Strafrecht overig

Conclusie AG. Beklag, verschoningsrecht. OM-cassatie. Twee in beslag genomen (concept)overeenkomsten waaraan…

Zaakgegevens

Op 22 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22 september 2026
Datum publicatie
21 september 2026
Zaaknummer
26/01006
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:898
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie AG. Beklag, verschoningsrecht. OM-cassatie. Twee in beslag genomen (concept)overeenkomsten waaraan advocaat mogelijk heeft meegewerkt. De rechtbank acht beklag tegen vrijgave van deze stukken gegrond, zonder dat de rechter-commissaris een beslissing heeft genomen over het beroep op het verschoningsrechtt door de advocaat respectievelijk de advocaat in de gelegenheid heeft gesteld zich uit te laten over het verschoningsrecht. Daartegen gericht middel slaagt. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 26/01006 Bv

Zitting 22 september 2026

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[klager] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

hierna: de klager.

1 Inleiding

1.1

De rechtbank Amsterdam (RK 24/023674) heeft bij beschikking van 14 oktober 2025 het klaagschrift van klager op grond van art. 98 lid 4 Sv deels gegrond verklaard voor zover het betreft een aantal nader aangeduide stukken. Dit klaagschrift strekte tot vernietiging van een beslissing van de rechter-commissaris inhoudende dat een in beslag genomen verweerschrift met bijlagen mag “worden vrijgegeven aan het onderzoeksteam”.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld door [naam 1] , officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam. Namens het Openbaar Ministerie heeft [naam 2] , plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

2 Het procesverloop

2.1

Uit de stukken die de rechtbank aan de Hoge Raad heeft gezonden, komt het volgende naar voren.

2.2

De in deze zaak relevante verdenking richt zich tegen [betrokkene 1] en de aan hem gelieerde vennootschap [A] B.V. (hierna: [A] ) en tegen [medeklager 1] en de aan gelieerde vennootschap [medeklager 2] B.V. Allen zijn betrokken geweest bij (de bemiddeling van) de verhuur van hotelkamers aan het COA, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers. De verdenking is dat zij zich in het kader van deze transacties schuldig hebben gemaakt aan niet-ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift en witwassen.

2.3

Verder speelt een drietal advocaten(kantoren) een rol in deze beklagprocedure. Ten eerste heeft het kantoor [C] op enig moment opgetreden als adviseur van (in ieder geval) [betrokkene 1] . Verder is [medeklager 1] op enig moment een civiele verzoekschriftprocedure gestart tegen [D] B.V. en [E] B.V. [medeklager 1] werd daarin bijgestaan door klager [klager] als zijn advocaat. De advocaat van de wederpartijen was [advocaat] . Nadat de klager een verzoekschrift met bijlagen en [advocaat] een verweerschrift met bijlagen had ingediend, hebben partijen geschikt en is de zaak bij de rechtbank ingetrokken. Tot een mondelinge behandeling is het daarom nooit gekomen.

2.4

Tijdens een doorzoeking in de woning van [betrokkene 1] heeft de rechter-commissaris een stuk in beslag genomen, te weten een samenwerkingsovereenkomst tussen [A] en [medeklager 2] van 4 november 2022. Bij beschikking van 11 december 2024 heeft de rechter-commissaris beslist dat dit stuk mag worden vrijgegeven aan het onderzoeksteam. Zowel [medeklager 1] als [medeklager 2] heeft een klaagschrift ingediend tegen deze beschikking. Daarbij hebben zij aangevoerd dat het verschoningsrecht van [C] zich uitstrekt tot het stuk. De rechtbank heeft deze klaagschriften niet-ontvankelijk verklaard. De hiertegen ingestelde cassatieberoepen van [medeklager 1] (25/03511; ECLI:NL:HR:2026:1007) en [medeklager 2] (25/03512; ECLI:NL:HR:2026:1008) heeft de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard. Kort gezegd lag aan dit oordeel ten grondslag dat de klagers niet zelf de verschoningsgerechtigde zijn en [C] zich niet op hun verschoningsrecht hebben beroepen. Ik kom hier nog uitgebreider op terug.

2.5

In het lopende onderzoek heeft de officier van justitie van justitie via een vordering ook de beschikking gekregen over het genoemde verzoek- en verweerschrift, met bijlagen. Ik begrijp dat deze stukken vervolgens in beslag zijn genomen. Op 22 juli 2024 heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechter-commissaris beoordeelt of zich hier geheimhoudersstukken tussen bevinden.

2.6

Eveneens bij beschikking van 11 december 2024 heeft de rechter-commissaris beslist dat dit het geval is. Het verzoekschrift met alle bijlagen en een drietal bijlagen bij het verweerschrift (2, 3 en 45) vallen volgens deze beslissing onder het verschoningsrecht van de klager. Ook bij één deel van het als bijlage 49 gevoegde rapport van [G] bedrijfsrecherche is dat het geval (een brief van de klager). Het verweerschrift zelf en de overige bijlagen heeft de rechter-commissaris “vrijgegeven aan het onderzoeksteam” nadat hij had vastgesteld dat [advocaat] , de opsteller van het verweerschrift, zich niet op zijn verschoningsrecht had beroepen nadat hij daartoe in de gelegenheid was gesteld.

2.7

De klager heeft op 24 december 2024 tegen deze beslissing tot vrijgave een klaagschrift ingediend. Hij stelt in dit klaagschrift dat een deel van de stukken onder zijn eigen verschoningsrecht valt. Verder voert hij onder andere aan dat uit de beslissing van de rechter-commissaris niet blijkt dat [C] om een standpunt is gevraagd over de documenten waarbij zij betrokken zijn geweest.

2.8

De behandeling in raadkamer heeft plaatsgevonden op 25 maart 2025. Volgens het proces-verbaal heeft de klager daar het woord gevoerd aan de hand van zijn schriftelijke pleitaantekeningen. Deze houden onder andere het volgende in:

“Algemeen - standpunt overige advocaten inwinnen over verschoningsrecht

7. Ik heb in mijn e-mail van 8 oktober 2024 aandacht gevraagd voor het feit dat bij het verweerschrift ook stukken zitten die afkomstig zijn van andere advocaten. Uit de beslissing van de rechter-commissaris volgt niet dat hij de andere betrokken advocaten, waaronder van in ieder geval [C] en [F] , om een standpunt heeft gevraagd. Het Openbaar Ministerie merkt in haar schriftelijke standpunt op dat het niet aan mij is om daar een punt van te maken.

8. Het gegeven dat de andere betrokken advocaten niet hebben geklaagd tegen de beslissing van de rechter-commissaris, heeft geen betekenis als zij van die beslissing niet in kennis zijn gesteld. En dat de rechter-commissaris geen gevolg heeft gegeven aan mijn suggestie om ook andere advocaten te raadplegen, terwijl er aanwijzingen zijn dat zich onder de producties van [advocaat] stukken bevinden die afkomstig zijn van deze advocaten, betekent dat er een reëel risico is dat er geheimhoudersinformatie wordt vrijgegeven aan het onderzoeksteam.

9. Dat daartegen niet door de verschoningsgerechtigden zelf wordt/kan worden opgekomen, of dat ik daarover niet kan klagen, maakt dat niet minder problematisch. Alle rechterlijke autoriteiten - Openbaar Ministerie, rechter-commissaris, maar ook de rechtbank - hebben een zelfstandige verplichting om een dergelijke schending van het verschoningsrecht te voorkomen.

10. Ik geef de rechtbank in overweging zelf alsnog een standpunt van [C] en [F] te vragen alvorens een beslissing te nemen.

Specifiek het verschoningsrecht ten aanzien van Productie 49
(…)

13. Productie 49 bevat bovendien zelf voldoende aanknopingspunten dat zij in belangrijke mate op verschoningsgerechtigd materiaal is gebaseerd
a. Uit paragraaf 5 (m.n. paragraaf 5.1 en paragraaf 5.2) blijkt dat de voornaamste onderzoeksbevindingen van [G] zijn gebaseerd op 'meerdere concept samenwerkingsovereenkomsten (.) tussen [A] en [medeklager 2] B V.’. Eén van die concepten is als bijlage bij Productie 49 gevoegd. Het betreft een overeenkomst die op iedere pagina is voorzien van de aanduiding 'concept' en het logo van [C] . Een dergelijk concept is bedoeld voor vertrouwelijke gedachtewisseling tussen advocaat en cliënt en wordt bestreken door het verschoningsrecht van de advocaat (hier: eén of meerdere advocaten van [C] ).
(…)”

2.9

Op 8 april 2025 heeft de rechtbank vervolgens een tussenbeslissing uitgesproken. Deze houdt onder andere in:


“Vast staat dat klager een verschoningsrecht heeft en dat hij dit verschoningsrecht ook heeft ingeroepen.
Bij een procedure als de onderhavige is het aan de rechtbank om te onderzoeken of andere mogelijke verschoningsgerechtigden op de hoogte zijn gesteld van het voornemen van de rechter-commissaris om een stuk waar hun verschoningsrecht op kan rusten, aan het onderzoeksteam vrij te geven.
Alvorens te kunnen beslissen op het klaagschrift acht de rechtbank het van belang om nadere informatie te verkrijgen over de vraag of er naast klager en [advocaat] , zoals klager stelt, nog andere verschoningsgerechtigden naar voren komen in de vrij te geven stukken zoals bijvoorbeeld [C] en [F] . Indien dit het geval is dan wenst de rechtbank te vernemen of die verschoningsgerechtigden geïnformeerd zijn door de rechter-commissaris van zijn beslissing van 11 december 2024 en of zij zich al dan niet op hun verschoningsrecht hebben beroepen.
De rechtbank zal daarom in afwachting van deze nadere informatie de beslissing op het klaagschrift aanhouden.”

2.10

In een proces-verbaal van 9 april 2025 heeft de rechter-commissaris bericht dat hij van geen andere advocaten het standpunt heeft ingewonnen dan van klager en [advocaat] .

2.11

Bij e-mail van 18 april 2025 heeft de voorzitter namens de rechtbank de rechter-commissaris het volgende verzoek gedaan:


“Ten aanzien van de concept-samenwerkingsovereenkomst (als onderdeel van productie 49 bij het verweerschrift) verzoekt de raadkamer u vriendelijk om [C] van uw beslissing om dit stuk aan het onderzoeksteam vrij te geven op de hoogte te stellen.
Met daarbij de vraag om u te laten weten of het verschoningsrecht ten aanzien van dit document zal worden ingeroepen.”

2.12

De rechter-commissaris heeft hieraan gevolg gegeven. De advocaat van [C] heeft op 2 juni 2025 de rechter-commissaris geantwoord:


“Met referte aan uw mail van 19 mei jl. bericht ik u dat onze cliënt, [C] , zich met betrekking tot de concept-samenwerkingsovereenkomst op het verschoningsrecht beroept. Immers, een concept als hier aan de orde is per definitie onderwerp van overleg tussen cliënt en advocaat, en tevens is het concept het resultaat van discussie, overleg en advies. Het concept bevat niet alleen informatie die door de cliënt aan [C] is toevertrouwd in de uitoefening van het beroep, maar - mede gelet op de status "concept" - bovendien informatie die niet bestemd was en is voor openbaarmaking. Het initiatief tot deze overeenkomst is genomen door [betrokkene 1] c.s., de cliënten van [C] . Het concept is ook opgesteld oor [C] , in opdracht van [betrokkene 1] c.s. Die verhouding is onmiskenbaar die van advocaat en cliënt, hetgeen tot de conclusie leidt dat het verschoningsrecht hier geldt. Nu dit een stuk is tussen advocaat en cliënt, dient het vertrouwelijk te blijven. Voorts maak ik van de gelegenheid gebruik u te berichten dat ik niet kan overzien of er zich in de overige stukken en producties nog ander mogelijk verschoningsgerechtigd materiaal bevindt. Ik verzoek u mij deze stukken ter inzage te geven, opdat ik dat kan beoordelen. Wellicht kan die inzage op hetzelfde moment geschieden als de andere inzagen waarom wij enige tijd geleden hebben verzocht.”

2.13

Een tweede behandeling in raadkamer heeft plaatsgevonden op 16 september 2025. De klager heeft daar volgens het proces-verbaal wederom het woord gevoerd aan de hand van schriftelijke pleitaantekeningen. Deze houden onder andere in:


“Nog te nemen beslissingen
Uw rechtbank zal zich naar aanleiding van mijn klaagschrift dus nog moeten uitspreken over de volgende punten:
(…)
2. of [F] en [C] alsnog geraadpleegd moeten worden over alle stukken; en
3 of de concept-samenwerkingsovereenkomst mag worden vrijgegeven voor het strafrechtelijk onderzoek.

Ter toelichting het volgende.
(…)
2. Ook het volgende standpunt handhaaf ik: zelfs als de stukken geen namen van individuele advocaten bevatten, dan kan het heel goed zijn dat het om verschoningsgerechtigd materiaal gaat. Het is immers afkomstig uit een mailbox van cliënt waarmee hij veelvuldig contact had met geheimhouders en waarin door Valkenhorst is 'ingebroken'. Bij vrijwel alle zakelijke activiteiten van cliënt waren advocaten nauw betrokken. Dit is meer dan zomaar een vermoeden: zie de concept-samenwerkingsovereenkomst (3). Dat het niet aan mij is om het verschoningsrecht van die andere advocaten in te roepen, maakt niet dat het niet moet worden gerespecteerd. Uw rechtbank moet haar eigen verantwoordelijkheid nemen om de vertrouwelijkheid tussen advocaat en cliënt te waarborgen. Het ligt voor de hand om de beslissing te vernietigen en de stukken terug te sturen naar de r-c voor een nieuwe, meer indringende beoordeling en waarbij ook die andere advocaten zijn gevraagd. (…)

3. Wat betreft de conceptovereenkomst geldt natuurlijk dat dit een stuk is dat in overleg met de betreffende advocaat tot stand is gekomen en [C] had gevraagd moeten worden of deze ter zake het verschoningsrecht zou inroepen en dat inmiddels ook gedaan heeft. Is er op dit punt nog een discussie met het OM?”

2.14

Ook de advocaat-generaal heeft volgens het proces-verbaal het woord gevoerd overeenkomstig een schriftelijk stuk. Dit luidt onder andere:


“Wat de concept samenwerkingsovereenkomst van [C] betreft, constateert het OM dat [C] haar verschoningsrecht heeft ingeroepen. Het OM meent in algemene zin dat een ondertekende (samenwerkings)overeenkomst niet onder het verschoningsrecht valt. Dat kan anders zijn ten aanzien van concepten daarvan, bijvoorbeeld wanneer die specifiek adviezen en dergelijke bevatten. Of dat ook geldt ten aanzien van het onderhavige concept is niet ter beoordeling aan het OM. Die beoordeling lijkt door de rechter-commissaris niet expliciet meer te zijn gemaakt na zijn navraag bij [C] en ligt wat het OM betreft voor aan de beoordeling van uw rechtbank.”

2.15

In de bestreden beschikking van 14 oktober 2025 heeft de rechtbank het volgende overwogen en geoordeeld:


“Verweerschrift
De rechtbank is van oordeel dat het verweerschrift niet onder het verschoningsrecht van klager valt, maar onder het verschoningsrecht van [advocaat] , als de opsteller van het verweerschrift. In het verweerschrift wordt gereageerd op het door klager opgestelde verzoekschrift, maar niet op zodanige wijze dat dit de relatie van klager niet zijn cliënten raakt, en daardoor het verschoningsrecht van klager denkbeeldig zou maken. Het enkele noemen van de naam van een advocaat of advocatenkantoor (zoals in de onderdelen 60 en 61 van het verweerschrift) brengt op zich nog geen verschoningsrecht voor de betreffende advocaat of het betreffende advocatenkantoor met zich.

Producties
Wat betreft de producties bij het verweerschrift die door de rechter-commissaris niet als verschoningsgerechtigde stukken zijn aangemerkt komt de rechtbank, behoudens een drietal hierna te noemen stukken, tot een gelijke beoordeling als de rechter-commissaris.

Productie 15 betreft een getekende versie van de samenwerkingsovereenkomst met bijlagen waarvan [C] zich met betrekking tot de conceptversie (onderdeel van productie 49) op het verschoningsrecht heeft beroepen. Hoewel [C] zich hierover niet expliciet heeft uitgelaten, gaat de rechtbank er voorzichtigheidshalve van uit dat dit beroep op het verschoningsrecht ook geldt met betrekking tot de getekende versie van deze overeenkomst. Het gaat hier immers om hetzelfde onderwerp en dezelfde cliënt van [C] . De rechtbank zal daarom bepalen dat productie 15 (de samenwerkingsovereenkomst met bijlagen) en de conceptversie van de samenwerkingsovereenkomst (als onderdeel van productie 49) niet mogen worden vrijgegeven.

Als onderdeel van productie 49 is een stuk met de titel ‘ [titel ...] ' opgenomen. Dit stuk maakt ook onderdeel uit van productie 45 die door de rechter commissaris in zijn beslissing van 11 december 2024 als verschoningsgerechtigd stuk is aangemerkt. De rechtbank zal daarom bepalen dat dit stuk niet mag worden vrijgegeven.

Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag gegrond voor zover gericht tegen de vrijgave van:
- de samenwerkingsovereenkomst met bijlagen (productie 15);
- de concept samenwerkingsovereenkomst (onderdeel van productie 49);
- [titel ...] (onderdeel van productie 49).

De rechtbank verklaart het beklag voor het overige ongegrond.”

3 Het middel

3.1

Het middel komt met een aantal klachten op tegen deze oordelen. De rechtbank heeft volgens de steller van het middel ten onrechte als uitgangspunt genomen dat de rechter-commissaris al had beslist op het beroep van [C] op hun verschoningsrecht. Verder heeft de rechtbank niet mogen aannemen dat [C] zich ook voor de getekende samenwerkingsovereenkomst heeft beroepen op zijn verschoningsrecht, maar had het de behandeling van het klaagschrift moeten aanhouden en de rechter-commissaris een nader onderzoek hiernaar moeten laten uitvoeren, aldus het middel.

Het juridisch kader

3.2

Voor de beoordeling van deze klachten zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- artikel 98 lid 1 tot en met 4 Sv:


“1. Bij personen met bevoegdheid tot verschooning, als bedoeld bij de artikelen 218 en 218a, worden, tenzij met hunne toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. De rechter-commissaris is bevoegd ter zake te beslissen.
2. Indien de persoon met bevoegdheid tot verschoning bezwaar maakt tegen de inbeslagneming van brieven of andere geschriften omdat zijn plicht tot geheimhouding zich daartoe uitstrekt, wordt niet tot kennisneming overgegaan dan nadat de rechter-commissaris daarover heeft bepaald.

3. De rechter-commissaris die beslist dat inbeslagneming is toegestaan, deelt de persoon met bevoegdheid tot verschoning mede dat tegen zijn beslissing beklag open staat bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag is beslist.
4. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris kan de persoon met bevoegdheid tot verschoning binnen veertien dagen na de betekening daarvan een klaagschrift indienen bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd. Artikel 552a is van toepassing.”

- artikel 552a lid 1 Sv:


“De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van in beslag genomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teruggave, over het al dan niet toepassen van de in artikel 116, vierde lid, neergelegde bevoegdheid, over de vordering van gegevens, over het bevel toegang te verschaffen tot een geautomatiseerd werk of delen daarvan, tot een gegevensdrager of tot versleutelde gegevens dan wel kennis omtrent de beveiliging daarvan ter beschikking te stellen, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk, over de kennisneming of het gebruik van gegevens als bedoeld in de artikelen 100, 101 en 114, over de vordering gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede over de ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, bedoeld in de artikelen 125o en 126cc, vijfde lid, de opheffing van de desbetreffende maatregelen of het uitblijven van een last tot zodanige opheffing. De belanghebbenden kunnen zich voorts schriftelijk beklagen over een bevel tot het ontoegankelijk maken van gegevens, bedoeld in artikel 125p. Over het beklag, bedoeld in de vorige volzin, beslist het gerecht zo spoedig mogelijk.”

3.3

De rechter-commissaris heeft zijn beslissing van 11 december 2024 genomen op vordering van de officier van justitie. Deze vordering hield in dat de rechter-commissaris nagaat of zich tussen de in beslag genomen stukken geheimhoudersinformatie bevindt. De officier van justitie was gehouden een dergelijke vordering te doen als deze een redelijk vermoeden had dat zich tussen de in beslag genomen stukken geprivilegieerd materiaal bevond. Hier doet zich dus niet het geval voor dat degene van wie de stukken waren gevorderd, stelt dat met betrekking tot deze stukken sprake is van een verschoningsrecht en daarom zelf een klaagschrift volgens art. 552a Sv indient.

3.4

Voor de toepassing van art. 98 Sv is niet bepalend of de stukken zich onder de geheimhouder zelf bevinden. In het navolgende ga ik er daarom vanuit dat het onderhavige geval sprake is van in beslag genomen geschriften als bedoeld in art. 98 lid 1 Sv. Van groot belang is dit echter niet. Een beroep op een verschoningsrecht kan zich voordoen bij de uitoefening van verschillende beslag- en vorderingsbevoegdheden en in verschillende verhoudingen tussen de beslagene en de verschoningsgerechtigde. Het juridisch kader is in beginsel steeds hetzelfde.

3.5

Constante rechtspraak is dat als in een beklagprocedure wordt aangevoerd dat een geheimhouder de bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen ten aanzien van in beslag genomen stukken, het aangewezen is dat die stukken in handen worden gesteld van de rechter-commissaris. Deze zal vervolgens de geheimhouder in staat moeten stellen zich uit te laten over zijn verschoningsrecht met betrekking tot die geschriften. Het standpunt van de verschoningsgerechtigde geheimhouder dient te worden gerespecteerd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Het oordeel of dit het geval is, komt in eerste instantie toe aan de rechter-commissaris.
Het is ook de rechter-commissaris die in eerste instantie beoordeelt of zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap de verschoningsgerechtigde als zodanig is toevertrouwd - moet prevaleren boven de eerbiediging van het verschoningsrecht.

3.6

Beslist de rechter-commissaris dat de betrokken geheimhouder geen verschoningsrecht heeft of dat in de gegeven omstandigheden het verschoningsrecht moet worden doorbroken en dat het beslag is toegestaan, dan dient te worden gehandeld in overeenstemming met art. 98 lid 3 Sv. De beschikking van de rechter-commissaris zal dan aan de betrokken geheimhouder moeten worden betekend, onder mededeling dat deze binnen veertien dagen tegen deze beschikking een klaagschrift kan indienen bij een in die mededeling aangeduid gerecht in feitelijke aanleg en tevens dat niet tot kennisneming van de stukken wordt overgegaan dan na afloop van die veertien dagen dan wel, indien zo'n klaagschrift wordt ingediend, nadat in die beklagzaak onherroepelijk over (de eerbiediging van) het verschoningsrecht van de geheimhouder is beslist.

3.7

Bij de beoordeling van een klaagschrift op basis van art. 552a Sv van een betrokkene die níet de verschoningsgerechtigde is, dient het oordeel in de art. 98 Sv-beklagprocedure van de verschoningsgerechtigde, als dat onherroepelijk is geworden, tot uitgangspunt te worden genomen. Indien in die laatste procedure is beslist dat met betrekking tot de desbetreffende gegevens het verschoningsrecht moet worden gerespecteerd, is het klaagschrift in zoverre gegrond.
In het geval dat in de 98 Sv-beklagzaak van de geheimhouder diens beroep op zijn verschoningsrecht ongegrond wordt verklaard, moet de klager niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn klaagschrift voor zover het de klachten met betrekking tot het verschoningsrecht betreft.
Indien de geheimhouder geen 98 Sv-klaagschrift indient tegen de beslissing van de rechter-commissaris, moet het ervoor worden gehouden dat door de geheimhouder geen beroep wordt gedaan op zijn verschoningsrecht. Ook in dat geval moet degene van wie de verstrekking van gegevens is gevorderd niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn klaagschrift voor zover het de klachten met betrekking tot het verschoningsrecht betreft.

3.8

Wanneer de niet-verschoningsgerechtigde klager in de procedure volgens art. 552a Sv aanvoert dat een verschoningsrecht bestaat met betrekking tot in beslag genomen stukken, dan dient de rechtbank de behandeling van het klaagschrift aan te houden en de stukken in handen van de rechter-commissaris te stellen zodat die een beschikking kan geven als bedoeld in art. 98 Sv. Als de rechtbank bij de behandeling van het klaagschrift vaststelt dat de beschikking van de rechter-commissaris nog niet overeenkomstig artikel 98 lid 3 Sv is betekend aan de betrokken verschoningsgerechtigde dan wel de termijn van veertien dagen voor het indienen van een klaagschrift op de voet van artikel 98 lid 4 Sv nog niet is verstreken, moet zij de behandeling van het klaagschrift aanhouden.

De bespreking van het middel

3.9

Deze ‘voorrangsregeling’ lijkt mij ook van toepassing in de hier besproken zaak, ook al heeft de niet-verschoningsgerechtigde geen klaagschrift ingediend op grond van art. 552a Sv zelf, maar een klaagschrift op grond van art. 98 lid 4 jo. 552a Sv tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 11 september 2024. Uit de hierboven beschreven rechtspraak over de verhouding tussen deze twee procedures, volgt immers dat aan het klaagschrift ex art. 552a Sv geen zelfstandige betekenis toekomt omdat een beroep op het verschoningsrecht in beginsel is voorbehouden aan de geheimhouder zelf. In feite is de functie van het klaagschrift ex art. 552a Sv op dit punt niet meer dan het starten van de procedurele waarborgen ter bescherming van het verschoningsrecht, waarmee ook een algemeen belang is gemoeid. Ik zie niet in waarom een dergelijke functie niet ook zou toekomen aan een klaagschrift ex art 98 Sv waarin een geheimhouder niet alleen zijn eigen verschoningsrecht inroept, maar ook wijst op dat van een ander.

3.10

Uit de vaststellingen van de rechtbank volgt niet dat de rechter-commissaris een beslissing heeft genomen over de juistheid van het beroep op het verschoningsrecht voor de conceptsamenwerkingsovereenkomst (productie 49) door [C] . De rechtbank heeft daarmee zelf als eerste over dit verschoningsrecht geoordeeld en daarmee miskend dat het de rechter-commissaris in de gelegenheid had moeten stellen een onderzoek te verrichten en als eerste een oordeel te geven. De rechtbank heeft daarmee blijkt gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

3.11

Daaraan doet niet af dat de rechter-commissaris al een beslissing had gegeven tot vrijgave van een aantal documenten aan het onderzoeksteam. Deze beslissing had immers geen betrekking op het verschoningsrecht van [C] . Verder ligt in het oordeel van de rechtbank niet besloten dat zij heeft aangenomen dat [C] op de hoogte is gesteld van de beslissing van de rechter-commissaris, vervolgens geen klaagschrift heeft ingediend en er dus van mag worden uitgegaan dat [C] geen beroep doen op hun verschoningsrecht. De rechtbank heeft immers juist wel een beroep op het verschoningsrecht gehonoreerd.

3.12

Dit alles geldt in nog sterkere mate voor de getekende samenwerkingsovereenkomst (productie 15). Uit de stukken volgt niet dat de rechter-commissaris [C] , ondanks hun verzoek daartoe, in staat heeft gesteld zich uit te laten over hun verschoningsrecht met betrekking tot dit stuk. Van een beslissing van de rechter-commissaris over dit verschoningsrecht is dan al helemaal geen sprake.

4 Afronding

4.1

Het middel slaagt.

4.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

4.3

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de beslissing van de rechtbank en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

De door de griffie van de rechtbank opgemaakte “akte inlevering” vermeldt dat het klaagschrift door de klager is ingediend namens een ander. De rechtbank heeft echter begrepen dat de klager namens zichzelf optreedt. Tot dat moment liepen deze procedure en de beklagprocedure van [medeklager 1] en [medeklager 2] gelijk op. Vgl. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rov. 6.6.7. Vgl. HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3714; HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205 en HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:553, O.a. HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2783, rov. 6.3. Art. 98 Sv is van overeenkomstige toepassing verklaard in 125i Sv over het vastleggen van gegevens tijdens een doorzoeking. Het hier weergegeven juridisch kader kan onder andere worden ontleend HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3076 en HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:404 als het gaat om beslag op stukken en digitale gegevensdragers. Het is echter ook van toepassing op stukken en gegevens die worden gevorderd, zie HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3714, HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205 en HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:553. En eveneens bij beslag leggen op goederen of vastleggen van gegevens op grond van een Europees Onderzoekbevel, HR 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:565. Zie HR 25 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2418 en HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1960 als het gaat om klagers die zich beroepen op het aan henzelf toekomende verschoningsrecht. Zie HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:316 als het gaat om een ander dan de verschoningsgerechtigde. HR 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:565, rov. 2.4.3. Uit de beschikbare stukken blijkt overigens niet dat de beslissing van de rechter-commissaris ook aan [C] is betekend. Dat brengt mee dat de klachttermijn niet is begonnen en de rechtbank ook om die reden de behandeling van het klaagschrift had moeten aanhouden totdat de beschikking van de rechter-commissaris is betekend aan de klager en de termijn voor het indienen van een klaagschrift is verstreken, HR 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:562, rov. 2.5.