Strafrecht overig
Conclusie AG. Bumperkleven. Klacht dat enkelvoudige kamer hof redengevende inhoud bewijsmiddelen niet heeft…
ECLI:NL:PHR:2026:889 · Parket bij de Hoge Raad · 29 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-889
Zaakgegevens
Op 29 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 29 september 2026
- Datum publicatie
- 17 september 2026
- Zaaknummer
- 24/04433
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:889
Samenvatting
Conclusie AG. Bumperkleven. Klacht dat enkelvoudige kamer hof redengevende inhoud bewijsmiddelen niet heeft weergegeven in aantekening mondeling arrest faalt volgens AG nu de in art. 425 lid 3 Sv bedoelde Regeling inhoudt dat daarvoor kan worden verwezen naar processtukken. Conclusie strekt tot verwerping (art. 81.1 RO).
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04433
Zitting 29 september 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte
1 Inleiding
De verdachte is bij arrest van 26 november 2024 door (de enkelvoudige strafkamer van) het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-002112-21) wegens “overtreding van het bepaalde bij artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990”, veroordeeld tot een geldboete van € 750,00 subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
Er bestaat samenhang met de zaak met zaaknummer 24/04434. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en de advocaat W. Römelingh heeft een middel van cassatie voorgesteld.
2 Het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof niet de redengevende inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft opgenomen in zijn uitspraak en daarmee niet heeft voldaan aan het bepaalde in art. 359 lid 3, eerste volzin, Sv.
De enkelvoudige kamer van het hof heeft, met vernietiging van het door de kantonrechter gewezen mondeling vonnis van 5 augustus 2021, ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat
“hij op 24 oktober 2020 te [plaats] als bestuurder van een voertuig (personenauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Rijksweg ( […] ), zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij, rijdende met een snelheid van ongeveer 128 kilometer per uur op een afstand van ongeveer 9 meter, in elk geval met een gelet op die snelheid te korte afstand, achter een ander voertuig (personenauto) gaan en blijven rijden.”
Blijkens de stukken van het geding heeft de enkelvoudige strafkamer van het hof het mondelinge arrest overeenkomstig art. 425, derde lid aanhef en onder c, Sv aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 november 2024. De enkelvoudige kamer heeft daarbij volstaan met een opgave van bewijsmiddelen. De redengevende inhoud van de bewijsmiddelen is niet in de aantekening mondeling arrest weergegeven. Over de bewijsvoering houdt de aantekening mondeling arrest het volgende in:
“Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het dossier van de politie Midden- en West-Brabant, district De Baronie, basisteam Dongemond, bonnummer 241020202115232404, afgesloten d.d. 2 januari 2021, nader te noemen: het politiedossier.
Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.
Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen het bewijs dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan. Het hof volstaat daarbij met de opgave van de bewijsmiddelen. De inhoud van de bewijsmiddelen wordt slechts gebruikt voor zover de bewezenverklaring daardoor wordt ondersteund.
- Het proces-verbaal van overtreding d.d. 2 januari 2021, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2];
- Het proces-verbaal van verhoor d.d. 29 augustus 2024, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [verbalisant 2];
- Het proces-verbaal van verhoor d.d. 29 augustus 2024, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [verbalisant 1].
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.
Het hof stelt voorop dat het dossier waarop de verdenking tegen de verdachte is gebaseerd, geen schoonheidsprijs verdient. Het hof is echter van oordeel dat het dossier en de inhoud van de afgelegde getuigenverklaringen bij het kabinet van de raadsheer-commissaris, in onderlinge samenhang, voldoende wettig en overtuigend bewijs opleveren om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit te komen.”
De aantekening van een mondeling arrest van de enkelvoudige kamer van het hof moet op grond van art. 425 lid 3 Sv voldoen aan de eisen die daaraan worden gesteld in de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling in strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197).
Art. 3 onder d van die Regeling houdt in dat die aantekening moet bevatten de:
“inhoud van de bewijsmiddelen, voor zover deze tot het bewijs van het (de) telastegelegde feit(en) dient, alsmede vermelding van de redengevende feiten en omstandigheden, voor de beslissing dat het (de) feit(en) door de verdachte(n) is (zijn) begaan (voor de inhoud van de bewijsmiddelen kan worden verwezen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en andere processtukken. Indien niet de gehele inhoud voor het bewijs is gebezigd, dan aangeven welk deel wel is gebruikt)”
Gezien deze bepaling mag - in afwijking van het bepaalde in art. 359 lid 3, eerste volzin, Sv voor schriftelijke uitspraken - in de aantekening van het mondeling arrest van de enkelvoudige kamer wat betreft de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen worden verwezen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en/of andere processtukken. Daarbij is niet van belang of de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend, dan wel of ter terechtzitting door of namens de verdachte vrijspraak is bepleit. De enkelvoudige kamer van het hof was in het onderhavige geval dus niet gehouden om de redengevende inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen weer te geven in de aantekening van het mondeling arrest.
Voor zover het middel van een andere opvatting uitgaat, faalt het.
Voor zover het cassatiemiddel beoogt de bewijsvoering van het hof aan te vallen met de klacht dat “een getuigenverklaring van een onjuist proces-verbaal nog niet een juist proces-verbaal maakt” temeer nu sprake zou zijn “van een reeks van vergissingen” merk ik op dat het het hof vrijstond in de beoordeling van de betrouwbaarheid van het proces-verbaal over de geconstateerde snelheidsovertreding (het eerste bewijsmiddel) betekenis toe te kennen aan de verklaringen die de verbaliserende politieambtenaren daarover nadien bij de raadsheer-commissaris hebben afgelegd (het tweede en derde bewijsmiddel). Inhoudelijke argumenten die afbreuk zouden moeten doen aan het oordeel van hof over die betrouwbaarheid worden in cassatie niet aangevoerd.
3 Slotsom
Het cassatiemiddel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. Wel merk ik op dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in cassatie wordt overschreden indien de Hoge Raad uitspraak doet ná 5 december 2026. Gezien de opgelegde straffen zal in dat geval met de constatering van de overschrijding kunnen worden volstaan.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG