Strafrecht overig
Conclusie AG. Beleding (art. 267 Sr), straatschenderij (art. 424 Sr) en niet voldoen aan identificatieplicht…
ECLI:NL:PHR:2026:930 · Parket bij de Hoge Raad · 30 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-930
Zaakgegevens
Op 30 juni 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 30 juni 2026
- Datum publicatie
- 28 september 2026
- Zaaknummer
- 24/04222
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:930
Samenvatting
Conclusie AG. Beleding (art. 267 Sr), straatschenderij (art. 424 Sr) en niet voldoen aan identificatieplicht (art. 447e Sr). Niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep o.g.v. defecten in volmacht. De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 6 november 2024
ECLI:NL:GHSHE:2024:3524Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 30 juni 2026deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2026:930
Hoge Raad · 29 september 2026
ECLI:NL:HR:2026:1540
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/04222
Zitting 30 juni 2026
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte
-
De verdachte is bij arrest van 6 november 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-000563-24) niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 9 februari 2024 waarin de verdachte wegens 1. ‘eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’, 2.‘straatschenderij’ en 3. ‘niet voldoen aan de hem krachtens artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht opgelegde verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden’ is veroordeeld tot 10 dagen gevangenisstraf (feit 1), 2 dagen hechtenis (feit 2) en 2 dagen hechtenis (feit 3).
-
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. G.J.A. van de Grint, advocaat in Eindhoven , heeft een middel van cassatie voorgesteld.
-
Het middel bevat de klacht dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.
-
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 9 juli 2024, houdt het volgende in:
‘De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. [naam] te [plaats] .
De raadsman van verdachte mr. G.J.A. van de Grint, advocaat te Eindhoven , is niet ter terechtzitting verschenen.
Aangezien de verdachte de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerst, vindt het onderzoek plaats met bijstand van de in het register als bedoeld in artikel 2 van de Wet beëdigde tolken en vertalers onder nummer […] ingeschreven beëdigde tolk [betrokkene 1] in de Somalische taal. Hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen is door de tolk vertaald.
De verdachte verklaart:
Ik spreek goed Nederlands. Ik woon al 17 jaar in Nederland.
De voorzitter maant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt de verdachte mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor.
De voorzitter deelt mede dat op voorhand is bepaald dat de zaak niet inhoudelijk zal worden behandeld, maar dat deze zitting het karakter zal hebben van een rolzitting, waarop slechts de grieven tegen het vonnis worden geïnventariseerd.
De voorzitter deelt mede dat de raadsman van verdachte bij brief van 7 maart 2024, ingekomen op 8 maart 2024, te kennen heeft gegeven dat het hoger beroep zich richt tegen de strafoplegging voor feit 2 en 3.
(…)
De verdachte vraagt:
Wie is er in hoger beroep gegaan?
De voorzitter deelt mede:
Uw raadsman is in hoger beroep gegaan.
De oudste raadsheer brengt naar voren:
U had het net over de straf die u opgelegd heeft gekregen. In eerste aanleg hebt u een gevangenisstraf opgelegd gekregen voor de duur van 10 dagen voor de belediging van de ambtenaar, de politieagent op de fiets. U heeft 2 dagen hechtenis opgelegd gekregen voor straatschenderij. Tot slot heeft u 2 dagen hechtenis opgelegd gekregen voor het niet voldoen aan de identificatieplicht. In totaal zijn dat 14 dagen. Uw vraag was wie er in hoger beroep was gegaan en om welke straf het ging. Het gaat in deze zaak dus om de straf die ik zojuist benoemde. De andere straf die u eerder noemde heeft waarschijnlijk betrekking op een andere zaak.
(…)
Het hof, gehoord de advocaat-generaal en de verdachte:
- schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd;
(…)’
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 23 oktober 2024, houdt het volgende in:
‘De verdachte genaamd:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. G.J.A. van de Grint, advocaat te Eindhoven .
De raadsman geeft desgevraagd het volgende te kennen:
Ik ben niet gemachtigd. Ik heb al geruime tijd geen contact meer kunnen krijgen met cliënt. Inmiddels is cliënt niet meer gedetineerd. Ik weet niet of cliënt op de hoogte is van de terechtzitting van heden en acht mijzelf niet gemachtigd namens hem het woord tot verdediging te voeren.
De voorzitter deelt het volgende mede:
Het hof beschikt over een appelschriftuur d.d. 7 maart 2024, waaruit volgt dat het hoger beroep zich richt tegen de straffen die ter zake van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten zijn opgelegd.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of het hoger beroep op juiste wijze is ingesteld. De schriftelijke bijzondere volmacht dient immers aan verschillende vereisten te voldoen. Het hof stelt vast dat in de volmacht d.d. 23 februari 2024 geen adres van de verdachte voor toezending van een afschrift van de appeldagvaarding wordt vermeld en dat uit de volmacht evenmin blijkt dat de verdachte instemt het door de medewerker ter griffie aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep.
De advocaat-generaal geeft desgevraagd het volgende te kennen:
Ik stel mij, gelet op hetgeen u, voorzitter, zojuist naar voren hebt gebracht, primair op het standpunt dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep, nu de schriftelijke volmacht tot instellen van hoger beroep niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Er is immers geen adres van de verdachte opgegeven en er is geen alternatief adres vermeld.
De raadsman van de verdachte geeft desgevraagd het volgende te kennen:
Ik ben cliënt in de piketfase tegengekomen in het kader van een andere strafzaak. Toen bleek dat er een aantal openstaande zaken waren, heb ik die zaken op mij genomen. In eerste aanleg heb ik cliënt niet bijgestaan.’
6. Het bestreden arrest houdt het volgende in:
‘Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof stelt op grond van de akte instellen hoger beroep vast dat het hoger beroep op 23 februari 2024 is ingesteld door een medewerker ter griffie van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, daartoe gemachtigd blijkens een aan die akte gehecht schriftelijk stuk dat beschouwd dient te worden als bijzondere volmacht van de raadsman van de verdachte.
De aan de appelakte gehechte brief van raadsman mr. G.J.A. van de Grint d.d. 22 februari 2024, houdt – voor zover hier van belang – in:
"In de zaak met bovenvermeld parketnummer heeft de [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1984 en zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats verblijvende te [plaats] , mij de opdracht gegeven om namens hem hoger beroep in te stellen tegen hel vonnis van de Politierechter te ’s-Hertogenbosch van 9 februari jl.
Hierbij verzoek en machtig ik een van uw griffiemedewerkers bepaaldelijk om uiterlijk op 23 februari a.s. voor het instellen van hoger beroep namens cliënt zorg te dragen.”
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan een door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigde raadsman aan een griffiemedewerker een schriftelijke volmacht verlenen om namens de verdachte een rechtsmiddel in te stellen. Deze schriftelijke volmacht dient in ieder geval de volgende onderdelen te bevatten om te voldoen aan de in artikel 450, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering geformuleerde eisen (vgl. HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810):
(i) de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep (art. 450, eerste lid sub a, Sv), en
(ii) de verklaring van de advocaat dat de verdachte instemt met het door de medewerker ter griffie aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (art. 450, derde lid, Sv), en
(iii) het adres dat door de verdachte is opgegeven voor de toezending van het afschrift van de appeldagvaarding (art. 450, derde lid, Sv).
Het hof stelt vast dat de brief van de raadsman, voor zover aan te merken als een schriftelijke volmacht, niet voldoet aan de twee laatstgenoemde eisen en dat derhalve niet op de door de wet voorgeschreven wijze hoger beroep is ingesteld.
Indien niet aan elk van de hiervoor bedoelde vereisten is voldaan en de verdachte, noch een door hem ex artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering gemachtigde raadsman, ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, dient in de regel het door de raadsman door middel van een schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard (vgl. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6999).
Nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep niet is verschenen en mr. Van de Grint ten overstaan van het hof te kennen heeft gegeven niet op grond van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering te zijn gemachtigd, is het hof, met de advocaat-generaal, van oordeel dat verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.’
7. De steller van het middel wijst erop dat de verdachte op 9 juli 2024 ter terechtzitting is verschenen, en meent dat onvolkomenheden in de griffiemachtiging daarmee en daardoor zijn hersteld.
8. Uw Raad heeft in een arrest van 3 februari 2026 onder meer het volgende overwogen:
‘2.3.1. In zijn arrest van 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810 heeft de Hoge Raad eisen geformuleerd waaraan een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen moet voldoen. Zo moet die volmacht inhouden:
a. de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep (artikel 450 lid 1, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv));
b. de verklaring van de advocaat dat de verdachte instemt met het door de medewerker op de griffie dadelijk in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (artikel 450 lid 3 Sv);
c. het adres dat door de verdachte is opgegeven voor de toezending van het afschrift van de dagvaarding in hoger beroep (artikel 450 lid 3 Sv).
2.3.2. Deze eisen moeten worden bezien tegen de achtergrond van de aanscherping van de wettelijke regeling voor het instellen van hoger beroep. Die aanscherping heeft tot doel problemen met betrekking tot de betekening van dagvaardingen en oproepingen om in hoger beroep terecht te staan, te voorkomen althans te verminderen. Daarbij is van belang dat de mogelijkheid van het, met instemming van de verdachte, dadelijk in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep door de griffiemedewerker in het licht van de regeling van artikel 432 lid 1, aanhef en onder a, Sv in samenhang met artikel 6:1:16 lid 1 Sv bijdraagt aan een voortvarende tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken, nu deze uitreiking geldt als een uitreiking in persoon aan de verdachte (artikel 450 lid 5 Sv).
2.3.3. Gelet op deze ratio van de eisen waaraan een volmacht moet voldoen die door een advocaat is verstrekt, is in zaken waarin op de terechtzitting in hoger beroep noch de verdachte noch een door hem op grond van artikel 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen, in de regel het hoger beroep dat een advocaat door middel van een schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker heeft ingesteld, niet-ontvankelijk als die volmacht niet aan al die voorwaarden voldoet.
2.3.4. In het licht van diezelfde ratio is door de Hoge Raad in eerdere rechtspraak geoordeeld dat onvoldoende grond bestaat voor de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep op de grond dat de volmacht niet voldoet aan de onder a genoemde voorwaarde als op de terechtzitting in hoger beroep wel de verdachte of een gemachtigde raadsman is verschenen en deze daar – zo nodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd – heeft verklaard dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op een geldige manier) hoger beroep te doen instellen, zodat dat verzuim voor gedekt kan worden gehouden (vgl. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6999), en ook niet op de grond dat de volmacht niet voldoet aan de onder b en c vermelde voorwaarden als de verdachte of een gemachtigde raadsman op de terechtzitting in hoger beroep is verschenen, omdat het belang dat met die voorwaarden is gediend, in zo’n geval niet is geschaad, zodat het verzuim voor gedekt kan worden gehouden (vgl. HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8357).’
9. Uit de aan de appelakte gehechte brief van mr. Van de Grint, waarvan de inhoud door het hof in het arrest is geciteerd, kan worden afgeleid dat aan de in het arrest van 22 december 2009 onder a vermelde eis is voldaan. Tegen die achtergrond is naar het mij voorkomt niet van belang dat de verdachte op de terechtzitting van 9 juli 2024 niet heeft verklaard dat aan de verlening van de onvolkomen volmacht zijn wens te kennen lag om hoger beroep te doen instellen, en op dat punt met zijn vraag wie in hoger beroep is gegaan zelfs twijfel zaait. De verschijning van de verdachte op de terechtzitting van 9 juli 2024 brengt voorts met zich mee dat het niet voldoen van de volmacht aan de onder b en c van dat arrest vermelde voorwaarden voor gedekt kan worden gehouden.
10. Ik merk op dat Uw Raad in genoemd arrest van 3 februari 2026 nog een uitbreiding heeft gegeven aan de gevallen waarin een verzuim in de volmacht voor gedekt kan worden gehouden. In die zaak was noch de verdachte, noch de gemachtigd raadsman verschenen op één van beide terechtzittingen in hoger beroep. A-G Spronken had, in lijn met de benadering waarin verzuimen in de volmacht slechts door verschijnen ter terechtzitting gedekt kunnen worden, geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Uw Raad oordeelde anders, in het licht van de omstandigheid dat de oproeping voor de nadere terechtzitting in hoger beroep in persoon aan de verdachte was uitgereikt. Voor niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep bestond naar het oordeel van Uw Raad onvoldoende grond nu het belang dat gediend is met de eis dat de verdachte instemt met het door de griffiemedewerker dadelijk in ontvangst nemen van de oproeping niet was geschaad.
10. Met dit arrest heeft het voor gedekt houden van gebreken in de volmacht als ik het goed zie een wat hybride grondslag gekregen. Het niet voldoen aan de voorwaarden onder b en c kan door verschijnen ter terechtzitting, door een oproeping in persoon voor de nadere terechtzitting en (naar ik aanneem) in andere gevallen waarin de termijn van art. 432, eerste lid, Sv van toepassing is voor gedekt worden gehouden. Ik leid uit het arrest van 3 februari 2026 niet af dat het verschijnen ter terechtzitting als grondslag voor het voor gedekt houden van gebreken in de volmacht is vervallen; Uw Raad zet de beslissing in deze zaak naast de rechtsregels die uit eerdere rechtspraak worden afgeleid.
10. Dat de oproeping voor de nadere terechtzitting van 23 oktober 2024 in de onderhavige zaak niet in persoon is betekend, doet er tegen die achtergrond niet aan af dat de verzuimen in de volmacht door het verschijnen van de verdachte op de terechtzitting van 9 juli 2024 voor gedekt kunnen worden gehouden. Ik merk daarbij nog op dat het cassatieberoep binnen veertien dagen na de einduitspraak is ingesteld.
10. Het middel slaagt.
10. Ambtshalve merk ik op dat art. 424, eerste lid, en art. 447e Sr niet het opleggen van hechtenis mogelijk maken. De straffen die de politierechter wegens feit 2 en feit 3 oplegde hebben derhalve geen wettelijke basis. De behandeling van het cassatieberoep kan dat gebrek niet herstellen; een nieuwe feitelijke behandeling wel. Ook voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG