Strafrecht overig

Beklag ex art. 98.4 jo. art. 552a Sv tegen beslag op samenwerkingsovereenkomst i.v.m. strafrechtelijk…

Zaakgegevens

Op 23 juni 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23 juni 2026
Datum publicatie
22 juni 2026
Zaaknummer
25/03512
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1008
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Beklag ex art. 98.4 jo. art. 552a Sv tegen beslag op samenwerkingsovereenkomst i.v.m. strafrechtelijk onderzoek tegen o.m. klaagster en medeklager t.z.v. verdenking van niet-ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift en witwassen. Kon Rb beklag n-o verklaren omdat klaagster en medeklager geen verschoningsgerechtigden zijn en niet is gebleken dat A (advocatenkantoor) zich t.a.v. samenwerkingsovereenkomst op het aan A toebehorende verschoningsrecht heeft beroepen?

Middelen zijn tevergeefs voorgesteld. Dat brengt mee dat HR cassatieberoep van klaagster niet in behandeling kan nemen. Redenen daarvoor staan vermeld in HR:2026:1007.

Klaagster n-o. Samenhang met 25/03511 B.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 14 april 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:393
  2. Hoge Raad · 23 juni 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1008

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 25/03512 B

Datum 23 juni 2026

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2025, nummer RK 24/031703, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klaagster],

gevestigd in [plaats],

hierna: de klaagster.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze hebben de advocaten A.H.J. Saes en S.J.C. van den Wijngaard bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster in het ingestelde cassatieberoep.

De raadslieden van de klaagster hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van de cassatiemiddelen en van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1

De cassatiemiddelen keren zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank van het namens de klaagster ingediende klaagschrift.

2.2

De cassatiemiddelen zijn tevergeefs voorgesteld. Dit brengt dat mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep van de klaagster niet in behandeling kan nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de beschikking die de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 25/03511 B, ECLI:NL:HR:2026:1007.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2026.