Strafrecht overig
Conclusie AG. Eerste middel over schending art. 48 Sv slaagt: geen afschrift appeldagvaarding verzonden naar…
Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2026
ECLI:NL:PHR:2026:934 · Parket bij de Hoge Raad · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-934
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 29 september 2026
- Zaaknummer
- 25/02997
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:934
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Eerste middel over schending art. 48 Sv slaagt: geen afschrift appeldagvaarding verzonden naar raadsvrouw die zich wel had gesteld. Tweede middel behoeft geen bespreking. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02997
Zitting 6 oktober 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] (Bondsrepubliek Duitsland) op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.
1 Inleiding
De verdachte is bij verstek bij arrest van 21 mei 2025 door het gerechtshof Den Haag (rolnr. 22-000951-24) – met bevestiging van een vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 april 2024 (parketnr. 09-273762-23) – wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 2. “om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en N.M. Fakiri, advocaat in 's‑Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
2 Het eerste middel
Het middel klaagt dat art. 48 Sv in hoger beroep niet is nageleefd aangezien is verzuimd een afschrift van de appeldagvaarding aan de raadsvrouw van de verdachte te zenden.
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich een e-mailbericht van 22 november 2024 van mr. R.G. Jagesar, gericht aan de verkeerstoren van het gerechtshof Den Haag, waarin zij bericht de belangen van de verdachte te behartigen in de zaak met parketnummer 22-00951-24.
Aan de schriftuur is een e-mailbericht van 1 november 2025 van mr. R.G. Jagesar gehecht (onderwerpregel: “URGENT Informatie inzake [verdachte] 09-273762-23 - HB”), gericht aan de strafgriffie van het gerechtshof Den Haag, waarin zij verzoekt om een schriftelijke bevestiging van de goede ontvangst van haar stelbrief van 22 november 2024. Aan de schriftuur is eveneens gehecht een e-mailbericht van 3 november 2025 (onderwerpregel: “RE: URGENT Informatie inzake [verdachte] 09-273762-23 - HB”), afkomstig van de strafgriffie van het gerechtshof Den Haag, waarin aan mr. Jagesar wordt bericht dat zij haar “stelbrief [destijds] in goede orde [hebben] ontvangen”.
Bij de stukken van het geding bevindt zich voorts een dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep op 7 mei 2025. Noch uit mededelingen daarop gesteld, noch uit enig ander aan de Hoge Raad toegezonden stuk kan blijken dat een afschrift van de dagvaarding aan mr. Jagesar is gezonden. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 mei 2025 blijkt dat de verdachte en zijn raadsvrouw daar niet zijn verschenen.
Uit het voorafgaande vloeit het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de dagvaarding in hoger beroep het voorschrift vervat in de tweede volzin van art. 48 Sv niet is nageleefd. Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan.
Het middel slaagt.
3 Het tweede middel
Het middel klaagt dat het hof ten onrechte verstek heeft verleend. Dit middel behoeft geen bespreking omdat het eerste middel slaagt.
4 Afronding
Het eerste middel slaagt. Het tweede middel kan buiten bespreking blijven.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG