Strafrecht overig
Conclusie AG. Veroordeling wegens 1. doodslag (art. 287 Sr) en 2. poging wederrechtelijke vrijheidsberoving…
Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2026
ECLI:NL:PHR:2026:945 · Parket bij de Hoge Raad · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-945
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 2 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/02445
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:945
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Veroordeling wegens 1. doodslag (art. 287 Sr) en 2. poging wederrechtelijke vrijheidsberoving, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft (art. 282 lid 1 en lid 3 Sr). Falende middelen over het ontbreken van een beslissing van het hof op een verzoek getuigen te horen (M1), dat de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten niet naast elkaar kunnen bestaan (M2), over de bewezenverklaring van doodslag (M3) en de bewezenverklaring dat de poging wederrechtelijke vrijheidsberoving de dood ten gevolge heeft gehad (M4). AG gaat in op de vraag of toepassing kan worden gegeven aan de strafverzwarende omstandigheid uit art. 282 lid 3 Sr indien die vrijheidsberoving niet is voltooid. Het vijfde middel dat klaagt over het oordeel van het hof dat bij de bewezenverklaarde feiten sprake is van meerdaadse samenloop slaagt. Conclusie strekt tot vernietiging en tot terugwijzing, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging. Samenhang met 25/02515 en 25/02503.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02445
Zitting 6 oktober 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.
1 Inleiding
De verdachte is bij arrest van 3 juli 2025 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-001404-23) wegens 1. "medeplegen van doodslag" en 2. “medeplegen van poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft”, veroordeeld tot dertien jaren gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.
Er bestaat samenhang met de zaken 25/02503 en 25/02515. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, hebben vijf middelen van cassatie voorgesteld.
2 De zaak in het kort
Volgens de vaststellingen van het hof heeft op 16 februari 2021 een poging tot ontvoering plaatsgevonden van [slachtoffer] . Dit was een wraakactie tegen een groep Colombianen die [medeverdachte 5] tijdens een ripdeal had beroofd van geld en een horloge. Deze actie werd mede georganiseerd door [medeverdachte 3] . Bij de uitvoering waren verder betrokken [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] (zaak 25/02503), [medeverdachte 2] (zaak 25/02515), de verdachte [verdachte] en een onbekend gebleven persoon (‘ [betrokkene 2] ’).
Op de dag van het delict rijden deze personen vanuit meerdere locaties naar [plaats] . In verschillende samenstellingen maken zij tussenstops bij een tankstation langs de A1, een KFC-restaurant aan de [a-straat] in [plaats] en een Albert Heijn XL in [plaats] . De groep komt daarna, verdeeld over een viertal auto’s, aan in [plaats] . [medeverdachte 2] bestuurt een Mercedes waarin [verdachte] als bijrijder zit. Als [slachtoffer] contact maakt met [medeverdachte 2] , rijdt een Audi naar hem toe. Twee passagiers stappen uit deze Audi en proberen [slachtoffer] in de auto te duwen. [medeverdachte 2] en [verdachte] stappen uit en proberen eveneens [slachtoffer] in de Audi te krijgen. Op dat moment wordt er geschoten op [slachtoffer] . De dadergroep vertrekt meteen en laat [slachtoffer] dodelijk gewond achter. [verdachte] stapt daarbij in de BMW die wordt bestuurd door [medeverdachte 1] en die tijdens de ontvoeringspoging vlakbij geparkeerd stond.
Het hof heeft bewezen geacht dat de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving die de dood ten gevolge had en aan het medeplegen van doodslag. Het tweede middel klaagt dat deze beide veroordelingen niet naast elkaar kunnen bestaan. Het derde middel klaagt over de bewezenverklaring van doodslag en het vierde middel over de bewezenverklaring dat de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving de dood ten gevolge heeft gehad. Het vijfde richt zich tegen het oordeel van het hof dat bij deze twee feiten sprake is van een meerdaadse samenloop. Het eerste middel klaagt over het ontbreken van een beslissing van het hof op een verzoek getuigen te horen.
Met de bespreking van dit eerste middel zal ik beginnen. Dit middel is op zich terecht voorgesteld, maar hoeft wegens een gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden. Vervolgens zal ik ingaan op het derde en vierde middel over de bewezenverklaringen. Daarna kom ik toe aan het tweede middel,. Al deze middelen falen. Wel slaagt het vijfde middel, dat ik als laatste zal behandelen.
3 Het eerste middel
Het middel klaagt dat het hof heeft verzuimd een beslissing te nemen op het verzoek om de medeverdachten als getuigen te horen, althans dat het hof heeft verzuimd de niet-verschenen getuigen alsnog op te roepen.
Namens de verdachte is op 5 mei 2023 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 26 april 2023. De raadsman van de verdachte heeft op 26 januari 2024 een e-mailbericht inhoudende onderzoekswensen naar het hof Amsterdam verzonden. Dit e-mailbericht houdt in:
“ONDERZOEKSWENSEN
Op de voet van artikel 263 Sv verzoekt appellant voor de terechtzitting in hoger beroep de volgende getuige op te roepen, dan wel de stukken in handen te stellen van de raadsheer-commissaris ex artikel 316 Sv, opdat hij aldaar kan worden gehoord:
1. [medeverdachte 1], geboren op [geboortedatum] 1991, nadere gegevens bekend bij politie en/of justitie
[medeverdachte 1] betreft een van de medeverdachten in het onderzoek Kanaga. Zowel [medeverdachte 1] als cliënt hebben verklaard dat zij de ochtend van 16 februari 2021 samen vanuit de Achterhoek zijn vertrokken. De rechtbank heeft ten aanzien van de gebeurtenissen van 16 februari het volgende vastgesteld:
(…)
De rechtbank heeft onder andere ten aanzien van de verdenking van de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving overwogen dat het niet anders kan dat client wist van het plan om het slachtoffer te ontvoeren. Tevens overweegt de rechtbank dat client hierbij een significante bijdrage heeft geleverd doordat hij samen met de andere drie heeft geprobeerd het slachtoffer in de gereedstaande auto te duwen. De rechtbank heeft vervolgens ten aanzien van de verdenking van het medeplegen van de doodslag overwogen dat er een aanmerkelijke kans was dat er vuurwapens zouden worden meegebracht en gebruikt, waardoor het niet anders kan dan dat client dit moet hebben geweten en dat hij deze kans bewust heeft aanvaard.
De verdediging wenst [medeverdachte 1] — gelet op de vermeende betrokkenheid in het onderzoek Kanaga en de verdenking dat client, in het kader van medeplegen, betrokken zou zijn bij de doodslag en de wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer — nader te horen over de veronderstelde rol van client bij deze feiten en de veronderstelde wetenschap van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, zoals door de Rechtbank is vastgesteld. Client ontkent immers wetenschap te hebben gehad van enig plan om het slachtoffer wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, hetgeen heeft geleid tot de dood van het slachtoffer, en ontkent een significante bijdrage te hebben geleverd bij deze poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving.
In tegenstelling tot client is [medeverdachte 1] door de Rechtbank integraal vrijgesproken. De rechtbank overweegt in haar vonnis:
(…)
De Rechtbank heeft dan ook geoordeeld dat de verklaring van [medeverdachte 1] niet als ongeloofwaardig moet worden aangemerkt.
De verdediging wenst [medeverdachte 1] nadere vragen te stellen over de gebeurtenissen voorafgaand aan het incident op [b-straat] . Zo wenst de verdediging [medeverdachte 1] onder meer te bevragen waar er in de rit vanuit de [A] naar de tankstations over gesproken is. Ook wenst de verdediging [medeverdachte 1] te bevragen of hij heeft vernomen wat er tussen [verdachte] en de vriend die zij zouden ontmoeten op het tankstation telefonisch is besproken. Tevens wenst de verdediging [medeverdachte 1] nadere vragen te stellen over de gebeurtenissen op [b-straat] . Zo wenst de verdediging nadere vragen te stellen over het wegrijden van [b-straat] en of er tussen [medeverdachte 1] en client nog is gesproken over het incident en, zo ja, wat er besproken is.
Namens appellant verzoek ik u op grond van art. 263 Sv voornoemde persoon als getuigen te horen. Indien de getuige niet zouden worden gehoord dan wordt appellant in zijn belangen geschaad. Bij de maatstaf van het verdedigingsbelang dient rekening gehouden te worden met waarden als de onschuldpresumptie, de waarheidsvinding, de tegensprekelijkheid en het ondervragingsrecht zoals neergelegd in artikel 6 lid 3 EVRM. De verdediging heeft er belang bij zelf de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de verklaringen te kunnen toetsen en vragen aan de getuige te kunnen stellen waardoor de schuldvraag met betrekking tot appellant genuanceerd wordt. De getuige kan verklaren over de rol dan wel de onschuld van appellant. Ik verzoek u vriendelijk mij zo spoedig mogelijk te bevestigen dat de getuige gehoord zal worden.
Voor het overige is het de verdediging onbekend of en zo ja welke onderzoekswensen de medeverdachten zullen hebben. De verdediging wenst i.h.k.v, de verdenking van het medeplegen zoals ten laste is gelegd eventueel aan te sluiten bij de onderzoekswensen van de medeverdachten voor zover deze zien op de tenlastegelegde feiten dan wel kunnen bijdragen tot het bewijs daarvan. Ook indien sprake is rechtmatigheidsgetuigen welke bij de medeverdachte toegewezen zullen worden, is het belang voor de beantwoording van de vragen van art. 348/350 Sv dat daar eveneens door de verdediging bij aangesloten kan worden.”
Tijdens de regiezitting van 2 februari 2024 is namens de verdachte verzocht om de medeverdachte [medeverdachte 1] als getuige te horen. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt voor zover van belang in:
“Regiezitting
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige kamer voor strafzaken op 2 en 16 februari 2024.
(…)
De voorzitter doet de zaak tegen de hierna te noemen verdachten uitroepen.
(…)
Als raadsvrouw van de verdachte [verdachte] is ter terechtzitting aanwezig mr. S. Schilder, advocaat te Utrecht, die verklaart waar te nemen voor mr. Y. Bouchikhi, en voorts mededeelt dat de verdachte op de hoogte is van de zitting en dat zij wel uitdrukkelijk is gemachtigd als raadsvrouw de verdachte te verdedigen.
(…)
De voorzitter benoemt dat de zaken van voornoemde verdachten gelijktijdig, maar niet gevoegd worden behandeld en dat de zitting een zogenaamde regiezitting betreft.
De advocaat-generaal draagt de zaken voor en deelt mede dat het hoger beroep van het openbaar ministerie kort gezegd ziet op de (partiële) vrijspraken.
Nieuw binnengekomen stukken
De voorzitter meldt dat het hof de beschikking heeft over een groot aantal nieuwe stukken en dat daarvan een overzicht is opgesteld dat nu aan alle aanwezige partijen zal worden verstrekt. Dit overzicht is als bijlage I aangehecht.
Naar aanleiding van dit verstrekte overzicht van nieuwe stukken merken alle raadslieden op dat zij over de stukken in de zaak van hun eigen cliënt beschikken. De genoemde stukken worden in de onderscheidenlijke dossiers gevoegd.
De voorzitter merkt op dat de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] op de terechtzitting in eerste aanleg van op 15, 17, 22, 23 maart 2023 en 12 april 2023 als verdachte in hun eigen zaak een inhoudelijke verklaring hebben afgelegd. De voorzitter deelt mede dat het hof voornemens is om de processen-verbaal inhoudende deze verklaringen te voegen in de zaken van alle verdachten.
(…)
De voorzitter deelt mee dat de voornoemde verklaring van [medeverdachte 1] in alle dossiers wordt gevoegd en dat de verklaring van [medeverdachte 3] in alle dossiers, vooralsnog met uitzondering van het dossier inzake [medeverdachte 4] wordt gevoegd. Mr. Moszkowicz zal in de gelegenheid worden gesteld om de verklaring van [medeverdachte 3] te lezen en alsnog een standpunt in te nemen ten aanzien van het voornemen tot het voegen daarvan.
(…)
Verzoeken in de zaak van de verdachte [verdachte]
De voorzitter geeft het woord aan mr. Schilder om de reden van het hoger beroep aan te geven en verzoeken te doen en toe te lichten. Desgevraagd geeft de raadsvrouw aan dat het hoger beroep zich richt tegen de bewezenverklaring en de hoogte van de opgelegde straf.
Ten aanzien van de onderzoekswensen verwijst de raadsvrouw naar het schrijven van mr. Bouchikhi van 26 januari 2024 en verzoekt tot het horen van de medeverdachte [medeverdachte 1] als getuige. Zij licht toe dat het verzoek deze getuige te horen al eerder is toegewezen, maar dat hij zich toen heeft beroepen op zijn verschoningsrecht waardoor de verdediging het ondervragingsrecht niet effectief heeft kunnen uitoefenen.
De advocaat-generaal kreeg desgevraagd aan dat het openbaar ministerie in hoger beroep is gekomen omdat het zich niet verenigt met de partiële vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde. Zij deelt verder mee te persisteren bij haar standpunt zoals verwoord in haar schriftelijke reactie van 29 januari 2024, inhoudende dat zij zich verzet tegen het horen van de getuige, nu daartoe geen noodzaak is.”
Het hof heeft op de terechtzitting van 16 februari 2024 het verzoek om de medeverdachte [medeverdachte 1] als getuige te horen toegewezen. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt voor zover van belang in:
“Verzoeken in de zaak van de verdachte [verdachte]
1. Het hof wijst toe het verzoek tot het horen als getuige van de medeverdachte [medeverdachte 1] en bepaalt dat de getuige op een nader te bepalen terechtzitting tijdens de inhoudelijke behandeling dienen te worden gehoord.
(…)
Alle verdachten - beslissing van het hof met betrekking tot de toegewezen getuigen (medeverdachten)
De toegewezen getuigen - voor zover het medeverdachten betreft - zullen in de zaken van alle verdachten worden gehoord, met dien verstande dat de verdachten niet als getuigen in hun eigen zaak worden gehoord. Deze verhoren zullen ter terechtzitting plaatsvinden.
(…)
De voorzitter deelt vervolgens als beslissing van het hof mee dat het onderzoek wordt geschorst voor onbepaalde tijd (in de zaak [medeverdachte 2] langer dan een maand maar niet langer dan drie maanden, om de klemmende reden dat het zittingsrooster van het hof een verdere behandeling van de zaak binnen één maand niet toelaat),
met bevel tot oproeping van de verdachten en de raadslieden tegen die dag en dat tijdstip.
Voor die zitting dienen tevens te worden opgeroepen de benodigde tolken en de nabestaanden.
De voorzitter deelt tevens mede dat het hof bepaalt dat voor de eerste dag van de nader te bepalen terechtzitting van de inhoudelijke behandeling de volgende getuigen dienen te worden opgeroepen:
- [medeverdachte 4] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, zonder bekende woon- of verblijfplaats;
- [medeverdachte 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, adres: [c-straat 1] , [plaats] ;
- [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, adres: [d-straat 1] [plaats] ; -
- [medeverdachte 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, thans gedetineerd in P.I. [...] ;
- [medeverdachte 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, adres: [e-straat 1] , [plaats] ;
- [medeverdachte 6] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995, adres: [f-straat 1] , [plaats] ;
- [medeverdachte 5] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, adres: [g-straat 1] , [plaats] ;
- [medeverdachte 7] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, adres: [h-straat 1] , [plaats] .”
Het hof heeft de zaak vervolgens inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 2 en 4 juni 2025. Het proces-verbaal van 2 juni 2025 vermeldt onder meer het volgende:
“Het hof hervat met instemming van de advocaat-generaal en de raadslieden het onderzoek ter terechtzitting in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting op 16 februari 2024.
(…)
De voorzitter stelt vast dat als getuigen ter terechtzitting zijn verschenen de verdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 7] , maar dat de verdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] en [verdachte] niet zijn verschenen, hoewel zij wel behoorlijk zijn opgeroepen als getuigen in de zaken van de medeverdachten. De voorzitter vraagt de raadslieden hieromtrent een standpunt in te nemen.
(…)
Mr. Bouchikhi reageert in de zaak [verdachte] dat de verdediging persisteert bij het horen van de niet- verschenen medeverdachten als getuigen.
De advocaat-generaal deelt mede:
De medeverdachten zijn als getuigen opgeroepen op de bij ons bekende adressen. Sommigen zijn voortvluchtig en in die zaken is de oproeping betekend aan een medewerker van het Openbaar Ministerie. Omdat er van de verdachte [medeverdachte 5] een nieuw adres bekend was, is de politie daar wel langs geweest. Hij is op dat adres echter niet aangetroffen. Ik meen dat niet aannemelijk is dat het zal lukken om de niet-verschenen getuigen in onderhavige zaken binnen een afzienbare tijd te horen, zodat met de inhoudelijke behandeling kan worden doorgegaan.
De voorzitter deelt mee dat het hof hier later op zal terugkomen en gaat over tot het horen van de verschenen getuigen.”
Uit het hiervoor geschetste procesverloop volgt – samengevat – het volgende. De raadsman van de verdachte heeft voorafgaand aan de regiezitting van 2 februari 2024 bij e-mail verzocht de medeverdachte [medeverdachte 1] als getuige te horen. In dat e-mailbericht heeft hij voorts meegedeeld: "de verdediging wenst i.h.k.v. de verdenking van het medeplegen zoals ten laste is gelegd eventueel aan te sluiten bij de onderzoekswensen van de medeverdachten voor zover deze zien op de tenlastegelegde feiten dan wel kunnen bijdragen tot het bewijs daarvan". Op de regiezitting van 2 februari 2024 heeft de verdediging het verzoek om de medeverdachte [medeverdachte 1] als getuige te horen gehandhaafd en zich verder niet uitgelaten over andere getuigen. Het hof heeft dit verzoek op de terechtzitting van 16 februari 2024 toegewezen. Het hof heeft daarnaast bevolen dat "de toegewezen getuigen – voor zover het medeverdachten betreft – (...) in de zaken van alle verdachten [zullen] worden gehoord, met dien verstande dat de verdachten niet als getuigen in hun eigen zaak worden gehoord". In de zaken van de medeverdachten heeft het hof (onder meer) de verzoeken om de medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] als getuigen te horen toegewezen. De getuigen [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] zijn op de daarop volgende zitting van 2 juni 2025 niet verschenen. De raadsman van de verdachte heeft daar aangegeven te persisteren in het horen van deze getuigen. Het hof heeft meegedeeld dat het later terug zal komen op de niet-verschenen getuigen. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 en 4 juni 2025, noch de bestreden uitspraak bevat echter een beslissing over de niet-verschenen getuigen. De raadsman is tijdens deze zittingen evenmin teruggekomen op het horen van de niet-verschenen getuigen.
Bespreking van het middel
Het middel klaagt dat het hof geen beslissing heeft genomen op het verzoek van de verdediging tot oproeping van de niet-verschenen medeverdachten, die eerder reeds als getuigen waren toegewezen, en deze ook zelf niet als getuige heeft opgeroepen. Ik begrijp het middel zo dat het betrekking heeft op de niet-verschenen getuigen en tevens medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] .
Het hof heeft – als gezegd – ter terechtzitting van 16 februari 2024 in de zaken van alle verdachten bevolen dat "de toegewezen getuigen – voor zover het medeverdachten betreft – (...) in de zaken van alle verdachten [zullen] worden gehoord, met dien verstande dat de verdachten niet als getuigen in hun eigen zaak worden gehoord". Daarmee heeft het hof in de zaak van de verdachte ambtshalve een bevel gegeven tot oproeping van de medeverdachten als getuigen. Dit betreft een bevel als bedoeld in art. 315 lid 1 Sv, dat ingevolge art. 415 lid 1 Sv ook in hoger beroep van toepassing is. Nu de getuigen vervolgens niet zijn verschenen op de terechtzitting van 2 juni 2025, moesten zij worden aangemerkt als niet-verschenen getuigen in de zin van art. 287 lid 3 Sv en art. 288 lid 1 Sv.
Het hof heeft ten aanzien van deze getuigen geen beslissing genomen als bedoeld in deze bepalingen. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 en 4 juni 2025, noch de bestreden uitspraak bevat een dergelijke beslissing. De vraag is of het hof hiertoe was gehouden en of een eventueel verzuim in dit geval tot cassatie dient te leiden.
In het overzichtsarrest over getuigenverzoeken HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 heeft de Hoge Raad overwogen dat in een dergelijk geval het hof een beslissing dient te nemen uit hoofde van deze artikelen “indien door of namens de verdachte een uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek is gedaan tot de hernieuwde oproeping van de niet verschenen getuige”. Uit het achterwege blijven van zo’n verzoek kan het hof afleiden dat de verdediging geen prijs meer stelt op het horen van de niet verschenen getuige.
De raadsman van de verdachte heeft op de zitting van 2 juni 2025 gezegd dat hij “persisteert bij het horen van niet-verschenen medeverdachten als getuigen”. Daarmee heeft hij een verzoek gedaan. Gemotiveerd was dit echter geenszins. Op de zitting van 2 juni 2025 is geen enkele toelichting gegeven op het horen van de getuigen. Voor zover de raadsman met ‘persisteren’ heeft willen verwijzen naar het op de regiezitting van 2 februari 2024 gedane verzoek, geldt dat de verdediging de medeverdachten toen niet als getuigen heeft verzocht. Voor de volledigheid wijs ik erop dat ook het daaraan voorafgaande e-mailbericht van de raadsman van 26 januari 2024 deze getuigen niet noemt, laat staan dat sprake is van een gemotiveerd verzoek hen als getuige op te roepen.
Verder heeft de rechtbank noch het hof verklaringen van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] of [medeverdachte 6] voor het bewijs gebruikt. De verdediging is bij de verdere behandeling van de zaak niet ingegaan op het belang van hun verklaringen of de wenselijkheid hen als getuige te horen.
In de rechtspraak van de Hoge Raad is echter geen steun te vinden voor een uitleg van de aangehaalde passages uit HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 die inhoudt dat zonder motivering geen sprake is van een ‘geldig’ verzoek waarop de rechter moet reageren. Een gebrek aan motivering van het verzoek heeft wel gevolgen voor de eisen die mogen worden gesteld aan de motivering van de beslissing van de rechter tot afwijzing van het verzoek.
Ik vraag mij echter af of sprake is van een uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek in een geval als dit, waar de verdediging bij de uiting van de wens de getuigen te horen alleen is meegelift op de initiatieven van anderen en nooit op enige wijze concreet heeft gemaakt waarin het belang is gelegen om de getuigen te horen.
In het verlengde van deze passieve proceshouding ligt hoe dan ook dat een eventueel verzuim van het hof om een beslissing te nemen als bedoeld in art. 287 lid 3 Sv en art. 288 lid 1 Sv niet tot cassatie hoeft te leiden.
In art. 80a RO is bepaald dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard op de grond dat de betrokkene klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Daarom mag in gevallen waarin dat belang niet evident is, van de verdediging in redelijkheid worden verlangd dat zij in de cassatieschriftuur een toelichting geeft met betrekking tot het belang bij haar klacht. Zo mag in het geval dat de zaak op meerdere terechtzittingen is behandeld, van de verdediging worden gevergd dat zij toelicht waarom op een later gehouden terechtzitting niet is geklaagd over een op een eerdere zitting begaan verzuim met betrekking tot een verzoek tot oproeping van getuigen.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 juni 2024 blijkt niet dat door of namens de verdachte aan de orde is gesteld dat het hof op 2 juni 2024 geen beslissing heeft genomen over de niet-verschenen getuigen en evenmin dat is verzocht om die getuigen alsnog opnieuw op te roepen. Het moet daarom ervoor worden gehouden dat een en ander achterwege is gebleven. In aanmerking genomen dat in de cassatieschriftuur een toelichting ontbreekt waarom de verdediging tijdens de nadere terechtzitting niet is opgekomen tegen het uitblijven van een beslissing door het hof als in het middel gesteld, kan niet blijken van enig in rechte te respecteren belang van de verdachte bij cassatie. Daarbij merk ik nogmaals op dat het hof de bewezenverklaring niet mede heeft doen steunen op de verklaring van een van de niet-verschenen getuigen.
Het eerste middel faalt.
4 Bewezenverklaring en bewijsoverwegingen
Voor de beoordeling van het tweede, derde en vierde middel is het volgende van belang.
Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 en 2 bewezenverklaard dat:
“1. hij op 16 februari 2021 te [plaats] , gemeente [...] , tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door [slachtoffer] met een vuurwapen in het lichaam te schieten;
2. hij op 16 februari 2021 te [plaats] , gemeente [...] , tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven, een afspraak heeft gemaakt met [slachtoffer] in [plaats] , en vervolgens met meerdere voertuigen en meerdere personen bewapend met vuurwapens naar de afgesproken plek is gekomen en [slachtoffer] heeft vastgepakt en [slachtoffer] in de richting van een gereedstaand voertuig heeft getrokken en [slachtoffer] met een vuurwapen in het lichaam heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.”
Het hof heeft in het bestreden arrest onder meer het volgende overwogen:
“Bewijsoverweging
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezenverklaard dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair tenlastegelegde feit, met dien verstande dat hij dient te worden vrijgesproken van gekwalificeerde doodslag. Voorts kan bewezen worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 primair tenlastegelegde feit.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] van beide feiten moet worden vrijgesproken. Hij had geen wetenschap van het plan om het slachtoffer te ontvoeren en dus geen (voorwaardelijk) opzet op de wederrechtelijke vrijheidsberoving. Dat [verdachte] zich zou hebben bemoeid met de worsteling van anderen met het slachtoffer, maakt niet dat hij wetenschap had van dit plan. Dit maakt ook dat [verdachte] geen voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer. Als het hof zou oordelen dat hij wel wetenschap had van het ontvoeringsplan, dan maakt dit niet dat hij wetenschap had van het meenemen en/of gebruik van wapens door anderen. Voor deze wetenschap ontbreekt bewijs. Als het hof de doodslag wel bewezen zou achten, dan is er geen sprake van gekwalificeerde doodslag.
Feiten en omstandigheden
Uit de bewijsmiddelen leidt het hof de volgende feiten en omstandigheden af.
Aanloop naar 16 februari 2021
[medeverdachte 5] is de gebruiker van het SkyECC (hierna: SKY) account [account 1] . De onbekende gebruiker van SKY-account [account 2] stuurt op 11 februari 2021 foto's van pakketten met vermoedelijk cocaïne naar [medeverdachte 5] . [account 2] zegt dat [medeverdachte 5] ‘25’ [het hof begrijpt: 25 kilogram] van hem krijgt en dat [medeverdachte 5] dan ‘money 150’ [het hof begrijpt: € 150.000,00] aan hem geeft. [account 2] stuurt dat hij [medeverdachte 5] later ziet, waarna [account 2] een foto van een straatnaambord van de [k-straat] stuurt. Na de ontmoeting stuurt [medeverdachte 5] berichten naar het SKY-account [account 3] , waarvan [medeverdachte 3] de gebruiker is. [medeverdachte 5] laat weten dat de Colombianen hem hadden vastgebonden en zijn Rolex en € 150.000,00 van hem hebben afgenomen. [medeverdachte 5] zegt verder dat hij tijdens de beroving besloot om te gaan liggen, omdat hij anders neergeschoten zou worden. De Colombianen zouden 25 kilogram cocaïne aan hem verkopen. Ze hebben twee kilogram echte cocaïne laten zien, maar de overige 23 kilogram bleek suiker te zijn. Uit voorgaande bevindingen leidt het hof af dat op 11 februari 2021 sprake is geweest van een mislukte drugsdeal met een groep Colombianen waarbij [medeverdachte 5] als potentiële koper van een hoeveelheid cocaïne is beroofd van een aanzienlijk geldbedrag en een Rolex horloge.
[medeverdachte 3] biedt [medeverdachte 5] vervolgens zijn hulp aan om de Colombianen op te sporen en gevangen te zetten. [medeverdachte 3] zegt tegen [medeverdachte 5] dat hij Albanezen heeft die sterk zijn en indien nodig ‘veel uitrusting’ hebben. Hij heeft een team ter plaatse als dat nodig is. [medeverdachte 5] antwoordt bevestigend op de vraag van [medeverdachte 3] of hij moet rondvragen en zoeken en stuurt een afbeelding met het adres [k-straat 1] . Diezelfde dag laat [medeverdachte 4] , gebruiker van SKY-account ALNKGM, aan twee onbekend gebleven personen weten dat [medeverdachte 5] door de Colombianen met wapens is bedreigd en is beroofd en hoe een en ander is gegaan. [medeverdachte 4] zegt dat hij in Servië is, maar dat hij al onderweg is.
[medeverdachte 3] laat op 12 februari 2021 aan [medeverdachte 5] weten dat hij al een team met uitrusting klaar heeft, dat ze weten wat ze moeten doen, en dat de Rolex en ‘de saus’ [het hof begrijpt: het geld] die uit hen wordt geperst, zodra ze ontwapend en vastgebonden zijn, voor [medeverdachte 5] zijn. Er komt vijf man met uitrusting. [medeverdachte 5] moet erbij komen zodra het klaar is. [medeverdachte 5] zegt hierop: “ik wil hen en de Rolex, voor het principe.” [medeverdachte 3] verzekert [medeverdachte 5] dat hij een professioneel team heeft. Zodra de Colombianen zijn ontwapend en vastgebonden, kan [medeverdachte 5] komen om hen te verhoren. Zijn team zal het vuile werk doen, maar er moet geen kop vallen want dan zal er veel geruis zijn. [medeverdachte 5] laat [medeverdachte 3] om 21.37 uur weten dat de Colombianen ‘het lokaas hebben gegrepen’ en dat zij een afspraak willen.
[medeverdachte 3] biedt [medeverdachte 5] op 13 februari 2021 nogmaals zijn hulp aan en biedt hem de keuze of hij zelf ‘die vent van straat wil plukken’ of dat anderen dat voor hem moeten doen. Hij benoemt daarbij dat het een heftige aanvaring kan zijn met gebruik van uitrusting.
Op 14 februari 2021 laat [medeverdachte 5] aan een onbekend gebleven persoon met SKY-account [account 4] weten wat het plan is. Hij schrijft: “en we moeten praten, zij moeten rijden en die Colombiaan van de straat oprollen en hem brengen, er moet alleen een plek geregeld worden waar naartoe”. Nadat de onbekend gebleven persoon een logeerplek aanbiedt, reageert [medeverdachte 5] : “zo eentje om hem daar naar binnen te dragen en breken, en verhoren” en “wij beveiligen aan de zijkanten, maar laat hen hem in het busje gooien, mij of jou zouden ze van ver herkennen.” Uit de inhoud van deze gesprekken volgt dat [medeverdachte 5] , al dan niet via anderen, in contact is gekomen met de Colombianen en een afspraak heeft gemaakt. Ook blijkt wat het doel van de afspraak is: een Colombiaan ontvoeren en (zwaar) mishandelen. Het ontvoeringsplan blijkt ook uit de hierna nog te bespreken SKY-gesprekken na afloop van de feiten op 16 februari 2021.
De gebeurtenissen op 16 februari 2021
Op 16 februari 2021 laat [medeverdachte 5] in de vroege ochtend aan meerdere personen weten dat de Colombianen rond 11.00 uur het adres zullen geven. [medeverdachte 3] reageert dat hij direct [betrokkene 1] gaat bellen dat hij zijn lui wakker maakt. Hij laat [medeverdachte 5] even later weten dat hij al naar vier een bericht heeft gestuurd dat ze moeten opstaan en dat eentje met uitrusting kan zijn. [medeverdachte 3] vraagt eerst om 12.06 uur aan [medeverdachte 5] waar ze naartoe moeten rijden, en vervolgens zegt hij tegen [medeverdachte 4] omstreeks 12.10 uur dat [medeverdachte 5] het bericht moet lezen omdat hij ‘ze’ ergens naartoe moet sturen. [medeverdachte 5] stuurt ongeveer tien minuten later naar [medeverdachte 3] een kaartje met de route naar [b-straat] in [plaats] en schrijft dat er maar één toegangsweg is. [medeverdachte 5] zegt dat ze daar voorlopig niet in moeten rijden. [medeverdachte 3] reageert dat zijn mensen vooralsnog naar Amsterdam rijden.
Om 13.24 uur zegt [medeverdachte 3] dat zijn mensen over 15 minuten in het centrum van ‘dat plaatsje’ [het hof begrijpt: [plaats] ] kunnen zijn. Om 13.28 uur instrueert [medeverdachte 5] [medeverdachte 3] dat ‘ze 10 km bij die stad vandaan moeten wachten’ en dat hij hen daar zal ontmoeten. Hij stuurt [medeverdachte 3] het adres van de Albert Heijn XL aan de [i-straat 1] in [plaats] . [medeverdachte 5] zal ze daar opvangen en zegt dat hij met een witte en een donkerblauwe Citroën is. Omstreeks 14.00 uur vertrekken drie auto’s die betrokkenheid hebben gehad bij de schietpartij vanuit de omgeving van Den Haag richting Alkmaar en [plaats] , waaronder de Citroën C5 met kenteken [kenteken 1] (hierna: de Citroën). [medeverdachte 3] zegt dat er een Audi A3 op het parkeerterrein aan het wachten is. Hij vraagt aan [medeverdachte 5] om hem ook over te nemen en hem ergens neer te zetten. Uit voorgaande bevindingen leidt het hof af dat vanuit Den Haag [medeverdachte 5] samen met anderen naar Alkmaar reist waar voorafgaand aan de afspraak met de Colombianen een ontmoeting plaatsvindt met andere betrokkenen bij het plan. Uit de SKY-berichten volgt dat de bedoeling is dat [medeverdachte 5] de anderen daar instrueert over wat er in [plaats] moet gebeuren.
Reisbewegingen Groep [A] en Groep [B]
Er zijn verder twee verdachtengroepen concreet in beeld gekomen. Groep [A] bestaat uit [verdachte] en [medeverdachte 1] . Zij zijn vrienden van elkaar, stonden op hetzelfde adres ingeschreven en [verdachte] werkte voor [medeverdachte 1] . Groep [A] rijdt op 16 februari 2021 omstreeks 8.30 uur vanaf 's-Heerenberg met de BMW X5 van [medeverdachte 1] (hierna: de BMW X5) in de richting van Amersfoort. De andere groep is Groep [B] , bestaande uit [medeverdachte 2] en [betrokkene 2] . [medeverdachte 2] rijdt met zijn Volvo op 16 februari 2021 omstreeks 10.00 uur vanuit de omgeving van Ermelo naar 't Harde. Vanaf daar wordt [medeverdachte 2] vergezeld door [betrokkene 2] en bewegen hun telefoons via eenzelfde route over de A27.
[betrokkene 2] en [verdachte] hebben omstreeks 11.23 uur telefonisch contact met elkaar, waarna de twee groepen elkaar ontmoeten bij een tankstation langs de snelweg. Daarna rijden de twee groepen door naar het filiaal van de Kentucky Fried Chicken (hierna: KFC) aan de [a-straat] te [plaats] . Aldaar worden zij vergezeld door in ieder geval de bestuurder van een Duitse Mercedes A200 met kenteken [kenteken 2] (hierna: de Mercedes) en door de bestuurder van een Audi A6 Avant (station) met kenteken [kenteken 3] (hierna: de Audi A6).
Vanaf het KFC-restaurant vertrekt eerst de Audi A6 - via het centrum van [plaats] waar deze omstreeks 13.57 uur langsrijdt - naar de Albert Heijn XL aan de [i-straat 1] te [plaats] . [medeverdachte 2] - die zijn Volvo in Amsterdam achterliet - en [verdachte] zijn inmiddels naar de Audi A6 overgestapt, evenals [betrokkene 2] , die de Audi A6 vanaf dit moment bestuurde. Om 13.23 uur rijdt de Audi A6 voorbij Akersloot en pas op dat moment vertrekken de BMW X5, met daarin [medeverdachte 1] als enige inzittende, en de Mercedes in de richting van Alkmaar. Omstreeks 15.00 uur stralen de telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zendmastlocaties aan die dekking geven aan de [i-straat 1] in [plaats] . Uit voorgaande bevindingen leidt het hof af dat aan de [i-straat 1] in [plaats] een ontmoeting plaatsvindt met enkele mannen, onder wie degenen die bij de eerdere ontmoetingen aanwezig waren, en [medeverdachte 5] . [medeverdachte 4] voert op dat moment een voorverkenning uit in [plaats] .
De reis van Alkmaar naar [plaats]
Na deze ontmoeting rijdt [medeverdachte 1] met zijn BMW X5 naar [plaats] . Ook de Mercedes en de Audi A6 vertrekken daar naartoe. Uit de track- en tracegegevens van de Mercedes blijkt dat dit voertuig om 15.09 uur uit Alkmaar is vertrokken en naar [plaats] rijdt. [medeverdachte 4] schrijft om 15.10 uur naar [medeverdachte 3] : “Nee, ik ben in een andere auto met de uitrusting.” Om 15.13 uur stuurt [medeverdachte 5] de volgende audioberichten naar [medeverdachte 4] : “ze gaan er al naar toe, in ieder geval in een BMW een X5, in ieder geval een Audi in stationcar uitvoering en nog een Mercedes. Ze rijden er al daar naar toe”, “Ze zeiden dat er vlakbij de rotonde een Colombiaans varken rondloopt” en “Wij rijden daar al naar toe, met een Citroën, verdomme, ook zo'n Jeepje, we rijden met een Jeepje-Citroën en de Audi in de combi rijdt eveneens.” De voertuigen die [medeverdachte 5] in dit bericht noemt, zijn ook te zien op camerabeelden in (het centrum van) [plaats] , terwijl deze achtereenvolgens naar [plaats] rijden. Te zien is dat eerst de Audi A6 hier arriveert, die vijf seconden later wordt gevolgd door [medeverdachte 1] in de BMW X5. Ongeveer een minuut later rijdt de Citroën op dezelfde plek voorbij.
De gebeurtenissen op [b-straat] in [plaats]
Uit de (beschrijving van de) camerabeelden die onderdeel uitmaken van het dossier, blijkt het volgende. Om 15.28 uur parkeert een Ford Focus op [b-straat] , aan de kant van de flat. Om 15.34 uur straalt de telefoon van [medeverdachte 2] een zendmast aan in [plaats] en rijdt de Audi A6 een verkenningsronde over de rotonde, waarna de auto uit beeld verdwijnt. Omstreeks 15.36 uur komt [medeverdachte 1] met zijn BMW X5 voor de eerste keer aanrijden bij de rotonde bij de plaats delict. Hij rijdt met lage snelheid een rondje en verlaat vervolgens de plaats delict. Na ongeveer anderhalve minuut arriveert [medeverdachte 1] wederom stapvoets bij de rotonde, en verlaat hij wederom de plaats delict. Na deze twee rondes voert [medeverdachte 1] een telefoongesprek met [verdachte] van 74 seconden.
Om 15.38 uur rijdt [medeverdachte 1] voor de derde keer zijn BMW X5 [b-straat] op en parkeert daar in een parkeervak. Een paar seconden later rijdt de Mercedes [b-straat] op en parkeert eveneens in een parkeervak, vlakbij de plaats waar de Ford Focus staat. Om 15.33 uur hadden de Colombianen een WhatsAppbericht ontvangen dat ‘ze’ aankomen in een witte Mercedes. Om 15.42 uur loopt het latere slachtoffer [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) vanaf de [j-straat] [b-straat] op en hij loopt naar de Mercedes toe waar hij aan de bestuurderszijde blijft staan en kennelijk in gesprek raakt met de bestuurder. Rond dezelfde tijd rijdt de Citroën C5 [b-straat] op en passeert het slachtoffer ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats. De Citroën C5 rijdt de rotonde op en verdwijnt uit beeld. Enkele ogenblikken later, omstreeks 15.43 uur, rijdt de Citroën C5 weer de rotonde van [b-straat] op.
Om 15.44 uur rijdt de Audi A6 [b-straat] op en stopt ter hoogte van de Mercedes, waar het slachtoffer nog steeds staat. Op het moment dat de Audi A6 stopt, klinkt er direct een luide knal. Er stappen achtereenvolgens vanuit de rechterachterportier en de bijrijdersplaats van de Audi A6 twee personen (persoon 1 en persoon 2) uit die naar het slachtoffer lopen, waarbij er een worsteling ontstaat en persoon 1, even later geholpen door persoon 2, het slachtoffer via de linkerzijde van het voertuig in de Audi A6 probeert te duwen. Op een gegeven moment rijdt [medeverdachte 1] met zijn BMW X5 achterwaarts uit het parkeervak en blijft hij op de rijbaan staan. Vrijwel op hetzelfde moment stappen er twee personen uit de Mercedes. De bestuurder van de Mercedes, van wie het hof op basis van het forensische bewijs en de locatiegegevens van zijn telefoon zoals die hierna worden besproken vaststelt dat dit [medeverdachte 2] is, loopt naar de mannen die bij de Audi A6 aan het worstelen zijn en maakt direct een slaande beweging met zijn arm. Ook de persoon op de bijrijdersstoel van de Mercedes, van wie het hof op basis van de verklaring van [medeverdachte 1] vaststelt dat dit [verdachte] is, loopt daar naartoe en neemt deel aan de worsteling. Dan klinkt er weer een harde knal. Terwijl de worsteling nog gaande is, loopt [verdachte] naar de BMW X5 van [medeverdachte 1] . Dan zijn er meerdere knallen te horen. Twee van de mannen lopen naar de Mercedes, stappen in en rijden met verhoogde snelheid weg. [verdachte] is inmiddels als bijrijder bij [medeverdachte 1] in de BMW X5 gestapt, die ook wegrijdt. De andere man is in de Audi A6 gestapt, die eveneens wegrijdt. Het slachtoffer blijft liggend op de grond achter en wordt door twee personen in de Ford Focus getild. Om 15.46 uur rijdt de Ford Focus ook weg.
Het overlijden van het slachtoffer
De inmiddels gealarmeerde politie treft de Ford Focus kort daarna rijdend aan in [plaats] . Het slachtoffer wordt ernstig gewond aangetroffen en is ter plaatse overleden. Het NFI heeft een sectie verricht op het lichaam. Daarbij zijn drie schotletsels aangetroffen, waarvan één schampschot ter hoogte van de heup. Het tweede schotletsel betreft een inschotverwonding aan de voorzijde van zijn rechterbovenbeen en een uitschotverwonding aan de achterzijde van het rechterbovenbeen. Het rechterbovenbeen was hierdoor gebroken. Het derde schotletsel betreft een inschotverwonding hoog op de rug, tussen de schouderbladen. Het NFI heeft geconcludeerd dat het overlijden van het slachtoffer zonder meer wordt verklaard door inwendige letsels als gevolg van het inschotletsel hoog aan de rug, met een mogelijke bijdrage aan het overlijden of de snelheid van het overlijden van een doorschot door het rechterbovenbeen.
De kogel van het kaliber 9mm Parabellum zat nog in het lichaam van het slachtoffer. Op de plaats delict zijn twee hulzen aangetroffen van het kaliber 9mm Parabellum (bodemstempel CBC 9mm Luger) en zeven hulzen van het kaliber 7.65mm Browning (bodemstempel 7.65mm 15 S&B). Het NFI heeft geconcludeerd dat het zeer veel waarschijnlijker is dat de inschotbeschadiging in de spijkerbroek van het slachtoffer is veroorzaakt door een kogel van het kaliber 9mm Parabellum, dan door munitie van het kaliber 7.65mm Browning. Tevens is de conclusie zowel ten aanzien van de aangetroffen hulzen van het kaliber 7.65mm Browning als de aangetroffen hulzen van het kaliber 9mm Parabellum dat deze zijn verschoten met één vuurwapen.
Gebeurtenissen na afloop van de mislukte ontvoering
Om 16.08 uur, ruim twintig minuten na het schietincident, stuurt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 5] : “Jullie kunnen daar beter wegwezen, want iets is niet oké.” [medeverdachte 5] schrijft terug: ‘weet ik’. [medeverdachte 3] vraagt of hij een bunker klaar moet maken en [medeverdachte 5] antwoordt met ‘nee’. Om 16.10 uur laat [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 3] weten dat hij aan het oprotten is. [medeverdachte 4] stuurt naar SKY-account [account 5] : “wat een rit, verdomme”, “bij ons iedereen heel”, “we hebben twee getroffen”, “zij waren verrast en zij spraken op het parkeerterrein af” en “en toen wij begonnen die ene in te trekken [ook: naar binnen te trekken], strooiden zij zich uit en begonnen te bonken en ik verneukte hem direct 2 keer en de klojo viel neer in die andere”. Naar het oordeel van het hof duidt dit, in onderlinge samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, erop dat de dadersgroep het slachtoffer heeft verrast met de poging tot ontvoering en dat er vanuit de dadersgroep in ieder geval tweemaal op hem is geschoten.
De Mercedes is in de avond van 16 februari 2021 aangetroffen in Egmond aan den Hoef. Op beelden is te zien dat op die plek rond 15.52 uur twee personen in de Citroën C5 stappen. Vlak daarvoor passeert de Audi A6 die plek.
De telefoon en de auto van [medeverdachte 1] bewegen zich na het schietincident in de richting van De Goorn/Hoorn, waar de telefoon omstreeks 18.15 uur een zendmast aanstraalt. Vervolgens beweegt de telefoon zich via Landsmeer en de omgeving van Arnhem in de richting van de Duitse grens, waar [medeverdachte 1] woont. De telefoon van [verdachte] maakt een zelfde soort reisbeweging, evenals de telefoon van [betrokkene 2] voor het eerste deel van de terugreis, waardoor hieruit kan worden afgeleid dat zij na afloop van de schietpartij samen zijn gereisd.
De telefoon van [medeverdachte 2] straalt rond 15.58 uur zendmasten aan in Heiloo en Egmond-Binnen. Vervolgens verplaatst de telefoon zich naar Castricum (16.04 uur) en Uitgeest (16.08 uur). Deze reisbeweging vertoont overeenkomsten met de route die de Citroën C5 na het schietincident heeft afgelegd. Rond 17.00 uur straalt de telefoon van [medeverdachte 2] een zendmast in Amsterdam aan. Ook de Citroën C5 is rond dat tijdstip in Amsterdam. Om 17.15 uur straalt de telefoon van [medeverdachte 2] een zendmast aan in Ouderkerk aan de Amstel. Deze zendmastlocatie geeft onder meer dekking aan het gebied rond de KFC aan de [a-straat] in [plaats] . Verder staat het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 1] op 16 februari 2021 na het incident in [plaats] in contact met de telefoon van [medeverdachte 2] .
Rol van [verdachte]
De verklaring die [verdachte] bij de politie heeft afgelegd komt er op neer dat hij geen wetenschap had van een ontvoeringsplan. Hij is op verzoek van vrienden meegereden naar [plaats] . Daar stapte een jongen uit en [verdachte] hoorde ‘politie, politie’ en zag dat de jongen ruzie met iemand had. Toen is hij uitgestapt en is hij naar de BMW X5 van [medeverdachte 1] gelopen, die daar ook stond geparkeerd en is samen met [medeverdachte 1] weggereden. [verdachte] heeft verklaard zich nergens mee te hebben bemoeid.
Het hof overweegt als volgt.
Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat [verdachte] samen met [medeverdachte 1] in diens auto in de ochtend van 16 februari 2021 vanuit het oosten van het land richting Noord-Holland is gereisd. Bij een tankstation langs de A1 hebben zij [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] ontmoet. Vervolgens hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] een ontmoeting bij de KFC in [plaats] met in ieder geval [medeverdachte 2] , [betrokkene 2] en de bestuurders van de Mercedes en de Audi A6. Deze twee voertuigen zijn gebruikt bij de mislukte ontvoering. Vanaf daar is [verdachte] samen met [medeverdachte 2] en [betrokkene 2] in de Audi A6 via [plaats] naar de volgende ontmoetingsplaats in Alkmaar gereden, alwaar ook [medeverdachte 1] met de BMW X5 en de Mercedes aanwezig waren. Daar heeft [medeverdachte 5] instructies gegeven over wat er in [plaats] moest gebeuren. Vervolgens is [verdachte] naar [plaats] gereisd en op [b-straat] zat hij als bijrijder in de Mercedes. Het slachtoffer is, nadat de Colombianen een bericht hadden ontvangen dat de afspraak zou zijn met een persoon in een witte Mercedes, naar de Mercedes toegelopen, aan de bestuurderszijde van de Mercedes gaan staan en heeft daar ongeveer twee minuten voorovergebogen gestaan. Hieruit kan worden afgeleid dat het slachtoffer met de bestuurder van de Mercedes, te weten [medeverdachte 2] , heeft gesproken. Nadat er een worsteling was ontstaan tussen het slachtoffer en de twee personen uit de Audi A6 die hem in deze auto probeerden te duwen, zijn ook [medeverdachte 2] en [verdachte] uitgestapt, hebben zich met de worsteling bemoeid en hebben samen met de andere twee personen geprobeerd het slachtoffer in de Audi A6 te duwen.
Op grond van al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, komt het hof tot het oordeel dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer. Het hof leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat de verschillende ontmoetingen waarbij [verdachte] aanwezig was en de door [medeverdachte 5] tijdens de ontmoeting in Alkmaar gegeven instructies, verband hielden met de geplande ontvoering. Het hof schuift de verklaring van [verdachte] dat hij geen wetenschap had van dit plan als ongeloofwaardig terzijde. Hierbij betrekt het hof dat de verklaring van [verdachte] , inhoudende dat hij is doorgelopen naar de auto van [medeverdachte 1] toen hij na het uitstappen zag dat zijn vriend een handgemeen had met het slachtoffer, wordt weerlegd door de (beschrijving van de) beelden waaruit blijkt dat hij actief deelneemt aan dit handgemeen.
Medeplegen van de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2 primair)
Voor de kwalificatie medeplegen is volgens vaste rechtspraak vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Bij medeplegen ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.
Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat er planmatig is gehandeld en intensief is samengewerkt door [verdachte] en zijn medeverdachten, waarbij de taken onderling werden verdeeld. Ook blijkt dat [verdachte] aanwezig is op verschillende cruciale momenten en dat hij een belangrijke rol heeft in de feitelijke uitvoering, doordat hij samen met anderen heeft geprobeerd het slachtoffer in de Audi te duwen. Aldus is er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en zijn medeverdachten. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] medepleger is van de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer.
Strafverzwarende omstandigheid ‘de dood ten gevolge hebbend’
Onder feit 2 primair is de strafverzwarende omstandigheid tenlastegelegd dat de poging tot ontvoering de dood van het slachtoffer tot gevolg heeft gehad. Voor een bewezenverklaring van het strafverzwarende gevolg is vereist dat een zodanig verband bestaat tussen de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving en de dood van het slachtoffer, dat de dood redelijkerwijs als gevolg van dat feit aan [verdachte] kan worden toegerekend. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen - zoals hiervoor weergegeven - volgt dat [verdachte] en zijn medeverdachten van plan waren het slachtoffer met geweld te ontvoeren. Tijdens de uitvoering van de poging om het slachtoffer in een auto te duwen is het slachtoffer in zijn rug en zijn been geschoten, als gevolg waarvan hij is komen te overlijden. Onder deze omstandigheden bestaat een zodanig verband tussen de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving en de dood van het slachtoffer, dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijs aan [verdachte] kan worden toegerekend.
Medeplegen doodslag (feit 1 primair)
Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat een van de verdachten van de poging ontvoering de kogels die het slachtoffer dodelijk hebben geraakt op hem heeft afgevuurd. Naar het oordeel van het hof is [verdachte] aan te merken als medepleger van deze doodslag. [verdachte] heeft als uitvoerder deelgenomen aan een plan dat inhield dat het slachtoffer op klaarlichte dag op een parkeerplaats met geweld zou worden ontvoerd om hem vervolgens vast te houden. Daarbij was het de verwachting dat de Colombianen gewapend zouden zijn. Met het oog hierop hebben medeverdachten van [verdachte] ook (een) vuurwapen(s) (uitrusting) meegenomen. Dat bij de ontvoering met het vuurwapen zou worden gedreigd en dat het vuurwapen mogelijk ook zou worden gebruikt, kan dan ook niet anders dan onderdeel van het plan zijn geweest. Daarbij acht het hof van belang dat uit SKY-berichten volgt dat er rekening mee werd gehouden dat de groep Colombianen ook bewapend was en dat er sprake zou kunnen zijn van een gewelddadige confrontatie. Het gebruik van vuurwapengeweld is tegen de achtergrond van de poging tot ontvoering in deze criminele setting ook niet zo uitzonderlijk dat dit uitsluitend een spontane ingeving moet zijn geweest van een medeverdachte, die niet aan zijn medeverdachten kan worden toegerekend. Niet blijkt dat [verdachte] heeft deelgenomen aan de SKY-berichten waarin op 16 februari 2021 en de dagen daaraan voorafgaand door verschillende medeverdachten is gesproken over een ontvoeringsplan en de uitvoering daarvan. Wel was hij voorafgaand aan het schietincident bij drie ontmoetingsplaatsen waar ook andere betrokkenen bij het plan zijn geweest. In Alkmaar heeft [medeverdachte 5] , die een organiserende en sturende rol had, instructies gegeven over wat er in [plaats] moest gebeuren. Het hof neemt aan dat [verdachte] , als uitvoerder van de poging tot ontvoering, in ieder geval vanaf dat moment op de hoogte is geweest van het ontvoeringsplan waarbij het beoogde slachtoffer naar [b-straat] zou komen in de veronderstelling dat daar een drugsdeal zou gaan plaatsvinden. Tegen deze achtergrond, een ontvoering die zich afspeelt in het drugsmilieu, moet [verdachte] er rekening mee gehouden hebben dat er (een) wapen(s) meegenomen zou(den) worden en dat het gebruik daarvan niet zou worden geschuwd. In dat verband is mede van belang dat de plaats waar de poging tot ontvoering was gepland (namelijk overdag op een openbaar parkeerterrein) een snelle overmeestering van het slachtoffer nog belangrijker maakte en (dreiging met) vuurwapengeweld dit kon bewerkstelligen. Het hof acht daarbij ook van belang dat op het moment dat de Audi A6 op [b-straat] stopte en nog voordat er iemand is uitgestapt, er een schot wordt gelost. Daardoor wist [verdachte] , die op dat moment in de Mercedes zat en ongeacht wie er had geschoten, dat er vuurwapens in het spel waren. Dit heeft hem er niet van weerhouden uitvoering te geven aan het ontvoeringsplan dat volgde. Integendeel, [verdachte] is uitgestapt en gaan meehelpen om het slachtoffer in de Audi te krijgen, waarna er nog een schot klinkt. Door met de wetenschap dat er (een) wapen(s) werd(en) meegenomen en het gebruik daarvan niet werd geschuwd, uitvoering te geven aan het ontvoeringsplan, waarbij met het slachtoffer een directe confrontatie werd aangegaan en werd geworsteld, heeft [verdachte] bewust de kans aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden door vuurwapengeweld vanuit de dadergroep waar [verdachte] deel van uitmaakte.”
5 Het derde middel
Het derde middel klaagt over het onder 1 bewezenverklaarde medeplegen van doodslag. Het middel valt uiteen in twee deelklachten.
De eerste deelklacht houdt in dat de overweging van het hof dat “dat bij ontvoering met het vuurwapen zou worden gedreigd en dat het vuurwapen mogelijk ook zou worden gebruikt, [...] dan ook niet anders dan onderdeel van het plan [kan] zijn geweest” tegenstrijdig is met de vaststelling - gedaan in het kader van de verwerping van het samenloopverweer - dat “het latere gebruik van dodelijk geweld, te weten het meermalen op het slachtoffer schieten, een afzonderlijke, op zichzelf staande gedraging vormt".
Zowel de advocaat-generaal als de raadsman van de verdachte hebben zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde eendaadse samenloop oplevert. Het hof heeft in afwijking hiervan geoordeeld dat de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten dienen te worden beschouwd als meerdaadse samenloop. Het hof heeft dat oordeel in de strafmotivering als volgt gemotiveerd:
“Het hof stelt voorop dat, anders dan de advocaat-generaal en de verdediging hebben betoogd, de bewezenverklaarde feiten dienen te worden beschouwd als meerdaadse samenloop, zoals bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof stelt vast dat de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving reeds was aangevangen en dat het latere gebruik van dodelijk geweld, te weten het meermalen op het slachtoffer schieten, een afzonderlijke, op zichzelf staande gedraging vormt. Dit schieten had immers niet tot doel de vrijheidsberoving alsnog te voltooien, maar was kennelijk gericht op het uitschakelen van het slachtoffer dat zich verzette. Het doden van het slachtoffer is derhalve niet op te vatten als een noodzakelijk of onvermijdelijk bestanddeel van de poging tot vrijheidsberoving. Aldus is sprake van twee onderscheiden feiten, hetgeen meerdaadse samenloop oplevert.”
Een tegenstrijdigheid met het aannemen van voorwaardelijk opzet op de dood, zie ik hierin niet. Volgens het hof was sprake van een voorgenomen plan om het slachtoffer met geweld te ontvoeren en vast te houden. Het hof heeft in dat verband onder meer vastgesteld dat het de verwachting was dat de groep Colombianen gewapend zouden zijn en dat mogelijk sprake zou kunnen zijn van een gewelddadige confrontatie. En dat met het oog hierop de medeverdachten ook een vuurwapen hebben meegenomen. Wat betreft de wetenschap van de verdachte heeft het hof ook bij zijn oordeel betrokken dat de verdachte in Alkmaar aanwezig was bij een ontmoeting met andere betrokkene [medeverdachte 5] , die een organiserende en sturende rol had, en instructies heeft gekregen over wat er in [plaats] moest gebeuren. En dat de verdachte zich in de worsteling met het slachtoffer is gaan mengen nadat al een schot had geklonken.
Deze overwegingen houden niet alleen in dat de aanmerkelijke kans bestond dat de ontvoering gepaard zou gaan met vuurwapengeweld, maar ook dat deze aanleiding zou zijn voor het gebruik van vuurwapens. De overweging van het hof dat uiteindelijk op he slachtoffer is geschoten om deze ‘uit te schakelen’ is daarmee niet in strijd.
De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte is aan te merken als ‘medepleger’ van de onder 1 bewezenverklaarde doodslag, niet zonder meer begrijpelijk is. In dat verband voeren zij aan “dat de kale omstandigheid dat binnen het criminele milieu - kort gezegd - een ripdeal wordt voorbereid, niet zonder meer meebrengt dat een medeverdachte opzet heeft op een doodslag wanneer op het moment suprême een medeverdachte een vuurwapen bij zich blijkt te hebben.”
De stellers van het middel wijzen ter onderbouwing op een arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2020. Het hof had in die zaak de vaststelling dat de verdachte op de hoogte was van het bezit van een vuurwapen bij de medeverdachte (de latere schutter) niet zozeer gebaseerd op de bewijsmiddelen, als wel (uitsluitend) op de algemene ervaringsregel dat bij de gezamenlijke uitvoering van een gezamenlijk voorgenomen ripdeal in het kader van een grote partij drugs het ‘in de lijn der verwachting’ ligt dat (door beide partijen) wapens meegebracht worden en deze indien nodig ook zullen worden gebruikt en dat zowel de verdachte als medeverdachte (de kennelijke schutter) hiervan op de hoogte waren. Het hof wijst er daarbij op dat een ripdeal gepaard gaat met het nodige gevaar en overleg vergt over de rolverdeling. Het niet inlichten van de verdachte over het wapen zou een wezenlijk risico voor zowel de verdachte als medeverdachte met zich brengen en dan ook niet voor de hand liggen. De Hoge Raad casseerde en oordeelde dat:
“2.4 Het oordeel van het Hof dat de verdachte het voor het medeplegen vereiste opzet op de door [betrokkene 1] gepleegde poging tot doodslag heeft gehad, is niet toereikend gemotiveerd. Het Hof heeft weliswaar vastgesteld dat de verdachte en [betrokkene 1] het plan hadden opgevat een partij hennep weg te nemen zonder te betalen en dit plan gezamenlijk hebben uitgevoerd, maar uit de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen – die, kort gezegd, op dit punt inhouden dat [betrokkene 1] met de verdachte de afspraak heeft gemaakt om vals geld te geven en de partij hennep mee te nemen, dat de verdachte wist dat het door [betrokkene 1] geprepareerde bundeltje grotendeels nepgeld betrof en dat zij zich verder “helemaal niet” hebben voorbereid op de afspraak – blijkt niet dat in enigerlei vorm een afspraak is gemaakt over het gebruik van een wapen, dan wel dat de verdachte wist dat [betrokkene 1] voor de uitvoering van het plan een wapen had geleend of zich bewust was van de mogelijkheid van het gebruik van een wapen door [betrokkene 1] bij die uitvoering dan wel dat de verdachte, nadat [betrokkene 1] begon met schieten, op enigerlei wijze heeft bijgedragen aan de poging tot doodslag. Anders dan kennelijk door het Hof is geoordeeld, kan het voor medeplegen vereiste opzet van de verdachte op de poging tot doodslag niet uitsluitend worden aangenomen op de gronden dat bij het dwingen van personen om waardevolle spullen af te staan dan wel het daartoe oplichten van personen binnen een crimineel milieu het in de lijn der verwachting ligt dat over en weer wapens worden meegebracht en zo nodig worden ingezet en dat het niet voor de hand ligt dat het meebrengen van een wapen niet bekend is bij of bekend wordt gemaakt aan een mededader.”
In de onderhavige zaak is mijn inziens het oordeel van het hof dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid en het mogelijke gebruik van een wapen ingebed in meer feiten en omstandigheden dan in de zaak die ten grondslag lag aan het arrest van 18 februari 2020. Uit de hiervoor aan gehaalde overwegingen van het hof volgt dat het hof in de onderhavige zaak (zij het ook met gebruik van algemene ervaringsregels) op andere en meer concrete gronden heeft vastgesteld dat de verdachte op de hoogte was van het vuurwapenbezit en van het mogelijke gebruik ervan bij de medeverdachte(n), namelijk, kort gezegd, dat gepoogd werd het lid van een gewapende groep te ontvoeren, terwijl de medeverdachten juist om die reden zelf wapens hadden meegenomen.
Het hof heeft op grond van deze feiten en omstandigheden geoordeeld en kunnen oordelen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden door vuurwapengeweld vanuit de dadergroep waar de verdachte deel van uitmaakte, door uitvoering te geven aan het ontvoeringsplan met de wetenschap dat er (een) wapen(s) werd(en) meegenomen en het gebruik daarvan niet werd geschuwd, en waarbij met het slachtoffer een directe confrontatie werd aangegaan en werd geworsteld.
De stellers van het middel hebben verder aangevoerd dat de overwegingen van het hof elementen bevatten die zo zouden kunnen worden uitgelegd dat het hof niet is uitgegaan van opzet maar van culpa. Deze klacht ontbeert feitelijke grondslag, omdat de overwegingen van het hof dienen te worden gelezen in de context van de in duidelijke bewoordingen gestelde conclusie van het hof dat sprake was van voorwaardelijk opzet.
Ten slotte faalt ook de klacht dat het hof in zijn motivering van het opzet onvoldoende aandacht heeft besteed aan de vaststelling dat de verdachte na het tweede schot naar de auto van [medeverdachte 1] is gelopen. Het hof heeft immers overwogen dat de verdachte door “uitvoering te geven aan het ontvoeringsplan, waarbij met het slachtoffer een directe confrontatie werd aangegaan en werd geworsteld” bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden. De verdachte heeft deze handelingen verricht ook ná het eerste schot. In dit licht acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof het gegeven dat de verdachte zich na het tweede schot heeft verwijderd van de plaats waar de worsteling en het schieten plaatsvond, kennelijk niet heeft aangemerkt als een indicatie dat de verdachte nooit de kans heeft aanvaard dat op het slachtoffer zou worden geschoten waardoor deze zou komen te overlijden.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
6 Het vierde middel
Het vierde middel heeft betrekking op de door het hof onder feit 2 bewezenverklaarde strafverzwarende omstandigheid, te weten dat het feit de dood ten gevolge heeft.
Het algemene juridisch kader
De tenlastelegging is toegesneden op art. 282 lid 1 en 3 Sr. Deze luiden als volgt:
“1. Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid berooft of beroofd houdt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.
(…)
3. Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
Art. 45 lid 1 Sr luidt:
“Poging tot misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard.”
De combinatie van art. 282 lid 1 en 3 Sr levert een door het gevolg gekwalificeerd delict op waarbij het gevolg geobjectiveerd is, dat wil zeggen dat het aan het opzetvereiste is onttrokken. Of een causaal verband bestaat tussen de vrijheidsberoving en het bestanddeel “de dood ten gevolge”, dient te worden beoordeeld aan de hand van de redelijke toerekening. Het hof heeft aan dit criterium getoetst en daar wordt in het middel ook niet over geklaagd. Wat de stellers van het middel wel aanvoeren, is dat het hof daarbij is uitgegaan van een oorzaak van het overlijden die, in de woorden van Knigge, niet rechtens relevant is. Zij betogen dat de strafverzwarende omstandigheid uit art. 282 lid 3 Sr alleen dan van toepassing is als de dood het gevolg is van de vrijheidsbeneming als zodanig, in die zin dat het moet gaan om een voltooide wederrechtelijke vrijheidsberoving waarbij de dood het directe gevolg is van de vrijheidsberoving. Voor zover ik kan nagaan, heeft de Hoge Raad zich nog niet uitgelaten over de vraag of toepassing kan worden gegeven aan de strafverzwarende omstandigheid uit art. 282 lid 3 Sr indien de vrijheidsberoving niet is voltooid.
Het antwoord op deze vraag is, wat mij betreft, ook niet eenvoudig. Aan de ene kant heeft de wetgever de strafbaarheid van de poging slechts voor een enkel delict expliciet uitgesloten. Dit veronderstelt een voor het overige algemene toepasbaarheid van art. 45 Sr. Ook de tekst van art. 282 Sr sluit niet zonder meer uit dat daaronder ook de poging tot vrijheidsberoving kan vallen die de dood ten gevolge heeft gehad. Het derde lid van dit artikel verwijst naar “het feit” en dit kan in beginsel ook het strafbare feit zijn zoals daaraan uitbreiding is gegeven in de titels van het Wetboek van Strafrecht over poging en deelneming.
Aan de andere kant wringt er iets. In de wettelijke omschrijving van gekwalificeerde gevolgsdelicten is dit gevolg verbonden aan specifieke elementen, zoals een bepaald in het leven geroepen gevaar (zoals brandstichting met levensgevaar, art. 157 onder 3º Sr) of enkel aan een bepaalde handeling (zoals verzet tegen een ambtenaar, art. 180 jo. 181 onder 3º Sr). Soms is die handeling in de delictsomschrijving ook verbonden aan een bepaald ander gevolg (zoals dwingen tot een ambtsverrichting, art. 179 Sr jo. 181 onder 3º, of het ongeschikt maken voor dienst in het leger, art. 206 lid 1 onder 2º en lid 2 Sr). De gedraging die het begin van uitvoering is van het voornemen een dergelijk feit te plegen, kan nog ver afstaan van het gevaar of de handeling waaraan de wet het gevolg verbindt. Daar komt bij dat in de parlementaire geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht tot uitdrukking is gebracht dat sommige delicten in pogingsvorm niet denkbaar zijn:
“Het is onnoodig de poging straffeloos te verklaren bij die vele misdrjjven, waarvan in regtskundigen zin geen poging denkbaar is, waartoe alle delicta culposa, voorts alle delicta omissionis maar ook vele delicta commissionis behooren.”
In dit citaat worden de gekwalificeerde gevolgsdelicten niet specifieke genoemd, maar in de literatuur wordt daar wel op ingegaan in deels dezelfde bewoordingen als de geciteerde toelichting. Lindenberg en Wolswijk stellen dat een poging tot een misdrijf met strafverzwarende gevolgen “vaak niet denkbaar” zal zijn, omdat het meestal gaat om de gevolgen van het voltooide gronddelict. Die gevolgen zullen juist niet intreden in geval van een poging. Zij noemen de vrijheidsberoving met de dood ten gevolg daarbij als voorbeeld. Ook De Hullu en Van Kempen achten een poging tot een geobjectiveerd gevolgsdelict “veelal moeilijk voorstelbaar”, omdat dan niet kan worden vastgesteld dat het voltooide delict een gevolg, zoals de dood, tot gevolg zou hebben gehad.
Zie ik het goed, dan verwoorden deze auteurs niet zozeer dat in het systeem van de wet een poging niet mogelijk is of niet is toegestaan, maar eerder dat deze in de praktijk vrijwel niet kan voorkomen omdat het gevolg niet zal intreden en dan niet kan worden vastgesteld dat de poging tot dit gevolg zou leiden. Van Veen zegt het als volgt:
“Ook zal de poging zelden gericht zijn op gevolgen van het delict die straf verzwarend werken. Want die gevolgen treden bijna steeds op na voltooiing van het delict: Brandstichting, die de dood ten gevolge heeft (art. 157, 3° Sr), zware mishandeling, die de dood ten gevolge heeft (art. 302 lid 2 Sr). Doordat het bij een poging is gebleven zullen meestal die gevolgen nu juist niet intreden. En die gevolgen zullen ook niet in het ‘Tatplan’ van de pleger hebben gezeten. Was dat wel het geval, hem zou poging tot moord worden verweten.”
Hij sluit daarmee niet geheel uit dat de gevolgen ook bij een poging zullen intreden, maar lijkt er ook van uit te gaan dat dergelijke gevallen dan niet ten laste zullen worden gelegd. Dat is hier wel gebeurd en hierna ga ik nader in op dergelijke tenlastegelegde feiten waarin de dood wel is ingetreden, maar het grondfeit niet is voltooid.
De Hoge Raad heeft inmiddels in zaken over diefstal met geweld en afpersing aanvaard dat bij een poging daartoe ook de strafverzwarende omstandigheid ‘de dood ten gevolg’ bewezen kan worden verklaard. In HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2105 was de verdachte veroordeeld wegens – kort gezegd – een poging tot afpersing, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft. Uit de bewijsvoering van het hof volgde dat de verdachte en zijn medeverdachten hadden afgesproken dat twee medeverdachten de woning van het slachtoffer binnen zouden gaan, dat één van hen het slachtoffer zou vasthouden en de ander hem om de pinpas en de code zou vragen. De verdachte zou met een andere medeverdachte op de uitkijk gaan staan. Toen het slachtoffer zich hevig verzette heeft een van de medeverdachten het slachtoffer met messteken om het leven gebracht. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en overwoog dat de poging tot afpersing en dood van het slachtoffer in zodanig verband stonden dat de dood van het slachtoffer als gevolg van die poging redelijkerwijs aan de verdachte kon worden toegerekend.
Ik twijfel echter of hieruit kan worden afgeleid dat er geen wettelijke of wetssystematische beperkingen zijn in de gedragingen waaraan het gevolg redelijkerwijs kan worden toegerekend. De redelijke toerekening is een open maatstaf waarin verschillende factoren gewicht in de schaal kunnen leggen, waaronder de strekking van het delict. Dit betekent dat het bepalen van de causaliteit kan afhangen van het specifieke delict. Voor de gekwalificeerde gevolgsdelicten is dan van belang dat uit de delictsomschrijving kan volgen dat de wetgever een bepaald causaliteitsverband voor ogen heeft gestaan. Daarover zou in grote lijnen het volgende kunnen worden gesteld als het gaat om de poging een dergelijk delict te plegen.
Een grove inventarisatie van de gevallen waarin het Wetboek van Strafrecht het intreden van de dood als geobjectiveerde strafverzwarende omstandigheid verbindt aan een delict, geeft een indeling in een aantal typen delicten. Verreweg het meest voorkomend zijn de al genoemde gevaarzettingsdelicten, zowel die waarin het ontstaan van gevaar deel uitmaakt van de delictsomschrijving (concrete gevaarzettingsdelicten, zoals brandstichting met levensgevaar) als die waarin niet relevant is of het gevaar reëel is geweest (abstracte gevaarzettingsdelicten, bijvoorbeeld iemand in hulpeloze toestand brengen, art. 255 jo. 257 lid 2 Sr). Bij de concrete gevaarzettingsdelicten staat het gevaar zodanig centraal in de omschrijving en het doel van de strafbaarstelling, dat ik niet inzie dat het gevolg een andere oorzaak zou mogen hebben dan het daadwerkelijk gerealiseerde gevaar dat de strafbaarstelling wil tegengaan. Dit sluit vrijwel uit dat de dood het rechtens relevante gevolg kan zijn van een poging een concreet gevaarzettingsdelict te begaan.
Bij andere typen delicten blijkt een oorzaak van het gevolg eveneens duidelijk uit de delictsomschrijving, maar is het wel mogelijk deze oorzaak binnen een poging te realiseren. Gewezen kan worden op het hiervoor beschreven arrest over de mislukte afpersing. Het gevolg van de dood (art. 312 lid 3 Sr en 317 lid 3 Sr) is al op het niveau van de tekst van de wet met dit geweld verbonden. Wanneer vervolgens de uitvoeringshandelingen van de poging (mede) hebben bestaan uit het uitoefenen van geweld, staat de wet niet in de weg aan bewezenverklaring van deze strafverzwarende omstandigheid. Ook bij andere door het gevolg gekwalificeerde delicten maakt het uitoefenen van geweld in meer of mindere mate deel uit van de delictsomschrijving. Gewezen kan worden op openlijke geweldpleging (art. 141 lid 1 en lid 2 onder 3º Sr) en vechterij (art. 306 onder 2º Sr).
Bij de resterende typen delicten is het beeld diffuser. Daarbij kan ten eerste worden gedacht aan de abstracte gevaarzettingsdelicten. Het gevaar dat dergelijke strafbaarstellingen willen tegengaan is niet op het niveau van de wettekst opgenomen. Het is voor een bewezenverklaring dus niet vereist dat dit gevaar zich heeft verwezenlijkt, maar dit kan in een concrete zaak wel feitelijk het geval zijn. Ten tweede zijn er de delictsomschrijvingen waarin het gebruik van geweld minder centraal staat en dit slechts één van de mogelijke middelen is om het delict te plegen, naast andere. Als voorbeeld kan mensenhandel worden gegeven (art. 273f lid 1 en 5 Sr), waar in het eerste lid naast “geweld” onder andere ook “misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht” wordt genoemd als middel om een ander te werven. Ten derde zijn er de delictsomschrijvingen waarin geen afzonderlijke uitvoeringshandelingen staan beschreven, zoals bij de vrijheidsberoving die in deze zaak aan de orde is.
In al deze gevallen is de (on)mogelijkheid van de toerekening van een gekwalificeerd gevolg aan een poging minder duidelijk dan bij een concreet gevaarzettingsdelict en bij de poging die bestaat uit het gebruik van geweld terwijl dit geweld centraal staat in de delictsomschrijving. Dit betekent echter niet dat de door de wetgever als uitgangspunt genomen band tussen het voltooide strafbare feit en het gevolg voor de beoordeling van die toerekening van geen enkel belang meer is. De mate waarin de poging het feit te begaan dichter bij die band komt, dient naar mijn idee te worden meegenomen in de beoordeling of het gevolg aan dit feit redelijkerwijs kan worden toegerekend.
Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat aansluiting wordt gezocht bij de ratio van de strafbaarstelling, meer specifiek dat wordt bekeken of het gevaar waartegen een abstract gevaarzettingsdelict wil beschermen zich heeft verwezenlijkt en mede ten grondslag ligt aan het intreden van het gevolg. Verder zou bijvoorbeeld kunnen worden bezien of de uitvoeringshandelingen voldoende concreet en vergevorderd zijn waardoor de voltooiing van het feit dicht is genaderd.
De literatuur en de rechtspraak over art. 282 en 282a Sr
In het door mij voorgestane juridisch kader dient steeds naar het specifieke delict te worden gekeken. In dit geval is dat de vrijheidsberoving, waarbij ook aansluiting kan worden gezocht bij de sterk daarop lijkende gijzeling. De stellers van het middel hebben zich beroepen op rechtspraak over deze strafbepaling waaruit zij afleiden dat enkel de vrijheidsberoving als zodanig het gevolg van de dood in het leven kan roepen. Waar die vrijheidsberoving niet tot stand komt, zoals bij een poging, kan dit gevolg daarom volgens hen niet worden bewezenverklaard.
Noyon/Langemeijer stelt hierover dat hier de vraag moet worden beantwoord “of de gevangenneming de waarschijnlijkheid van het overlijden heeft verhoogd”. Van Bemmelen & Van Veen/De Jong & Knigge stellen: “Indien door wederrechtelijke vrijheidsberoving de dood wordt veroorzaakt is duidelijk gedacht aan psychische en psychologische druk, dan wel aan het geval dat de gegijzelde door een kogel wordt geraakt en niet aan het geval dat de verblijfplaats van de gevangene door de bliksem wordt getroffen.” Deze schrijvers laten daarmee nog veel ruimte bij de beoordeling van de causaliteit.
Ik zal verder een drietal arresten bespreken over de vrijheidsberoving of gijzeling die de dood ten gevolge heeft. Daarbij maak ik op voorhand twee opmerkingen. Ten eerste dat geen van die arresten betrekking heeft op een poging tot vrijheidsberoving of gijzeling. Ten tweede dat het oordeel over de toerekening van het gevolg mede afhankelijk is van de bewezenverklaring zoals die in het concrete geval is gevolgd. De Hoge Raad neemt bij het oordeel over de toerekening immers steeds de vrijheidsberoving ‘zoals bewezenverklaard’ tot uitgangspunt. Dit noodzaakt tot voorzichtigheid bij het trekken van algemene conclusies. Ik zal hieronder steeds de relevante elementen van de bewezenverklaring vermelden.
Het eerste arrest is HR 22 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1277, NJ 1999/104, m.nt. De Hullu. In de zaak die ten grondslag lag aan dit arrest werd het slachtoffer gegijzeld in de zin van art. 282a Sr. Na zes weken te zijn gegijzeld is het slachtoffer gewurgd en later in het water aangetroffen. Het hof had in het bestreden arrest geen aparte motivering gewijd aan de vraag of de dood het gevolg was geweest van de gijzeling. In cassatie werd onder meer geklaagd dat uit de bewijsmotivering niet kan worden afgeleid op grond waarvan aan de verdachte het overlijden van het slachtoffer redelijkerwijs kan worden toegerekend. De Hoge Raad casseerde en oordeelde dat de gebezigde bewijsmiddelen niets inhielden waaruit kan worden afgeleid dat de dood van het slachtoffer “het gevolg is geweest van de wederrechtelijke vrijheidsberoving zoals is bewezenverklaard”.
De stellers van het middel doen vooral een beroep op de conclusie van AG Van Dorst voorafgaand aan dit arrest. De AG ziet een beperking in de verhouding tussen de vrijheidsberoving en het gevolg van de dood. Hij leidt uit de door hem geciteerde wetsgeschiedenis af “dat toepassing van de strafverzwaringsgrond van art. 282a lid 2 Sr eerst mogelijk is indien vaststaat dat de vrijheidsbeneming zelf de oorzaak is geweest van de later ingetreden dood van het slachtoffer. (…) De dood evenwel die is veroorzaakt door de wijze waarop het slachtoffer tijdens de vrijheidsberoving is behandeld, heeft de wetgever kennelijk als een connex doch afzonderlijk te vervolgen strafbaar feit gezien, maar niet als een strafverzwarende omstandigheid.”
De wetsgeschiedenis waar Van Dorst naar verwijst, is in de eerste plaats die bij art. 282 Sr zelf. Hij wijst op een discussie tussen de Tweede Kamer en de minister, waarbij de Tweede Kamer het standpunt innam dat de vrijheidsberoving zelf niet de oorzaak kan zijn van de dood, zodat aan de wettelijke strafverzwaringsgronden geen behoefte bestond. De minister antwoordde:
“De Minister gelooft dat wederrechtelijke opsluiting, waar ook, op zich zelve, en ook zonder bepaalde mishandeling, de gezondheid kan benadelen, misschien zelfs iemand krankzinnig maken of doen wegkwijnen. De voorzichtigheid gebiedt alzoo de verzwarende omstandigheden te behouden.”
Ook verwijst Van Dorst naar de wetsgeschiedenis bij art. 282a Sr dat in 1989 is ingevoerd. Dit artikel over de gijzeling is nauw verwant aan - het in de onderhavige zaak van toepassing zijnde - art. 282 Sr in die zin dat beide artikelen het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden strafbaar stellen, met dien te verstande dat art. 282a Sr daarbij een bijzonder oogmerk vereist. In zowel de memorie van toelichting als in de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer worden opmerkingen gemaakt over de verhouding tussen de gijzeling en het doden van het slachtoffer:
“De delegatie van het Koninkrijk heeft tijdens de onderhandelingen over het Verdrag voorgesteld, dit ook betrekking te laten hebben op ernstige geweldsmisdrijven, in de loop van een gijzeling tegen de gijzelaars gepleegd. Belang van dit voorstel was dat, wanneer na een ontvoering een gijzelaar door de ontvoerder om het leven wordt gebracht, bij voorbeeld omdat aan zijn eisen niet wordt tegemoet gekomen, de ontvoerder niet alleen weder rechtelijke vrijheidsberoving, maar ook moord ten laste gelegd zal kunnen worden, met mogelijkheden van een hogere strafoplegging.
De Verdragspartijen die, zoals Nederland, alleen op grond van dit Verdrag voor het door dit Verdrag bestreken delict aan sommige andere Verdragspartijen kunnen uitleveren, zullen, nu uiteindelijk het voorstel het Verdrag ook op connexe misdrijven van toepassing te laten zijn is verworpen, in zo'n geval uitlevering alleen voor het door het Verdrag bestreken delict gijzeling kunnen toestaan maar niet voor moord. De verzoekende Staat zal vervolgens ook niet de moord ten laste mogen leggen, als gevolg van de werking van hetz.g. specialiteitsbeginsel (vgl. art. 12 Uitl.wet).”
en
“'Evenals het voorafgaand artikel 282, is artikel 282a Sr. geformuleerd als een delict, dat onder omstandigheden door het gevolg wordt gekwalificeerd. Deze gevolgen — zwaar lichamelijk letsel of de dood — dienen door het feit van gijzeling te zijn veroorzaakt, doch niet is vereist dat het opzet van de dader daarop gericht was, noch dat deze aan zijn schuld te wijten zijn geweest. Is aantoonbaar dat de dader opzettelijk zwaar lichamelijk letsel of de dood heeft veroorzaakt, of daaraan schuld heeft, dan kan dit als zelfstandige feiten in samenhang met de gijzeling worden beschouwd en ten laste gelegd. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen of er dan sprake is van een eendaadse samenloop in de zin van artikel 56 Sr of van meerdaadse samenloop in de zin van artikel 57 Sr.
Een gijzeling die uiteindelijk uitmondt in de 'executie' van de gijzelaar is dan ook op grond van de artikelen 282a, 289 en 57 Sr. met levenslange gevangenisstraf bedreigd.”
Omdat een nadere motivering in het arrest ontbreekt, is onduidelijk in hoeverre de Hoge Raad hier de redenering van Van Dorst geheel of gedeeltelijk volgt. Niet uitgesloten is dat de Hoge Raad vooral heeft gekeken naar de relatie van het overlijden met hetgeen bewezen is verklaard. Deze bewezenverklaring hield niet in dat het slachtoffer beroofd werd gehouden, maar enkel dat hij van zijn vrijheid was beroofd. Als handelingen waaruit die vrijheidsberoving heeft bestaan, zijn bewezenverklaard het vastbinden van de handen, het plaatsen van een zak over het hoofd, het meevoeren uit de woning en het plaatsen in een auto. Het wurgen komt hier niet in terug.
In zijn noot onder het arrest staat De Hullu ook een ruimere opvatting voor dan Van Dorst. Hij stelt zich op het standpunt dat uit de wetsgeschiedenis niet dwingend valt af te leiden dat de dood die is veroorzaakt door de wijze waarop het slachtoffer tijdens de vrijheidsberoving is behandeld (altijd) buiten het bereik van de strafverzwarende omstandigheid uit art. 282a lid 2 Sr valt. Bovendien zou zo'n beperkte invulling niet passen bij het “algemene, open criterium van de redelijke toerekening” en ook systematisch ziet hij er geen redelijke grond voor.
In de zaak die ten grondslag lag aan het volgende arrest, HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5772, was het slachtoffer in het kader van een conflict over drugs op Curaçao opgewacht en meegenomen naar een afgebrand huis. Daar is hij vastgehouden en geslagen en geschopt door de verdachte en twee anderen. Hij is aan de handen en voeten gebonden en met een vuurwapen bedreigd. Vervolgens is hij in de kofferbak van een auto gelegd en door twee medeverdachten meegenomen naar een andere plaats en door een van hen doodgeschoten. eHet hof had dit bewezenverklaard als van de vrijheid beroven en beroofd houden. De hier beschreven uitvoeringshandelingen maakten onderdeel uit van de bewezenverklaring, behalve het doodschieten zelf. Het hof achtte niettemin bewezen dat de dood het gevolg was van de door de verdachte medegepleegde wederrechtelijke vrijheidsberoving, omdat deze voor de verdachte voorzienbaar was
De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden “afgeleid dat tussen de ten laste van de verdachte en zijn mededaders bewezenverklaarde vrijheidsberoving en de dood van het slachtoffer een zodanig verband heeft bestaan dat de dood redelijkerwijs als gevolg van die vrijheidsberoving aan de verdachte kan worden toegerekend.” Deze keer liet de Hoge Raad het echter niet bij deze overweging. Hij vervolgde: “Daarbij verdient nog opmerking dat de feiten waarop het Hof zijn oordeel omtrent [de] voorzienbaarheid heeft gebaseerd geen uitsluitsel geven over de vraag of en in hoeverre de vrijheidsberoving als zodanig heeft bijgedragen aan de dood van het slachtoffer.”
De Hoge Raad lijkt hier dus aansluiting te zoeken bij de opvatting van Van Dorst, maar ik lees hierin niet dat enkel de vrijheidsbeneming als zodanig oorzaak kan zijn van de dood. Van het hof wordt immers alleen verwacht uitsluitsel te geven over de bijdrage aan het overlijden van de vrijheidsberoving als zodanig. Daaruit kan worden afgeleid dat bij het oordeel over de redelijke toerekening ook andere oorzakelijke factoren kunnen worden betrokken. Die bijdrage lijkt wel van enig gewicht te moeten zijn, omdat het er niet alleen om gaat “of” die bijdrage er was, maar ook “in hoeverre”. In die zin kan de ‘opmerking’ van de Hoge Raad worden aangemerkt als een correctie op het feit dat het hof enkel de voorzienbaarheid heeft betrokken in zijn oordeel over de redelijke toerekening en niet ook de specifieke aard van de strafbaarstelling van de vrijheidsberoving.
Het laatste arrest is HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:493. In de zaak waar dit arrest over gaat, was het slachtoffer gedwongen in een auto plaats te nemen waarna hij is meegenomen naar een strandje in Almere. Daar is hem een vuurwapen getoond en is er fysiek geweld op hem toegepast, waarna het slachtoffer probeerde te vluchten door het water in te gaan en is verdronken. Het hof achtte al deze in de tenlastelegging opgenomen omstandigheden bewezen en daarmee ook het beroofd houden van de vrijheid en dat dit de dood ten gevolge had. Het hof overwoog daarbij dat het slachtoffer, als gevolg van het handelen van de verdachte en zijn mededaders, in een “uitermate bedreigende en op dat moment ook voor hem uitzichtloze situatie” verkeerde, waardoor hij “kennelijk geen andere uitweg ziende, een risicovolle vluchtpoging heeft ondernomen”.
In het arrest stelt de Hoge Raad voorop dat de maatstaf van de redelijke toerekening moet worden aangelegd bij het oordeel of een causaal verband bestaat tussen de “in de bewezenverklaring omschreven gedragingen” en de dood van het slachtoffer. Hier wordt dus niet de vrijheidsberoving als oorzaak genoemd (laat staan de vrijheidsberoving als zodanig). Even verderop gebeurt dat wel, maar ook daar komen ‘de gedragingen’ weer om de hoek kijken: “Het hof heeft geoordeeld dat het overlijden van [slachtoffer] redelijkerwijs als gevolg van de wederrechtelijke vrijheidsberoving (mede) aan de verdachte kan worden toegerekend. Het hof heeft aan dat oordeel onder meer ten grondslag gelegd dat [slachtoffer] als gevolg van de gedragingen van de verdachte en zijn mededaders in een “uitermate bedreigende en op dat moment voor hem ook uitzichtloze situatie” verkeerde en [slachtoffer] tegen die achtergrond kennelijk geen andere uitweg zag dan het ondernemen van een risicovolle vluchtpoging door het water in te gaan, wat hem fataal is geworden. Dat mede op die omstandigheden gebaseerde oordeel van het hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.”
Dit zou zo kunnen worden uitgelegd dat niet alleen de vrijheidsberoving als zodanig als oorzaak van de dood in aanmerking moet worden genomen, maar ook het bewezenverklaarde concrete gedrag van de verdachte (en diens mededaders), waarbij in aanmerking moet worden genomen dat in de overwegingen van het hof onmiskenbaar besloten ligt dat de (voortdurende) vrijheidsberoving, waardoor het slachtoffer letterlijk geen andere kant op kon dan het water, heeft bijgedragen aan diens dood. Deze uitleg zou meer aansluiten bij de beschreven opvatting van De Hullu dat een beperkte invulling niet past bij het algemene, open criterium van de redelijke toerekening. Dat zou ook aansluiten bij de constatering dat in de arresten uit 1999 en 2005 de handeling die daadwerkelijk de dood veroorzaakte niet was opgenomen in de bewezenverklaring.
Al met al zie ik geen reden waarom binnen het door mij uiteengezette algemeen juridisch kader zou moeten worden geoordeeld dat een poging tot vrijheidsberoving nooit de dood ten gevolg kan hebben. Wel zullen bij het oordeel over toerekening de specifieke omstandigheden van het geval moeten worden betrokken, waaronder de mate waarin de uitvoeringshandelingen van de poging de daadwerkelijke vrijheidsberoving nadert.
De bespreking van het middel
In de onderhavige zaak is bij de uitvoering van de bewezenverklaarde poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving het slachtoffer om het leven gekomen. Het hof heeft in dat verband onder meer vastgesteld dat de verdachte heeft deelgenomen aan een plan dat inhield dat het slachtoffer op klaarlichte dag op een parkeerplaats met geweld zou worden ontvoerd om hem vervolgens vast te houden. Tijdens de poging om het slachtoffer te ontvoeren ontstaat er een worsteling. De verdachte stapt tijdens deze worsteling uit de auto om deel te nemen aan die worsteling, waarna er (weer) een harde knal klinkt. Terwijl de worsteling nog gaande is, loopt de verdachte naar de BMW X5 van [medeverdachte 1] . Dan zijn er meerdere knallen te horen, waarna het slachtoffer liggend op de grond achterblijft om vervolgens in de Ford Focus getild te worden. Het hof stelt vervolgens vast dat de politie de Ford Focus rijdend nabij [plaats] aantreft met daarin een ernstig gewond slachtoffer en dat het slachtoffer ter plaatse is overleden. Op basis van het NFI rapport stelt het hof kortgezegd nog vast dat “het overlijden van het slachtoffer zonder meer wordt verklaard door inwendige letsels als gevolg van” inschot- en doorschotletsels..
In de overwegingen van het hof ligt besloten dat de dood niet zou zijn ingetreden als de poging tot ontvoering niet had plaatsgevonden. Het schieten op het slachtoffer is ook als uitvoeringshandeling van de poging bewezenverklaard. De vaststelling door het hof dat de verdachte en zijn medeverdachten van plan waren het slachtoffer met geweld te ontvoeren en dat een aantal van hen “uitrusting” meenam, houdt in dat het gevolg voor de verdachte voorzienbaar was. De vaststellingen van het hof dat een worsteling gaande was waarin vier mensen probeerden het slachtoffer in een auto te duwen, kunnen ten slotte niet anders worden uitgelegd dan dat de vrijheidsberoving bijna (zo niet geheel) was voltooid. Het hierop gebaseerd oordeel van het hof dat een zodanig verband bestaat tussen de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving en de dood van het slachtoffer, dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend, acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
7 Het tweede middel
Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaringen van het onder 1 en 2 tenlastegelegde innerlijk tegenstrijdig zijn, omdat de bewezenverklaring van de doodslag naar zijn aard niet zou kunnen bestaan naast de bewezenverklaring van de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving, terwijl dit feit de dood tot gevolg heeft.
Ik zie echter niet in waarom de bewezenverklaring van doodslag op het slachtoffer niet zou kunnen bestaan naast (een poging tot) wederechtelijke vrijheidsberoving met de dood van hetzelfde slachtoffer tot gevolg. Dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer sluit immers niet uit dat de verdachte ook opzet heeft gehad op het wederrechtelijk van zijn vrijheid beroven of beroofd houden van hetzelfde slachtoffer, ten gevolge waarvan het slachtoffer is komen te overlijden. Uiteindelijk dient de vraag of de gedragingen die door de verdachte zijn verricht in het kader van de (poging tot) wederrechtelijke vrijheidsberoving, zoals bewezenverklaard, en de dood van het slachtoffer in een zodanig verband tot elkaar staan dat de dood aan de gedragingen kan worden toegerekend, op zichzelf te worden beoordeeld. De omstandigheid dat de dood van het slachtoffer mogelijk ook het gevolg is geweest van een ander strafbaar feit, zoals doodslag of moord, doet niet af aan deze beoordeling. Indien beide feiten bewezen worden verklaard, kunnen de regels inzake samenloop worden toegepast.
Dat betekent dat van tegenstrijdigheid tussen het onder feit 1 en 2 bewezenverklaarde geen sprake is, zodat het tweede middel faalt.
8 Het vijfde middel
Het vijfde middel klaagt over het oordeel van het hof dat de bewezenverklaarde gedragingen meerdaadse samenloop als bedoeld in art. 57 Sr opleveren. De stellers van het middel voeren in dat verband aan dat het hof door te overwegen dat het doden van het slachtoffer “niet op te vatten [is] als een noodzakelijk vrijheidsberoving” blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel dat het oordeel dat sprake is van meerdaadse samenloop onbegrijpelijk is.
Zowel de advocaat-generaal als de raadsman van de verdachte hebben in hoger beroep zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde eendaadse samenloop oplevert. Het hof heeft in afwijking hiervan geoordeeld dat de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten dienen te worden beschouwd als meerdaadse samenloop. Het hof heeft dat oordeel in de overwegingen over de op te leggen straf als volgt gemotiveerd:
“Het hof stelt voorop dat, anders dan de advocaat-generaal en de verdediging hebben betoogd, de bewezenverklaarde feiten dienen te worden beschouwd als meerdaadse samenloop, zoals bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof stelt vast dat de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving reeds was aangevangen en dat het latere gebruik van dodelijk geweld, te weten het meermalen op het slachtoffer schieten, een afzonderlijke, op zichzelf staande gedraging vormt. Dit schieten had immers niet tot doel de vrijheidsberoving alsnog te voltooien, maar was kennelijk gericht op het uitschakelen van het slachtoffer dat zich verzette. Het doden van het slachtoffer is derhalve niet op te vatten als een noodzakelijk of onvermijdelijk bestanddeel van de poging tot vrijheidsberoving. Aldus is sprake van twee onderscheiden feiten, hetgeen meerdaadse samenloop oplevert.”
De Hoge Raad heeft in 2017 in twee arresten algemene opmerkingen gemaakt over eendaadse samenloop, voortgezette handeling en meerdaadse samenloop. In HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111 is over (de verhouding tussen) de verschillende figuren (met weglating van de voetnoten) het volgende overwogen:
“2.7 In de rechtspraak van de Hoge Raad over eendaadse samenloop is gaandeweg sterk het accent komen te liggen op de strekking van de aan de orde zijnde strafbepalingen. Indien die strekking uiteenloopt, is geen sprake van "één feit" in de zin van art. 55, eerste lid, Sr. Deze sterk juridisch getinte toetsing met een nadruk op de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, leidt tot een beperkt bereik van de regeling van de eendaadse samenloop.
Uit die rechtspraak moet echter niet worden afgeleid dat eenzelfde strekking een noodzakelijke voorwaarde is voor het aannemen van eendaadse samenloop, zoals blijkt uit de recente jurisprudentie over het witwassen en de heling van dezelfde voorwerpen. Dat de strafbaarstelling van witwassen in sterkere mate dan bij heling het geval is, strekt ter bescherming van de integriteit van het financiële en economische verkeer, staat aan het aannemen van eendaadse samenloop niet in de weg indien het gaat om - naar de kern genomen - hetzelfde feitencomplex.
Evenmin is uitgesloten dat sprake is van een voortgezette handeling in de zin van art. 56, eerste lid, Sr van heling en witwassen indien aan de gedragingen van de verdachte met betrekking tot hetzelfde voorwerp één ongeoorloofd wilsbesluit ten grondslag ligt. Dat sluit aan bij eerdere rechtspraak over de voortgezette handeling waarin - in overeenstemming met de wetsgeschiedenis - centraal staan de met elkaar samenhangende eisen dat de verschillende strafbare feiten gelijksoortig zijn, en dat zij, chronologisch gezien, een nauw verband hebben, met één ongeoorloofd wilsbesluit als grondslag.
Uit hetgeen hiervoor onder 2.6 is overwogen blijkt dat ook de wetgever zich ervan bewust is dat recente wetgeving aanleiding geeft tot zorg over dubbele bestraffing en dat tegen die zorg wordt ingebracht dat de samenloopregeling waarborgen en oplossingen biedt. Dat betekent dat de samenloopregeling - en dan meer in het bijzonder de eendaadse samenloop en de voortgezette handeling - daarvoor ook daadwerkelijk voldoende ruimte moet bieden.
Daarom moet worden benadrukt dat naar huidig inzicht een enigszins uiteenlopen van de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet in de weg staat aan het aannemen van eendaadse samenloop indien het in essentie om hetzelfde feitencomplex gaat. Een dergelijk uiteenlopen is evenmin een blokkade voor het aannemen van een voortgezette handeling.
In het bijzonder verdient dus aandacht dat de rechter ruimte heeft voor het aannemen van eendaadse samenloop of een voortgezette handeling, ook indien de bewezenverklaring valt onder meerdere strafbepalingen met een enigszins uiteenlopende strekking.
Vervolgens komt het voor de eendaadse samenloop vooral aan op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezenverklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het "wilsbesluit") zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt.
Het voorgaande brengt mee dat het toepassingsbereik van deze regelingen ruimer is dan wellicht kon worden afgeleid uit eerdere rechtspraak waarin vooral de verschillen in de strekking van de betrokken strafbepalingen centraal stonden.
De hierboven aangeduide ruimte voor eendaadse samenloop en voortgezette handeling vindt mede steun in het vooral met art. 55, eerste lid, Sr verwante art. 68 Sr dat ook dubbele bestraffing wil voorkomen. Ook in dat verband is immers bij de beantwoording van de vraag of sprake is van "hetzelfde feit" - naast de aan de orde zijnde gedraging van de verdachte - de juridische aard van de aan de orde zijnde feiten relevant, waarbij geen identieke strekking van de desbetreffende strafbepalingen is vereist, maar waarbij vooral van belang is of hun strekking niet wezenlijk uiteenloopt.
Het hiervoor onder 2.8 weergegeven toetsingskader voor "één feit" als bedoeld in art. 55, eerste lid, Sr kan echter niet worden gelijkgeschakeld met het toetsingskader voor "hetzelfde feit" in de zin van art. 68 Sr. Bij art. 68 Sr staat de vervolgbaarheid voorop, in die zin dat de verdachte niet opnieuw in rechte mag worden betrokken na een eerdere onherroepelijke rechterlijke einduitspraak over hetzelfde feit, en dat de tenlastelegging niet op de voet van art. 313 Sv aldus kan worden gewijzigd dat de verdachte alsnog wordt vervolgd voor een ander feit dan hem is tenlastegelegd. Bovendien wordt het ne bis in idem-beginsel dat aan art. 68 Sr ten grondslag ligt - anders dan de samenloop - mede bepaald door Europese regelgeving en rechtspraak.”
Tegen de achtergrond van de hier geformuleerde maatstaf, laat de overweging die het hof in de onderhavige zaak ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat sprake is van meerdaadse samenloop, zich moeilijk duiden. De zin “Het doden van het slachtoffer is derhalve niet op te vatten als een noodzakelijk of onvermijdelijk bestanddeel van de poging tot vrijheidsberoving” zou kunnen worden opgevat als een uiteenzetting over de verschillende strekking van de strafbaarstellingen van vrijheidsberoving en doodslag. Uit de feitelijke context waarin deze overweging is geplaatst, leid ik echter af dat het de conclusie van het hof weergeeft dat de bewezenverklaarde gedragingen niet in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Anders dan de stellers van het middel zie ik dan ook niet dat het hof een eis heeft gesteld die het recht niet kent.
Om tot deze conclusie te komen heeft het hof vastgesteld dat de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving al was aangevangen en dat het latere gebruik van dodelijk geweld, te weten het meermalen op het slachtoffer schieten, een afzonderlijke, op zichzelf staande gedraging vormt. Het hof heeft daarbij betrokken dat het schieten niet tot doel had om de vrijheidsberoving alsnog te voltooien, maar kennelijk was gericht op het uitschakelen van het slachtoffer dat zich verzette.
Deze redenering acht ik echter niet zonder meer begrijpelijk. Het hof heeft immers bewezenverklaard dat de dood van het slachtoffer het gevolg is geweest van de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving. Meer specifiek heeft het hof onder 2 als uitvoeringshandeling van die poging tot vrijheidsberoving bewezenverklaard dat de verdachte en zijn mededaders het slachtoffer “met een vuurwapen in het lichaam heeft geschoten”. Hoe dan sprake kan zijn van ‘later’ gebruik van geweld dat een ‘afzonderlijke, op zichzelf staande gedraging vormt’, is zonder nadere motivering niet duidelijk.
Ik stel vast dat het hof de strekking van de in de onderhavige zaak van toepassing zijnde strafbepalingen niet kenbaar in zijn oordeel heeft betrokken. Deze strekking loopt (deels) uiteen. De strafbaarstelling van art. 287 Sr (doodslag) is geplaatst in titel XIX met het opschrift ‘Misdrijven tegen het leven gericht’ en strekt ter bescherming van het leven. De strafbaarstelling van art. 282 Sr (de wederrechtelijke vrijheidsberoving) is geplaatst in titel XVIII met het opschrift ‘Misdrijven tegen de persoonlijk vrijheid’ en strekt ter bescherming van de lichamelijk vrijheid. Wat deze laatste bepaling betreft, heeft het hof ook de strafverzwarende omstandigheid uit het derde lid bewezenverklaard. Dat artikellid beschermt – naast de lichamelijke vrijheid – ook het leven. Mij komt het voor dat bij de beoordeling in hoeverre de strekking van de betreffende strafbepalingen uiteenloopt het accent moet worden gelegd op het kernverwijt, in dit geval de wederrechtelijke vrijheidsberoving. De bewezenverklaring van het (strafverzwarende) geobjectiveerde gevolg speelt daarbij een minder prominente rol.
Dit verschil is echter niet zodanig groot dat ongeacht de feitelijke gang van zaken moet worden gezegd dat van een eendaadse samenloop geen sprake kan zijn. Ik wijs in dit verband op de hiervoor onder 6.21 aangehaalde passage uit de wetsgeschiedenis bij de strafbaarstelling van de gijzeling, waarin eendaadse samenloop niet wordt uitgesloten.
Het oordeel van het hof dat bij de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten sprake is van meerdaadse samenloop kan dan ook niet in stand blijven, zodat het vijfde middel slaagt.
Bovendien bestaat er in dit geval ook belang bij cassatie. Het verschil tussen eendaadse (art. 55 Sr) en meerdaadse samenloop acht ik in dit geval wel relevant voor de beslissing over de straf. Bij eendaadse samenloop nadert de opgelegde straf van dertien jaren dicht de maximale straf van vijftien jaren, waarbij het hof ook nog eens hoger heeft gestraft dan door de advocaat-generaal die - als gezegd – bij het bepalen van de eis is uitgegaan van eendaadse samenloop was gevorderd. Daarmee kan niet worden gezegd dat de opgelegde straf ver onder het bij eendaadse samenloop geldende strafmaximum zou liggen.
9 Afronding
Het eerste middel hoeft niet tot cassatie te leiden. Het tweede, derde en vierde middel falen. De eerste drie middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het vijfde middel slaagt.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG