Strafrecht overig

Conclusie AG. Medeplegen diefstal met geweld (art. 47 en 312 Sr). Bewijsklacht medeplegen. Uit vaststellingen…

Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
21 september 2026
Zaaknummer
24/04074
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:899
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Conclusie AG. Medeplegen diefstal met geweld (art. 47 en 312 Sr). Bewijsklacht medeplegen. Uit vaststellingen heeft hof kunnen afleiden dat sprake is van medeplegen, hoewel bijdrage verdachte niet uit gezamenlijke uitvoering bestond. Aanwezigheid op belangrijke momenten, klaarstaan om te helpen en leveren van bij overval gebruikte tape, tie-wraps en handschoenen. Conclusie strekt tot verwerping (art. 81 RO).

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 1 november 2024

    ECLI:NL:GHSHE:2024:4290
  2. Conclusie A-G · 6 oktober 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2026:899

  3. Hoge Raad · 3 november 2026

    ECLI:NL:HR:2026:1766

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/04074

Zitting 6 oktober 2026

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1

De verdachte is bij arrest van 1 november 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-003360-23), met gedeeltelijke bevestiging van een vonnis van de rechtbank Limburg van 11 december 2023, wegens “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelden partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] zoals nader in het arrest vermeld.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en B.G. Janssen, advocaat in Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2 Het middel

2.1

Het middel komt erop neer dat het oordeel van het hof dat sprake is van medeplegen onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd.

2.2

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

“op 17 november 2022 in de gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, uit een woning gelegen aan de [a-straat 1] , sieraden en telefoons en een paspoort, die geheel of ten dele aan [benadeelde 3] en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [benadeelde 3] en [benadeelde 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door

- een (vloei)stof in het gelaat van voornoemde [benadeelde 3] en [benadeelde 2] te spuiten en

- de handen van voornoemde [benadeelde 3] en [benadeelde 2] vast te binden met tie-wraps en

- meermalen te roepen dat ze, de verdachten, geld en goud wilden en dat ze, de verdachten, geld van voornoemde [benadeelde 1] wilden en

- meermalen, althans eenmaal, voornoemde [benadeelde 3] en [benadeelde 2] (met kracht) te duwen tegen het (boven)lichaam en

- meermalen voornoemde [benadeelde 3] en [benadeelde 2] te slaan tegen het (boven)lichaam en

- meermalen voornoemde [benadeelde 3] en [benadeelde 2] met de dood te bedreigen.”

2.3

Het hof heeft ten aanzien van het bewijs – voor zover hier relevant – het volgende overwogen:

“Bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, nu niet met wettig en overtuigend bewijs bewezen kan worden dat de verdachte de overval heeft gepleegd. Hierbij heeft de raadsman aangevoerd dat de handelingen van de verdachte niet als medeplegen gekwalificeerd kunnen worden.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat aangeefsters [benadeelde 2] en [benadeelde 3] op 17 november 2022 in de woning van voornoemde [benadeelde 3] en haar man [benadeelde 1] aan de [a-straat 1] in [plaats] met geweld en onder bedreiging met geweld zijn overvallen door twee personen. Hierbij is de deur van de woning geforceerd. Vervolgens werd een vloeistof in hun ogen gespoten. Daarna werden hun polsen vastgebonden met tie-wraps die na de overval door [getuige] zijn losgeknipt. Beide aangeefsters verklaren ook dat zij met de dood werden bedreigd en dat beide overvallers met kracht tegen hun bovenlichaam duwden en sloegen. De daders schreeuwden dat zij geld en goud wilden hebben van [benadeelde 1] . Uiteindelijk zijn meerdere telefoons, sieraden en een paspoort van [benadeelde 3] buitgemaakt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard. Op 17 november 2022 was hij op school en werd hij gebeld door [medeverdachte] met de vraag of hij even wilde langskomen. Hij is toen na school naar [plaats] gereisd en is toen samen met [medeverdachte] met de trein naar [plaats] gereisd. Vervolgens zijn zij met zijn tweeën naar het appartementencomplex gelopen. Bij de woning heeft [medeverdachte] hem om een stuk papier gevraagd, waarop de verdachte een papier uit zijn schrift heeft gepakt. Hij heeft toen gezien dat [medeverdachte] een propje van het papier maakte en dat vervolgens in het slot van de centrale toegangsdeur van het appartementencomplex deed. [medeverdachte] is toen het appartementencomplex binnen gegaan en de verdachte heeft buiten op [medeverdachte] gewacht. Vervolgens zijn zij samen weer naar [plaats] gegaan om rond te hangen. Een klein uurtje later zijn zei allebei naar huis gegaan. Enige tijd later werd verdachte gebeld door [medeverdachte] met de vraag of hij via een vriend van hem tape, tie-wraps en handschoenen kon regelen. De verdachte heeft toen zijn vriend gecontacteerd en is zo aan de verzochte goederen gekomen. Later op de avond is hij weer naar [plaats] gegaan en heeft hij de goederen aan [medeverdachte] geleverd.

Aanvulling van de bewijsmiddelen met de in hoger beroep als getuige afgelegde verklaring van [medeverdachte]

heeft ter terechtzitting in hoger beroep als getuige het volgende verklaard.

Op 17 november 2022 kwam hij [betrokkene 1] tegen, de man bij wie hij een schuld ter hoogte van € 4.000,- had. [betrokkene 1] [ik begrijp hier en hierna steeds: [betrokkene 1] ; MvW] zei tegen hem dat als hij hem zou helpen, de schuld voldaan zou zijn. [betrokkene 1] pakte zijn smartphone en liet een adres aan [medeverdachte] zien. [betrokkene 1] had aan [medeverdachte] duidelijk gemaakt dat [betrokkene 2] hem een bedrag van € 20.000,- schuldig was. Vervolgens is [medeverdachte] samen met de verdachte naar het appartementencomplex aan de [a-straat] gegaan. [medeverdachte] is toen naar boven gelopen om te kijken hoe het ervan binnenuit zag. Vervolgens is hij weer naar beneden gelopen en vroeg hij of de verdachte een papiertje voor hem had. Hij heeft toen dit papiertje in het deurslot van de centrale toegangsdeur gedaan. Hij heeft dit gedaan omdat hij later met iemand terug zou gaan. [medeverdachte] heeft toen [betrokkene 1] verteld wat hij bij het gebouw had gezien en dat hij een propje in de deur had gedaan, [betrokkene 1] zei tegen hem dat zij contact zouden houden. [medeverdachte] is toen naar huis gegaan en heeft de verdachte gebeld om te vragen of zijn vriend van de bouwmarkt tie-wraps, handschoenen en tape voor hem kon regelen. De verdachte zei dat hij het via zijn vriend zou regelen. Later op de dag overhandigde de verdachte de spullen aan [medeverdachte] . Op een gegeven moment kreeg [medeverdachte] een bericht van [betrokkene 1] en ging hij weer naar hem toe. [betrokkene 1] zei tegen hem dat hij even bij het appartementencomplex moest gaan kijken. [medeverdachte] is toen samen met de verdachte een rondje gaan lopen en is bij het appartementencomplex gaan kijken. Hij zag dat de deur nog steeds open was. Hij is toen weer teruggegaan naar [betrokkene 1] en is samen met [betrokkene 1] naar het appartementencomplex gegaan. Zij stonden boven in het halletje bij de deuren van de appartementen. [betrokkene 1] zei tegen [medeverdachte] dat hij het spionnetje dicht moest plakken. [medeverdachte] dit en toen stormde [betrokkene 1] het appartement binnen. [betrokkene 1] rende naar binnen. [medeverdachte] zag twee vrouwen binnen zitten en zag dat [betrokkene 1] hen hard behandelde. De slachtoffers zijn op een gegeven moment vastgebonden en zij hebben gezocht naar waardevolle spullen. [medeverdachte] zag dat [betrokkene 1] alle spullen van waarde in een zak deed. [medeverdachte] zag ook dat [betrokkene 1] maar bleef schreeuwen. Toen zij door hadden dat er niet veel te halen viel, zijn zij weggegaan. [medeverdachte] heeft tegen verdachte gezegd "Geef mij je telefoon en bel je broertje daarmee even en als je iets raars hoort als je mij hoort roepen, kom mij helpen”. Buiten stond de verdachte en [medeverdachte] vertelde aan hem wat er was gebeurd.

Conclusie

De door de verdachte en de medeverdachte (als getuige) afgelegde verklaringen worden ondersteund door de bewijsmiddelen in het dossier, in het bijzonder door de aangetroffen DNA-sporen op de prop papier en het tape, de camerabeelden en de getuigenverklaringen.

Het hof kwalificeert de rol van de verdachte als medeplegen. Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit dient dan van voldoende gewicht te zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit voornoemde feiten en omstandigheden blijkt dat de verdachte voorafgaand aan de overval in de aanwezigheid van [medeverdachte] is geweest en dat zij samen naar de [a-straat 1] zijn gegaan. Voorts blijkt dat de verdachte bij het appartementencomplex een stuk papier uit zijn schrift aan [medeverdachte] heeft gegeven en dat hij toen heeft gezien dat [medeverdachte] dit stukje papier tot een propje verfrommelde en vervolgens in het slot van de centrale toegangsdeur stopte. Daarnaast heeft de verdachte op verzoek van [medeverdachte] bij zijn vriend goederen - te weten handschoenen, tape en tie-wraps - geregeld, die hij vervolgens aan [medeverdachte] heeft geleverd en die toen door [medeverdachte] bij de overval zijn gebruikt. Gelet op deze feitenconstellatie moet het voor verdachte duidelijk zijn geweest dat er een aanmerkelijke kans aanwezig was dat er een beroving gepleegd zou worden waarbij - gelet op de beschikbare tie-wraps - mogelijk ook geweld niet geschuwd zou worden. De verdachte is verder in de nabijheid van het appartementencomplex aanwezig geweest op het moment dat [medeverdachte] vertrokken was om de overval te gaan plegen. [medeverdachte] heeft bovendien tegen verdachte gezegd “Geef mij je telefoon en bel je broertje daarmee even en als je iets raars hoort, als je mij hoort roepen, kom mij helpen”. Ook na de overval is de verdachte in de aanwezigheid van [medeverdachte] geweest. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de [medeverdachte] is komen vast te staan. De bijdrage van de verdachte is naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Het hof acht daarmee het ten laste gelegde bewezen.

Het verweer van de raadsman dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger is hiermee verworpen.”

2.4

In het middel wordt alleen geklaagd over de verwerping van dit verweer en niet over de bewijsconstructie van het hof als zodanig, zoals die met de gedeeltelijke bevestiging van het vonnis van de rechtbank vorm heeft gekregen. Voor de bewijsmiddelen waarop het hof zijn oordeel over de bewezenverklaring heeft gegrond, verwijs ik daarom naar het vonnis van de rechtbank.

2.5

Bij de bespreking van het middel moet vooropgesteld worden hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474:

“3.2.2.

Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. In dit verband valt te wijzen op bijvoorbeeld HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3356, NJ 2010/193 waarin ten aanzien van het medeplegen van een vernieling werd overwogen "dat het louter aanwezig zijn bij en zich niet distantiëren van een door een ander gepleegde vernieling, alsmede het louter instemmen met die vernieling, ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien daarvoor onvoldoende zijn", alsmede HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1307 inzake diefstal door twee of meer verenigde personen waarin onvoldoende werd bevonden de enkele vaststelling "dat de verdachte een vluchtmogelijkheid heeft gefaciliteerd en dat het niet anders kan zijn dan dat over het verschaffen van deze vluchtmogelijkheid van te voren door de verdachte en zijn mededaders afspraken zijn gemaakt".

3.2.3.

De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. (Vgl. bijvoorbeeld HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972, NJ 2012/452). Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Dat geldt in nog sterkere mate indien het hoofdzakelijk gaat om gedragingen die na het strafbare feit zijn verricht. (Vgl. HR 9 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6505, NJ 2013/229). Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.”

2.6

De omstandigheid dat de bijdrage van de verdachte niet is geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, hoeft aan de kwalificatie van medeplegen aldus niet in de weg staan. De bijdrage van de medepleger kan ook zijn geleverd in de vorm van verschillende gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit, waarbij geldt dat niet is uitgesloten dat de bijdrage met name vóór het strafbare feit is geleverd. De rechter dient het medeplegen in dergelijke gevallen wel nauwkeurig te motiveren. In die motivering van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking kan de rechter acht slaan op onder meer de intensiteit van de samenwerking, de rol in de voorbereiding en de aanwezigheid van de verdachte op belangrijke momenten.

2.7

Het hof heeft in de gebezigde bewijsmiddelen en in de nadere bewijsoverweging vastgesteld dat de verdachte voorafgaand aan de overval met één van de overvallers naar het betreffende appartementencomplex is gegaan. Daar heeft hij een prop papier aan laatstgenoemde gegeven, waarmee deze overvaller de centrale toegangsdeur zodanig heeft geprepareerd dat deze te openen was zonder toegangssleutel of bediening op afstand. Daarnaast heeft de verdachte op verzoek van deze overvaller handschoenen, tape en tie-wraps geregeld en bij hem afgeleverd, welke goederen bij de overval zijn gebruikt. Verder is de verdachte tijdens de overval in de nabijheid van het appartementencomplex aanwezig geweest. Daarbij had hij van voornoemde overvaller de opdracht gekregen om te komen “helpen” als hij “iets raars” zou horen of als hij deze overvaller zou horen roepen, hetgeen inhoudt dat de verdachte bereid stond om desgevraagd verdere handelingen te verrichten ter uitvoering van de diefstal met geweld. Ten slotte is de verdachte ook na de overval in aanwezigheid van deze overvaller geweest. Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat de bijdrage van de verdachte van zodanig gewicht is dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen acht ik, gelet op hetgeen onder 2.5 en 2.6 is vooropgesteld, niet onbegrijpelijk. Dat oordeel is voorts toereikend gemotiveerd.

3 Afronding

3.1

Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

3.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

3.3

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

ECLI:NL:GHSHE:2024:4290. ECLI:NL:RBLIM:2023:7207. Zie ook HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316.