Strafrecht overig
Conclusie AG. Caribische zaak. Veroordeling wegens doodslag en overtreding Vuurwapenverordening te Sint…
Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2026
ECLI:NL:PHR:2026:923 · Parket bij de Hoge Raad · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-923
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 25 september 2026
- Zaaknummer
- 25/03781
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:923
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Caribische zaak. Veroordeling wegens doodslag en overtreding Vuurwapenverordening te Sint Maarten. M1 dat is gericht tegen verwerping van betrouwbaarheidsverweer, berust op onjuiste veronderstelling dat 'driestappentoets' ook van toepassing is indien geen verzoek is gedaan tot horen van getuigen. M2 dat zich keert tegen oordeel Hof dat geen sprake is van een 'enkelvoudige fotoconfrontatie' faalt eveneens. Tot slot faalt ook M3 dat klaagt dat Hof verklaring van verdachte als steunbewijs voor verklaringen van getuigen heeft aangemerkt. AG wijst ambtshalve op ORT. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/03781 C
Zitting 6 oktober 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in (Sint Maarten) op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
1 Inleiding
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) heeft bij vonnis van 26 mei 2025 het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht), waarbij de verdachte wegens 1. “doodslag” en 2. “overtreding van een bij artikel 3 van de Vuurwapenverordening gesteld verbod” is veroordeeld, bevestigd onder aanvulling van gronden, met uitzondering van de opgelegde straf en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar en 11 maanden met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte heeft G. Spong, advocaat in Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.
2 Het eerste middel
Het middel richt zich tegen de verwerping van het verweer dat de verklaringen van de niet door de verdediging gehoorde [getuige 1] en [getuige 2] wegens twijfel aan bewijswaarde niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd en bevat de klacht dat het Hof dit verweer heeft verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“ Feit 1
hij op 26 maart 2023 te Sint Maarten, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, met een vuurwapen in het gezicht van die [slachtoffer] , geschoten ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
Feit 2
hij op 26 maart 2023 te Sint Maarten, een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening, voorhanden heeft gehad.”
Het Hof heeft het verweer van de verdediging ten aanzien van de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] als volgt samengevat en verworpen:
“ [getuige 1] en [getuige 2]
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verklaringen van deze getuigen uitgesloten dienen te worden van het bewijs nu - naar het Hof begrijpt - kan worden getwijfeld aan de bewijswaarde van de verklaringen. [getuige 1] heeft de schutter niet herkend en was voor een nader verhoor niet meer bereikbaar. [getuige 2] heeft kort haar verhaal gedaan ten overstaan van een verbalisant ter plaatse en was nadien evenmin bereikbaar voor een nader verhoor. Het betreft een summiere en vage getuigenverklaring. Onduidelijk is of [getuige 2] zelf heeft waargenomen wie de schutter was of dat zij dit van anderen heeft gehoord. Zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang is een dergelijke de auditu-verklaring onvoldoende, omdat niet objectief en met onvoldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte de schutter is geweest, aldus de raadsvrouw.
De procureur-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] samen (en in onderling verband) met de overige bewijsmiddelen bruikbaar zijn voor het bewijs.
Het Hof overweegt als volgt.
Uit het door het Gerecht aangehaalde proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 maart 2023 (voetnoot 7) volgt dat beide door de raadsvouw genoemde getuigen op 26 maart 2023 in de nacht op de plaats delict door de politie zijn gehoord. Daarbij heeft [getuige 2] een korte inhoudelijke verklaring ter plekke afgelegd, die in dat proces-verbaal en in een later op 5 september 2023 opgemaakt proces-verbaal (voetnoot 8) door de verbalisant is weergegeven. Uit het dossier volgt dat de politie [getuige 2] daarna niet heeft kunnen bereiken voor het afleggen van een nadere verklaring. [getuige 1] daarentegen heeft geen verklaring ter plekke afgelegd. Dat heeft zij later op de dag op de politiewacht in Philipsburg ten overstaan van een andere verbalisant gedaan en die verklaring heeft zij ook als getuige getekend (voetnoot 10). Niet is gebleken dat [getuige 1] daarna niet meer bereikbaar was voor (nader) verhoor.
Het Gerecht heeft in zijn vonnis naar aanleiding van een verweer ter zake [getuige 2] het volgende overwogen:
“Het Gerecht acht de verklaring van de getuige betrouwbaar, nu de getuige vrijwel direct na het schietincident haar verklaring tegenover [verbalisant] heeft afgelegd en deze wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier. Deze verklaring duidt op betrokkenheid van verdachte, omdat hij, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, een oudere broer heeft die [betrokkene 1] genaamd is en in [plaats] woont.”
Het Hof verenigt zich met deze overweging en komt op gelijkluidende gronden tot verwerping van het verweer. In aanvulling daarop neemt het Hof het volgende in ogenschouw.
De door de raadsvrouw gestelde omstandigheid dat de getuigen onbereikbaar zijn gebleken voor een eventueel nader verhoor – waar de verdediging overigens niet om heeft verzocht – mist t.a.v. [getuige 1] feitelijke grondslag en doet t.a.v. [getuige 2] niet af aan de bruikbaarheid van deze verklaringen voor het bewijs. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat [getuige 1] de schutter niet heeft herkend en voor de mogelijke de auditu-verklaring van [getuige 2] . Er bestaat geen rechtsregel die belet dat dergelijke verklaringen voor het bewijs worden gebezigd. De waarde van deze bewijsmiddelen dient te worden bezien in het licht van alle gebezigde bewijsmiddelen tezamen die in onderling verband redengevend zijn voor de bewezenverklaring.”
Het middel klaagt – naar ik begrijp – dat het Hof heeft verzuimd zich ervan te vergewissen dat de procedure in de zaak van verzoeker in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, nu niet blijkt dat het Hof de ‘driestappentoets’ heeft doorlopen. Uit die ‘driestappentoets’ zou volgens de steller van het middel volgen dat de rechter onbevraagde getuigenverklaringen behoedzaam dient te waarderen en die behoedzaamheid ook tot uitdrukking moet brengen.
De ‘driestappentoets’ waar de steller aan refereert is afkomstig uit de rechtspraak van het EHRM en heeft betrekking op het gebruik van verklaringen van niet-gehoorde getuigen, waarvan het verhoor is verzocht. Slechts in die gevallen dient de rechter – indien hij gebruik wenst te maken van de verklaringen van de getuigen die, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet zijn gehoord – de vraag te beantwoorden of het gebruik van die verklaringen in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces aan de hand van de vragen of sprake is van een goede reden dat de getuige niet is gehoord, of de bewezenverklaring ‘sole and decisive’ rust op de verklaringen van de niet ondervraagde getuigen en of er compenserende maatregelen zijn voor het niet kunnen horen van die getuigen.
Het middel gaat ervan uit dat ook in deze zaak de rechter zich ervan had moeten vergewissen of het gebruik van de verklaringen van de getuigen in overeenstemming is met 6 EVRM en hij daartoe de ‘driestappentoets’ had moeten doorlopen. In deze zaak is evenwel niet het verzoek gedaan om de getuigen te horen, zodat het middel in zoverre faalt. Verder vindt de aan het middel ten grondslag gelegde veronderstelling dat de rechter altijd gehouden is kenbaar te maken dat hij de verklaringen van niet gehoorde getuigen behoedzaam heeft benaderd, geen steun in het recht. De rechter dient slechts in zijn vonnis tot uitdrukking te brengen waarom hij een verklaring betrouwbaar acht, indien ten aanzien van die verklaring een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen.
Het middel faalt.
3 Het tweede middel
Het middel keert zich tegen de verwerping van het verweer dat sprake is van een onrechtmatige enkelvoudige fotoconfrontatie en klaagt dat het verweer verworpen is op gronden die de verwerping niet kunnen dragen.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 april 2025 vermeldt dat de raadsvrouw het woord heeft gevoerd overeenkomstig haar ter zitting overgelegde pleitnota, die het onder meer het volgende inhoudt:
“14. Ook een reden voor uitsluiting van het bewijs is omdat bij de totstandkoming is gehandeld op een wijze in strijd met het recht op een eerlijk proces. Volgens het dossier is aan een van de anonieme getuige X2 slechts een foto van client getoond. Deze foto zou van social media zijn afgehaald zonder dat door deze getuige een beschrijving is gegeven van de mogelijke schutter. De verbalisant had nooit mogen kiezen voor een enkelvoudige fotoconfrontatie op deze wijze. Dit omdat het niet duidelijk is of de getuige alvorens hij/zij werd geconfronteerd met de foto's een duidelijk signalement van de dader zou hebben gegeven. Hierdoor is het nogal merkwaardig dat de verbalisant zonder een beschrijving de foto's heeft getoond. Overigens valt ook te twijfelen aan hetgeen anonieme getuige X1 heeft aangegeven omtrent de foto. Deze getuige zou een foto hebben gehad van de mogelijk schutter op zijn of haar telefoon. Hoe deze foto op haar telefoon terecht is gekomen blijkt niet uit het proces verbaal. Werd er iets bij gezegd toen de getuige deze foto heeft ontvangen. Is er sprake geweest van beïnvloeding alvorens de getuige de foto heeft ontvangen.
15. Een enkelvoudige fotoconfrontatie kan slechts worden gebruikt in het geval de getuige en de verdachte elkaar voorafgaande aan de fotoconfrontatie kennen. De getuige X2 heeft heel duidelijk aangegeven de schutter nooit eerder te hebben gezien. Daarnaast is ook van belang de frequentie waarin de getuige en de verdachte elkaar eerder hebben getroffen en of ontmoet. Er had niet gekozen mogen worden voor een enkelvoudige fotoconfrontatie op de manier zoals de verbalisant deze heeft toegepast. Dit omdat de getuige, cliënt niet kent. Voorts zoals gezegd is geen duidelijk gedetailleerd signalement gegeven om over te gaan tot een enkelvoudige fotoconfrontatie. Tot slot blijkt ook niet uit het dossier of de politie vragen heeft gesteld voor de fotoconfrontatie. Hoe is de enkelvoudige fotoconfrontatie precies gegaan? De zorgvuldigheidseisen zijn geschonden. Hierdoor kan wegens onbetrouwbaarheid de herkenning niet meewerken aan het bewijs. De bezwaren die kleven aan een eenpersoons fotoconfrontatie zijn op basis van de jurisprudentie genoegzaam bekend.”
In zijn vonnis heeft het Hof het verweer als volgt verworpen:
“Enkelvoudige fotoconfrontatie
Het Hof stelt ten aanzien van het verweer dat ziet op de onrechtmatige uitvoering van een enkelvoudige fotoconfrontatie met de anonieme getuige X2 voorop, dat geen sprake is geweest van de hantering van deze opsporingsmethode. In het proces-verbaal van verhoor bij de politie van 30 maart 2023 is opgenomen dat de getuige X2 het volgende heeft verklaard: "A couple of days after the shooting there was a picture of the guy that shot the victim circulating on social media. A friend showed me the picture. I recognized the person on the picture as the guy that shot the victim on Saturday night." De verbalisanten hebben vervolgens de op de sociale media circulerende foto aan de getuige getoond, - naar het Hof begrijpt - ter bevestiging dat de getuige en de politie het over dezelfde op de sociale media rondgaande foto hebben. Deze gang van zaken betreft geen enkelvoudige fotoconfrontatie naar aanleiding van een door een getuige verstrekt signalement van een verdachte, maar veeleer een nader aan de getuige gestelde vraag naar aanleiding van de door deze getuige afgelegde verklaring.
Ten overvloede overweegt het Hof dat bij een normschendingsverweer waarbij het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting wordt bepleit, van de verdediging mag worden verlangd dat aan de hand van de beoordelingsfactoren karakter, het gewicht en de strekking in artikel 413, lid 7 Sv - het van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt en de mate van verwijtbaarheid van de degene die de norm schond - duidelijk wordt gemotiveerd waarom een vermeende normschending tot het rechtsgevolg dient te leiden. Aan dit vereiste heeft de verdediging niet voldaan. Het verweer wordt verworpen.”
Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat geen enkelvoudige fotoconfrontatie heeft plaatsgevonden onbegrijpelijk is. Verder klaagt het middel dat het Hof – nu fotomateriaal op sociale media ‘een dankbare bron voor manipulatie, al dan niet met AI’, behelst – heeft verzuimd dat kenbaar te hebben onderzocht. Ten slotte wordt geklaagd dat gelet op het voorgaande van een evidente schending van art. 6 EVRM sprake is, zodat de verdediging niet tegengeworpen kon worden dat zij geen verweer heeft gevoerd conform de regelen der kunst.
Het Hof heeft met betrekking tot de vraag of sprake is van een enkelvoudige fotoconfrontatie vastgesteld dat daarvan geen sprake is, nu naar aanleiding van een verklaring van een getuige die een persoon heeft herkend op een foto die circuleerde op sociale media de politie de getuige die foto heeft laten zien ter bevestiging dat de getuige en de politie het over dezelfde op de sociale media rondgaande foto hebben. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, nu een enkelvoudige fotoconfrontatie gaat om de vraag of sprake is van ‘herkenning’ van een persoon aan de hand van fotomateriaal, terwijl het daar in dit geval niet om draait. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, rust op de rechter geen ambtshalve verplichting om – zo begrijp ik de steller van het middel – kenbaar onderzoek te doen naar de vraag of de foto gemanipuleerd is. De klacht dat ‘gelet op het voorgaande’ van een evidente schending van het recht op een eerlijk proces sprake is, gaat dan ook niet op.
Voor zover de steller van het middel tot slot klaagt dat bij de verwerping van het verweer aan de verdediging niet kan worden tegengeworpen dat zij het gewicht, de strekking van de norm, de ernst van de normschending en het nadeel niet nader uit de doeken heeft gedaan, merk ik op dat het middel in zoverre reeds niet tot cassatie kan leiden, omdat het zich keert tegen een overweging ten overvloede.
Het middel faalt.
4 Het derde middel
Het middel klaagt dat het Hof dat de verklaring van de verdachte als steunbewijs heeft aangemerkt.
Het Hof heeft met betrekking tot het steunbewijs voor verklaringen van de getuigen X1 en X2 het volgende overwogen:
“Steunbewijs
De wetgever heeft met het oog op de bewijskracht van de verklaringen van anonieme bedreigde getuigen rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdediging in een dergelijke procedure in beperktere mate het ondervragingsrecht kan uitoefenen. Reden waarom in artikel 385, lid 4 Sv is neergelegd dat de verklaring van een dergelijke getuige slechts als bewijsmateriaal kan worden gebezigd, indien belangrijke steun aan ander gebezigd bewijsmateriaal kan worden ontleend. Het Hof heeft - de wet volgend - hiermee rekening gehouden en wijst dienaangaande op de verklaring van de verdachte zelf, dat hij vlak voor het schietincident een woordenwisseling en handgemeen heeft gehad met het latere slachtoffer, hetgeen in belangrijke mate steun verschaft aan de verklaringen van de getuigen XI en X2. Bovendien verklaart [getuige 1] : "I saw one person push another person, the person that were shot, pushed him back," hetgeen eveneens in belangrijke mate steun verschaft aan de verklaringen van de getuigen XI en X2, die beiden specifiek spreken over 'pushing' voorafgaand aan het schieten. Tot slot vinden de verklaringen van de anonieme getuigen steun in de initiële verklaring van [getuige 3] (waarover het Hof hierna nader overweegt), die eveneens verklaart dat de verdachte degene is die op het slachtoffer heeft geschoten.”
De steller van het middel meent dat het Hof ten onrechte de verklaring van de verdachte heeft aangemerkt als steunbewijs voor de verklaringen van de twee anonieme getuigen, omdat in het wettelijk bewijsstelsel steunbewijs betrekking heeft op andere bewijsmiddelen dan de verklaring van de verdachte. Vooral op grond van het bepaalde in art. 384 lid 4 SvSM (ik begrijp: art. 385 lid 4 SvSM) ziet steunbewijs op ‘ander bewijs’ dan diens verklaring, aldus de steller van het middel.
Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, staat geen rechtsregel eraan in de weg om de verklaring van de verdachte als steunbewijs te gebruiken. Ook de verklaring van de verdachte kan naar mijn mening ‘ander bewijsmateriaal’ als bedoeld in art. 385 lid 4 SvSM vormen waarin de verklaring van een getuige steun kan vinden. Voor het overige merk ik nog op dat het Hof heeft geoordeeld dat de verklaringen van de anonieme getuigen ‘bovendien’ steun vinden in de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 3] .
Het middel faalt.
5 Slotsom
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep op 9 juni 2025. Daarmee wordt de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. Als de overschrijding van de redelijke termijn kan worden beperkt tot minder dan één maand kan worden volstaan met de constatering daarvan. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het Hof aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG