouding afgewezen en daarbij de wettelijke voorschriften naar mijn mening niet miskend. Waarom het verhoor van het IND nieuwe inzichten zal bieden omtrent de vermeende schending van art. 3 EVRM ten opzichte van hetgeen door of namens de opgeëiste persoon ter zitting van de uitleveringsrechter naar voren heeft gebracht of heeft kunnen brengen, is door de verdediging niet onderbouwd. Voor wat betreft het stellen van vragen door het OM aan de Turkse autoriteiten omtrent de mishandeling van de verdachte merk ik op dat mijns inziens gezien hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht geen sprake is van een, in de woorden van het EHRM, prima facie case van marteling of onmenselijke behandeling. Gezien het ontbreken van aanmaakdata van de foto’s en het uitblijven van verdere concrete onderbouwing van de stellingen (zoals bijvoorbeeld een rapport van een forensisch arts of verklaringen van medegedetineerden) bestond geen plicht tot nader onderzoek en kon de rechtbank het aanhoudingsverzoek, dat ten doel had gelegenheid te bieden dit nader onderzoek te verrichten, afwijzen.

2.12

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

3 Slotsom

3.1

Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

3.2

Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

3.3

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Parketnummer: 10/171098-25. HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, r.o. 5.6. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276 m.nt. N. Rozemond, r.o. 3.5. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276 m.nt. N. Rozemond, r.o. 3.5, waar gesproken wordt over het ‘vast’ komen te staan van een schending van art. 3 EVRM. Vgl. EHRM 20 oktober 2016, nr. 7334/13 (Mursic t. Kroatië), par. 128. Vgl. HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547. EHRM 20 oktober 2016, nr. 7334/13 (Mursic t. Kroatië), par. 127. Vgl. in dit verband ook HR 26 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0875.