Strafrecht overig

Conclusie AG. Veroordeling wegens 1. doodslag (art. 287 Sr) en 2. poging wederrechtelijke vrijheidsberoving…

Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
2 oktober 2026
Zaaknummer
25/02515
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:946
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Conclusie AG. Veroordeling wegens 1. doodslag (art. 287 Sr) en 2. poging wederrechtelijke vrijheidsberoving, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft (art. 282 lid 1 en lid 3 Sr). Falende middelen over het oordeel van het hof dat de verdachte op de plaats delict aanwezig is geweest (M1), het opzet op de wederrechtelijke vrijheidsberoving (M2), en de bewezenverklaring dat de poging wederrechtelijke vrijheidsberoving de dood ten gevolge heeft gehad (M4). AG gaat in op de vraag of toepassing kan worden gegeven aan de strafverzwarende omstandigheid uit art. 282 lid 3 Sr indien die vrijheidsberoving niet is voltooid (M3). Het vijfde middel heeft betrekking op een aantal getuigenverzoeken. Ook deze twee middelen falen. Het zesde middel dat klaagt over het oordeel van het hof dat bij de bewezenverklaarde feiten sprake is van meerdaadse samenloop, slaagt. Conclusie strekt tot vernietiging en tot terugwijzing, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging. Samenhang met 25/02445 en 25/02503.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/02515

Zitting 6 oktober 2026

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1

De verdachte is bij arrest van 3 juli 2025 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-001405-23) wegens 1. "medeplegen van doodslag" en 2. “medeplegen van poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, terwijl het feit de dood ten gevolg heeft”, veroordeeld tot twaalf jaren en zes maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.

1.2

Er bestaat samenhang met de zaken 25/02445 en 25/02503. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

1.3

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.L. L'Homme en J.E. Kötter, beiden advocaat in Amsterdam, hebben zes middelen van cassatie voorgesteld.

2 De zaak in het kort

2.1

Volgens de vaststellingen van het hof heeft op 16 februari 2021 een poging tot ontvoering plaatsgevonden van [slachtoffer] . Dit was een wraakactie tegen een groep Colombianen die [medeverdachte 1] tijdens een ripdeal had beroofd van geld en een horloge. Deze actie werd mede georganiseerd door [medeverdachte 2] . Bij de uitvoering waren verder betrokken [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] (zaak 25/02503), [medeverdachte 5] (zaak 25/02445; hierna ook: [medeverdachte 5] ), de verdachte [verdachte] en een onbekend gebleven persoon (‘ [betrokkene 1] ’).

2.2

Op de dag van het delict rijden deze personen vanuit meerdere locaties naar [plaats] . In verschillende samenstellingen maken zij tussenstops bij een tankstation langs de A1, een KFC-restaurant aan de [a-straat] in [plaats] en een Albert Heijn XL in [plaats] . De groep komt daarna, verdeeld over een viertal auto’s, aan in [plaats] . [verdachte] bestuurt een Mercedes waarin [medeverdachte 5] als bijrijder zit. Als [slachtoffer] contact maakt met [verdachte] , rijdt een Audi naar hem toe. Twee passagiers stappen uit deze Audi en proberen [slachtoffer] in de auto te duwen. [verdachte] en [medeverdachte 5] stappen uit en proberen eveneens [slachtoffer] in de Audi te krijgen. Op dat moment wordt er geschoten op [slachtoffer] . De dadergroep vertrekt meteen en laat [slachtoffer] dodelijk gewond achter.

2.3

Het hof heeft bewezen geacht dat de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving die de dood ten gevolge had en aan het medeplegen van doodslag. Het eerste middel bevat bewijs- en motiveringsklachten ten aanzien van de bewezenverklaring en komt meer in het bijzonder op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte op de plaats delict aanwezig is geweest. Het tweede middel klaagt over het onder feit 2 bewezenverklaarde opzet op de wederrechtelijke vrijheidsberoving en het derde middel klaagt over de bewezenverklaring dat de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving de dood ten gevolge heeft gehad. Het vierde middel komt op tegen de bewezenverklaring van het medeplegen van doodslag. Het vijfde middel heeft betrekking op een aantal getuigenverzoeken. Het zesde middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat bij deze twee feiten sprake is van een meerdaadse samenloop en is het enige middel dat slaagt.

3 Bewezenverklaring en bewijsoverwegingen

3.1

Voor de beoordeling van het eerste, tweede, derde en vierde middel is het volgende van belang.

3.2

Het hof heeft en laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

1. hij op 16 februari 2021 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door [slachtoffer] met een vuurwapen in het lichaam te schieten;

2. hij op 16 februari 2021 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven, een afspraak heeft gemaakt met [slachtoffer] in [plaats] , en vervolgens met meerdere voertuigen en meerdere personen bewapend met vuurwapens naar de afgesproken plek is gekomen en [slachtoffer] heeft vastgepakt en [slachtoffer] in de richting van een gereedstaand voertuig heeft getrokken en [slachtoffer] met een vuurwapen in het lichaam heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.”

3.3

Het hof heeft de bewezenverklaring als volgt gemotiveerd:

“Bewijsoverweging

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden verklaard dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair tenlastegelegde feit, met dien verstande dat hij dient te worden vrijgesproken van gekwalificeerde doodslag. Voorts kan bewezen worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 primair tenlastegelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] van de beide tenlastegelegde feiten moet worden vrijgesproken. [verdachte] kan niet buiten redelijke twijfel op de plaats delict worden geplaatst. De forensische en technische bevindingen in het dossier leveren hooguit indicaties op. Voor wat betreft de aangetroffen latex handschoen geldt dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat [verdachte] de drager daarvan is geweest tijdens het schietincident. [verdachte] heeft een aannemelijk alternatief scenario geschetst. Met betrekking tot het medeplegen van dan wel de medeplichtigheid aan de onder 2 primair respectievelijk subsidiair tenlastegelegde poging wederrechtelijke vrijheidsberoving, de dood ten gevolge hebbend, heeft de verdediging verder het volgende aangevoerd. Als het hof tot het oordeel zou komen dat [verdachte] wel aanwezig is geweest bij dit feit, dan is er geen bewijs van wetenschap van [verdachte] van het ontvoeringsplan en in het verlengde daarvan geen bewijs voor (voorwaardelijk) opzet en geen bewijs voor betrokkenheid bij de voorbereiding of uitvoering van het plan. Mocht het hof wel tot een strafrechtelijke betrokkenheid van [verdachte] bij de poging wederrechtelijke vrijheidsberoving komen, dan kan hem het strafverzwarende gevolg (de dood van het slachtoffer) niet worden toegerekend. Met betrekking tot het medeplegen van dan wel de medeplichtigheid aan de onder 1 primair respectievelijk subsidiair tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag heeft de verdediging aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] wetenschap had van de aanwezigheid van (een) vuurwapen(s) en er dus geen bewijs is voor het (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer. Als het hof wel tot een strafbare betrokkenheid van [verdachte] zou komen, dan kan de gekwalificeerde doodslag niet worden bewezen.

Feiten en omstandigheden

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof de volgende feiten en omstandigheden af.

Aanloop naar 16 februari 2021

[medeverdachte 1] is de gebruiker van het SkyECC (hierna: SKY) [account 1] . De onbekende gebruiker van SKY- [account 2] stuurt op 11 februari 2021 foto's van pakketten met vermoedelijk cocaïne naar [medeverdachte 1] . [account 2] zegt dat [medeverdachte 1] ‘25’ [het hof begrijpt: 25 kilogram] van hem krijgt en dat [medeverdachte 1] dan ‘money 150’ [het hof begrijpt: € 150.000,00] aan hem geeft. [account 2] stuurt dat hij [medeverdachte 1] later ziet, waarna [account 2] een foto van een straatnaambord van de [b-straat] stuurt. Na de ontmoeting stuurt [medeverdachte 1] berichten naar het SKY- [account 3] , waarvan [medeverdachte 2] de gebruiker is. [medeverdachte 1] laat weten dat de Colombianen hem hadden vastgebonden en zijn Rolex en € 150.000,00 van hem hebben afgenomen. [medeverdachte 1] zegt verder dat hij tijdens de beroving besloot om te gaan liggen, omdat hij anders neergeschoten zou worden. De Colombianen zouden 25 kilogram cocaïne aan hem verkopen. Ze hebben twee kilogram echte cocaïne laten zien, maar de overige 23 kilogram bleek suiker te zijn. Uit voorgaande bevindingen leidt het hof af dat op 11 februari 2021 sprake is geweest van een mislukte drugsdeal met een groep Colombianen waarbij [medeverdachte 1] als potentiële koper van een hoeveelheid cocaïne is beroofd van een aanzienlijk geldbedrag en een Rolex horloge.

[medeverdachte 2] biedt [medeverdachte 1] vervolgens zijn hulp aan om de Colombianen op te sporen en gevangen te zetten. [medeverdachte 2] zegt tegen [medeverdachte 1] dat hij Albanezen heeft die sterk zijn en indien nodig ‘veel uitrusting’ hebben. Hij heeft een team ter plaatse als dat nodig is. [medeverdachte 1] antwoordt bevestigend op de vraag van [medeverdachte 2] of hij moet rondvragen en zoeken en stuurt een afbeelding met het adres [b-straat 1] , [plaats] . Diezelfde dag laat [medeverdachte 3] , gebruiker van SKY- [account 4] , aan twee onbekend gebleven personen weten dat [medeverdachte 1] door de Colombianen met wapens is bedreigd en is beroofd en hoe een en ander is gegaan. [medeverdachte 3] zegt dat hij in Servië is, maar dat hij al onderweg is.

[medeverdachte 2] laat op 12 februari 2021 aan [medeverdachte 1] weten dat hij al een team met uitrusting klaar heeft, dat ze weten wat ze moeten doen, en dat de Rolex en ‘de saus’ [het hof begrijpt: het geld] die uit hen wordt geperst, zodra ze ontwapend en vastgebonden zijn, voor [medeverdachte 1] zijn. Er komt vijf man met uitrusting. [medeverdachte 1] moet erbij komen zodra het klaar is. [medeverdachte 1] zegt hierop: “ik wil hen en de Rolex, voor het principe.” [medeverdachte 2] verzekert [medeverdachte 1] dat hij een professioneel team heeft. Zodra de Colombianen zijn ontwapend en vastgebonden, kan [medeverdachte 1] komen om hen te verhoren. Zijn team zal het vuile werk doen, maar er moet geen kop vallen want dan zal er veel geruis zijn. [medeverdachte 1] laat [medeverdachte 2] om 21.37 uur weten dat de Colombianen ‘het lokaas hebben gegrepen’ en dat zij een afspraak willen.

[medeverdachte 2] biedt [medeverdachte 1] op 13 februari 2021 nogmaals zijn hulp aan en biedt hem de keuze of hij zelf ‘die vent van straat wil plukken’ of dat anderen dat voor hem moeten doen. Hij benoemt daarbij dat het een heftige aanvaring kan zijn met gebruik van uitrusting.

Op 14 februari 2021 laat [medeverdachte 1] aan een onbekend gebleven persoon met SKY- [account 5] weten wat het plan is. Hij schrijft: “en we moeten praten, zij moeten rijden en die Colombiaan van de straat oprollen en hem brengen, er moet alleen een plek geregeld worden waar naartoe”. Nadat de onbekend gebleven persoon een logeerplek aanbiedt, reageert [medeverdachte 1] : “zo eentje om hem daar naar binnen te dragen en breken, en verhoren” en “wij beveiligen aan de zijkanten, maar laat hen hem in het busje gooien, mij of jou zouden ze van ver herkennen.” Uit de inhoud van deze gesprekken volgt dat [medeverdachte 1] , al dan niet via anderen, in contact is gekomen met de Colombianen en een afspraak heeft gemaakt. Ook blijkt wat het doel van de afspraak is: een Colombiaan ontvoeren en (zwaar) mishandelen. Het ontvoeringsplan blijkt ook uit de hierna nog te bespreken SKY-gesprekken na afloop van de feiten op 16 februari 2021.

De gebeurtenissen op 16 februari 2021

Op 16 februari 2021 laat [medeverdachte 1] in de vroege ochtend aan meerdere personen weten dat de Colombianen rond 11.00 uur het adres zullen geven. [medeverdachte 2] reageert dat hij direct [betrokkene 2] gaat bellen dat hij zijn lui wakker maakt. Hij laat [medeverdachte 1] even later weten dat hij al naar vier een bericht heeft gestuurd dat ze moeten opstaan en dat eentje met uitrusting kan zijn. [medeverdachte 2] vraagt eerst om 12.06 uur aan [medeverdachte 1] waar ze naartoe moeten rijden, en vervolgens zegt hij tegen [medeverdachte 3] omstreeks 12.10 uur dat [medeverdachte 1] het bericht moet lezen omdat hij ‘ze’ ergens naartoe moet sturen. [medeverdachte 1] stuurt ongeveer tien minuten later naar [medeverdachte 2] een kaartje met de route naar [c-straat] in [plaats] en schrijft dat er maar één toegangsweg is. [medeverdachte 1] zegt dat ze daar voorlopig niet in moeten rijden. [medeverdachte 2] reageert dat zijn mensen vooralsnog naar [plaats] rijden.

Om 13.24 uur zegt [medeverdachte 2] dat zijn mensen over 15 minuten in het centrum van ‘dat plaatsje’ [het hof begrijpt: [plaats] ] kunnen zijn. Om 13.28 uur instrueert [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] dat ‘ze 10 km bij die stad vandaan moeten wachten’ en dat hij hen daar zal ontmoeten. Hij stuurt [medeverdachte 2] het adres van de Albert Heijn XL aan de [d-straat] in [plaats] . [medeverdachte 1] zal ze daar opvangen en zegt dat hij met een witte en een donkerblauwe Citroën is. Omstreeks 14.00 uur vertrekken drie auto’s die betrokkenheid hebben gehad bij de schietpartij vanuit de omgeving van Den Haag richting [plaats] en [plaats] , waaronder de Citroën C5 met [kenteken 1] (hierna: de Citroën). [medeverdachte 2] zegt dat er een Audi A3 op het parkeerterrein aan het wachten is. Hij vraagt aan [medeverdachte 1] om hem ook over te nemen en hem ergens neer te zetten. Uit voorgaande bevindingen leidt het hof af dat vanuit Den Haag [medeverdachte 1] samen met anderen naar [plaats] reist waar voorafgaand aan de afspraak met de Colombianen een ontmoeting plaatsvindt met andere betrokkenen bij het plan. Uit de SKY-berichten volgt dat de bedoeling is dat [medeverdachte 1] de anderen daar instrueert over wat er in [plaats] moet gebeuren.

Reisbewegingen Groep [A] en Groep [B]

Er zijn verder twee verdachtengroepen concreet in beeld gekomen. Groep [A] bestaat uit [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] . Zij zijn vrienden van elkaar, stonden op hetzelfde adres ingeschreven en [medeverdachte 5] werkte voor [medeverdachte 4] . Groep [A] rijdt op 16 februari 2021 omstreeks 8.30 uur vanaf 's-Heerenberg met de BMW X5 van [medeverdachte 4] (hierna: de BMW X5) in de richting van Amersfoort . De andere groep is Groep [B] , bestaande uit [verdachte] en [betrokkene 1] . [verdachte] rijdt met zijn Volvo op 16 februari 2021 omstreeks 10.00 uur vanuit de omgeving van Ermelo naar ' t Harde . Vanaf daar wordt [verdachte] vergezeld door [betrokkene 1] en bewegen hun telefoons via eenzelfde route over de A27.

[betrokkene 1] en [medeverdachte 5] hebben omstreeks 11.23 uur telefonisch contact met elkaar, waarna de twee groepen elkaar ontmoeten bij een tankstation langs de snelweg. Daarna rijden de twee groepen door naar het filiaal van de Kentucky Fried Chicken (hierna: KFC) aan de [a-straat] te [plaats] . Aldaar worden zij vergezeld door in ieder geval de bestuurder van een Duitse Mercedes A200 met [kenteken 2] (hierna: de Mercedes) en door de bestuurder van een Audi A6 Avant (station) met [kenteken 3] (hierna: de Audi A6).

Vanaf het KFC-restaurant vertrekt eerst de Audi A6 - via het centrum van [plaats] waar deze omstreeks 13.57 uur langsrijdt - naar de Albert Heijn XL aan de [d-straat] te [plaats] . [verdachte] - die zijn Volvo in [plaats] achterliet - en [medeverdachte 5] zijn inmiddels naar de Audi A6 overgestapt, evenals [betrokkene 1] , die de Audi A6 vanaf dit moment bestuurde. Om 13.23 uur rijdt de Audi A6 voorbij Akersloot en pas op dat moment vertrekken de BMW X5, met daarin [medeverdachte 4] als enige inzittende, en de Mercedes in de richting van [plaats] . Omstreeks 15.00 uur stralen de telefoons van [medeverdachte 4] en [verdachte] zendmastlocaties aan die dekking geven aan de [d-straat] in [plaats] . Uit voorgaande bevindingen leidt het hof af dat aan de [d-straat] in [plaats] een ontmoeting plaatsvindt met enkele mannen, onder wie degenen die bij de eerdere ontmoetingen aanwezig waren, en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 3] voert op dat moment een voorverkenning uit in [plaats] .

De reis van [plaats] naar [plaats]

Na deze ontmoeting rijdt [medeverdachte 4] met zijn BMW X5 naar [plaats] . Ook de Mercedes en de Audi A6 vertrekken daar naartoe. Uit de track- en tracegegevens van de Mercedes blijkt dat dit voertuig om 15.09 uur uit [plaats] is vertrokken en naar [plaats] rijdt. [medeverdachte 3] schrijft om 15.10 uur naar [medeverdachte 2] : “Nee, ik ben in een andere auto met de uitrusting.” Om 15.13 uur stuurt [medeverdachte 1] de volgende audioberichten naar [medeverdachte 3] : “ze gaan er al naar toe, in ieder geval in een BMW een X5, in ieder geval een Audi in stationcar uitvoering en nog een Mercedes. Ze rijden er al daar naar toe”, “Ze zeiden dat er vlakbij de rotonde een Colombiaans varken rondloopt” en “Wij rijden daar al naar toe, met een Citroën, verdomme, ook zo'n Jeepje, we rijden met een Jeepje-Citroën en de Audi in de combi rijdt eveneens.” De voertuigen die [medeverdachte 1] in dit bericht noemt, zijn ook te zien op camerabeelden in (het centrum van) [plaats] , terwijl deze achtereenvolgens naar [plaats] rijden. Te zien is dat eerst de Audi A6 hier arriveert, die vijf seconden later wordt gevolgd door [medeverdachte 4] in de BMW X5. Ongeveer een minuut later rijdt de Citroën op dezelfde plek voorbij.

De gebeurtenissen op [c-straat] in [plaats]

Uit de (beschrijving van de) camerabeelden die onderdeel uitmaken van het dossier, blijkt het volgende. Om 15.28 uur parkeert een Ford Focus op [c-straat] , aan de kant van de flat. Om 15.34 uur straalt de telefoon van [verdachte] een zendmast aan in [plaats] en rijdt de Audi A6 een verkenningsronde over de rotonde, waarna de auto uit beeld verdwijnt. Omstreeks 15.36 uur komt [medeverdachte 4] met zijn BMW X5 voor de eerste keer aanrijden bij de rotonde bij de plaats delict. Hij rijdt met lage snelheid een rondje en verlaat vervolgens de plaats delict. Na ongeveer anderhalve minuut arriveert [medeverdachte 4] wederom stapvoets bij de rotonde, en verlaat hij wederom de plaats delict. Na deze twee rondes voert [medeverdachte 4] een telefoongesprek met [medeverdachte 5] van 74 seconden

Om 15.38 uur rijdt [medeverdachte 4] voor de derde keer zijn BMW X5 [c-straat] op en parkeert daar in een parkeervak. Een paar seconden later rijdt de Mercedes [c-straat] op en parkeert eveneens in een parkeervak, vlakbij de plaats waar de Ford Focus staat. Om 15.33 uur hadden de Colombianen een WhatsAppbericht ontvangen dat ‘ze’ aankomen in een witte Mercedes. Om 15.42 uur loopt het latere slachtoffer [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) vanaf de [e-straat] [c-straat] op en hij loopt naar de Mercedes toe waar hij aan de bestuurderszijde blijft staan en kennelijk in gesprek raakt met de bestuurder. Rond dezelfde tijd rijdt de Citroën C5 [c-straat] op en passeert het slachtoffer ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats. De Citroën C5 rijdt de rotonde op en verdwijnt uit beeld. Enkele ogenblikken later, omstreeks 15.43 uur, rijdt de Citroën C5 weer de rotonde van [c-straat] op.

Om 15.44 uur rijdt de Audi A6 [c-straat] op en stopt ter hoogte van de Mercedes, waar het slachtoffer nog steeds staat. Op het moment dat de Audi A6 stopt, klinkt er direct een luide knal. Er stappen achtereenvolgens vanuit de rechterachterportier en de bijrijdersplaats van de Audi A6 twee personen (persoon 1 en persoon 2) uit die naar het slachtoffer lopen, waarbij er een worsteling ontstaat en persoon 1, even later geholpen door persoon 2, het slachtoffer via de linkerzijde van het voertuig in de Audi A6 probeert te duwen. Op een gegeven moment rijdt [medeverdachte 4] met zijn BMW X5 achterwaarts uit het parkeervak en blijft hij op de rijbaan staan. Vrijwel op hetzelfde moment stappen er twee personen uit de Mercedes. De bestuurder van de Mercedes loopt naar de mannen die bij de Audi A6 aan het worstelen zijn en maakt direct een slaande beweging met zijn arm. Ook de persoon op de bijrijdersstoel van de Mercedes, van wie het hof op basis van de verklaring van [medeverdachte 4] vaststelt dat dit [medeverdachte 5] is, loopt daar naartoe en neemt deel aan de worsteling. Dan klinkt er weer een harde knal. Terwijl de worsteling nog gaande is, loopt [medeverdachte 5] naar de BMW X5 van [medeverdachte 4] . Dan zijn er meerdere knallen te horen. Twee van de mannen lopen naar de Mercedes, stappen in en rijden met verhoogde snelheid weg. [medeverdachte 5] is inmiddels als bijrijder bij [medeverdachte 4] in de BMW X5 gestapt, die ook wegrijdt. De andere man is in de Audi A6 gestapt, die eveneens wegrijdt. Het slachtoffer blijft liggend op de grond achter en wordt door twee personen in de Ford Focus getild. Om 15.46 uur rijdt de Ford Focus ook weg.

Het overlijden van het slachtoffer

De inmiddels gealarmeerde politie treft de Ford Focus kort daarna rijdend aan in [plaats] . Het slachtoffer wordt ernstig gewond aangetroffen en is ter plaatse overleden. Het NFI heeft een sectie verricht op het lichaam. Daarbij zijn drie schotletsels aangetroffen, waarvan één schampschot ter hoogte van de heup. Het tweede schotletsel betreft een inschotverwonding aan de voorzijde van zijn rechterbovenbeen en een uitschotverwonding aan de achterzijde van het rechterbovenbeen. Het rechterbovenbeen was hierdoor gebroken. Het derde schotletsel betreft een inschotverwonding hoog op de rug, tussen de schouderbladen. Het NFI heeft geconcludeerd dat het overlijden van het slachtoffer zonder meer wordt verklaard door inwendige letsels als gevolg van het inschotletsel hoog aan de rug, met een mogelijke bijdrage aan het overlijden of de snelheid van het overlijden van een doorschot door het rechterbovenbeen.

De kogel van het kaliber 9mm Parabellum zat nog in het lichaam van het slachtoffer. Op de plaats delict zijn twee hulzen aangetroffen van het kaliber 9mm Parabellum (bodemstempel CBC 9mm Luger) en zeven hulzen van het kaliber 7.65mm Browning (bodemstempel 7.65mm 15 S&B). Het NFI heeft geconcludeerd dat het zeer veel waarschijnlijker is dat de inschotbeschadiging in de spijkerbroek van het slachtoffer is veroorzaakt door een kogel van het kaliber 9mm Parabellum, dan door munitie van het kaliber 7.65mm Browning. Tevens is de conclusie zowel ten aanzien van de aangetroffen hulzen van het kaliber 7.65mm Browning als de aangetroffen hulzen van het kaliber 9mm Parabellum dat deze zijn verschoten met één vuurwapen.

Gebeurtenissen na afloop van de mislukte ontvoering

Om 16.08 uur, ruim twintig minuten na het schietincident, stuurt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] : “Jullie kunnen daar beter wegwezen, want iets is niet oké.” [medeverdachte 1] schrijft terug: ‘weet ik’. [medeverdachte 2] vraagt of hij een bunker klaar moet maken en [medeverdachte 1] antwoordt met ‘nee’. Om 16.10 uur laat [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] weten dat hij aan het oprotten is. [medeverdachte 3] stuurt naar SKY- [account 6] : “wat een rit, verdomme”, “bij ons iedereen heel”, “we hebben twee getroffen”, “zij waren verrast en zij spraken op het parkeerterrein af” en “en toen wij begonnen die ene in te trekken [ook: naar binnen te trekken], strooiden zij zich uit en begonnen te bonken en ik verneukte hem direct 2 keer en de klojo viel neer in die andere”. Naar het oordeel van het hof duidt dit, in onderlinge samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, erop dat de dadersgroep het slachtoffer heeft verrast met de poging tot ontvoering en dat er vanuit de dadersgroep in ieder geval tweemaal op hem is geschoten.

De Mercedes is in de avond van 16 februari 2021 aangetroffen in [plaats] . Op beelden is te zien dat op die plek rond 15.52 uur twee personen in de Citroën C5 stappen. Vlak daarvoor passeert de Audi A6 die plek.

De telefoon en de auto van [medeverdachte 4] bewegen zich na het schietincident in de richting van [plaats] / [plaats] , waar de telefoon omstreeks 18.15 uur een zendmast aanstraalt. Vervolgens beweegt de telefoon zich via Landsmeer en de omgeving van Arnhem in de richting van de Duitse grens, waar [medeverdachte 4] woont. De telefoon van [medeverdachte 5] maakt een zelfde soort reisbeweging, evenals de telefoon van [betrokkene 1] voor het eerste deel van de terugreis, waardoor hieruit kan worden afgeleid dat zij na afloop van de schietpartij samen zijn gereisd.

De telefoon van [verdachte] straalt rond 15.58 uur zendmasten aan in Heiloo en [plaats] . Vervolgens verplaatst de telefoon zich naar Castricum (16.04 uur) en Uitgeest (16.08 uur). Deze reisbeweging vertoont overeenkomsten met de route die de Citroën C5 na het schietincident heeft afgelegd. Rond 17.00 uur straalt de telefoon van [verdachte] een zendmast in [plaats] aan. Ook de Citroën C5 is rond dat tijdstip in [plaats] . Om 17.15 uur straalt de telefoon van [verdachte] een zendmast aan in Ouderkerk aan de Amstel . Deze zendmastlocatie geeft onder meer dekking aan het gebied rond de KFC aan de [a-straat] in [plaats] . Verder staat het telefoonnummer eindigend op [001] op 16 februari 2021 na het incident in [plaats] in contact met de telefoon van [verdachte] .

Forensische bevindingen

In de Audi A6 waren op verschillende plaatsen forensische sporen die te relateren zijn aan [verdachte] . Voor het DNA-spoor afkomstig van de deurhendel uit het linker voorportier geldt dat meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer de bemonstering DNA bevat van [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van twee willekeurige onbekende personen. Het DNA-spoor van de gordel en sluiting van de rechter voorstoel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van [verdachte] en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van drie willekeurige onbekende personen. Een en ander sterkt het hof in de conclusie dat [verdachte] op enig moment in de Audi A6 heeft gezeten, namelijk - zulks bezien in het licht van de overige bewijsmiddelen - tijdens de rit van [plaats] naar [plaats] .

In de Mercedes waren ook op verschillende plaatsen forensische sporen die te relateren zijn aan [verdachte] . Het DNA-monster van de gordel van de linker voorstoel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van twee willekeurige onbekende personen. Voor het DNA-monster van de ontgrendelhendel van de linker voorportier aan de binnenzijde geldt dat het meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer de bemonstering DNA bevat van [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van twee willekeurige onbekende personen. Op de rand van het middenconsole is een vingerafdruk gevonden, waarvan de uitslag is dat deze kan worden geïndividualiseerd tot [verdachte] . Op de bestuurdersstoel lag een blauwe latex handschoen. Op de binnenzijde van deze handschoen is een relatief grote hoeveelheid DNA aangetroffen, waarvan het meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer de relatief grote hoeveelheid DNA afkomstig is van [verdachte] , dan wanneer de relatief grote hoeveelheid DNA afkomstig is van een willekeurige niet aan [verdachte] verwante persoon.

De bevindingen van het onderzoek naar de aanwezigheid van schotresten op de bemonsteringen van de handschoen zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer wel schotresten daarop aanwezig zijn, dan wanneer geen schotresten daarop aanwezig zijn. De bevindingen van het vergelijkend schotrestenonderzoek tussen enerzijds de verzameling deeltjes die is aangetroffen op de handschoen en anderzijds de verzamelingen deeltjes op de schotrestbemonsteringen uit de hulzen van kaliber 7,65mm Browning zijn veel waarschijnlijker wanneer deze afkomstig zijn van het verschieten van de aangetroffen hulzen van het kaliber 7.65mm Browning dan wanneer deze deeltjes afkomstig zijn van het verschieten van de aangetroffen hulzen van het kaliber 9mm Parabellum. Hieruit leidt het hof af dat de drager van deze handschoen zich in de nabijheid van het schietproces op [c-straat] heeft bevonden.

Aanwezigheid [verdachte] op de plaats delict

Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat [verdachte] in de ochtend van 16 februari 2021 vanuit het oosten van het land richting Noord-Holland is gereisd. Hij reist samen met [betrokkene 1] en heeft onderweg bij een tankstation langs de A1 [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] ontmoet. Vervolgens heeft een ontmoeting plaatsgevonden bij de KFC in [plaats] , waarbij in ieder geval [verdachte] , [betrokkene 1] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en de bestuurders van de Mercedes en de Audi A6 aanwezig waren. Deze twee voertuigen zijn gebruikt bij de poging tot ontvoering. Vanaf daar is [verdachte] samen met [medeverdachte 5] in de Audi A6 via [plaats] naar de volgende ontmoetingsplaats in [plaats] gereden. Daar heeft [medeverdachte 1] instructies gegeven wat er in [plaats] moest gebeuren. Tien minuten voor het schietincident heeft de telefoon van [verdachte] een zendmast aangestraald in [plaats] . Nu het hof hiervoor heeft vastgesteld dat [verdachte] op meerdere plaatsen ontmoetingen heeft gehad met andere betrokkenen bij het ontvoeringsplan en dat hij heeft gezeten in de Audi A6 en de Mercedes, die zijn gebruikt bij de uitvoering van dat plan, acht het hof deze bevinding redengevend voor het bewijs dat [verdachte] op dat moment (met zijn telefoon) in [plaats] is geweest. Dit wordt versterkt door de forensische bevindingen met betrekking tot de in de Mercedes aangetroffen wegwerphandschoen. Het hof gaat voorbij aan het betoog van de verdediging dat niet te achterhalen is wat de binnen- en de buitenzijde van de handschoen is geweest. In het proces-verbaal van bevindingen met aanvullende informatie betreffende handschoen [AALP9252NL] van 21 januari 2023 (map 17, nagezonden stukken, ongenummerd) staat gerelateerd dat de onderzoekers van het NFI hebben gekeken naar de manchet van de handschoen en de vingertoppen. De manchet van de handschoen krult bij een wegwerphandschoen op. Deze krult naar binnen als de handschoen met de originele buitenzijde naar buiten is gekeerd. Op de vingertoppen is bij sommige typen wegwerphandschoenen een soort reliëf op de originele buitenzijde aanwezig. Dit reliëf ontbreekt op de originele binnenzijde van de vingertoppen van de handschoen, welke handschoen een wegwerphandschoen met een manchet en vingertoppen met reliëf betreft. Op basis van hun waarnemingen hebben de onderzoekers geconcludeerd dat de handschoen met de binnenzijde naar buiten is aangeleverd. Het hof is van oordeel dat uit de plek waarop de relatief grote hoeveelheid DNA van [verdachte] is aangetroffen, namelijk op de binnenzijde (bij aanlevering buitenzijde) volgt dat hij deze handschoen heeft gedragen. Hiervoor heeft het hof vastgesteld dat de drager van de handschoen zich in de nabijheid van het schietproces heeft bevonden. Hieruit concludeert het hof dat de handschoen op de plaats delict is gebruikt door een uitvoerder van de ontvoeringspoging. De telefoon van [verdachte] heeft na het schietincident dezelfde route afgelegd als de Mercedes, tot aan [plaats] waar de inzittenden zijn overgestapt in de Citroën C5. Vervolgens heeft de telefoon van [verdachte] vanaf die plaats dezelfde route afgelegd als de Citroën C5 (tot aan [plaats] ). Hierna heeft de telefoon van [verdachte] een zendmast in Ouderkerk aan de Amstel aangestraald die dekking geeft aan het gebied waar de KFC in [plaats] is gelegen en waar [verdachte] zijn auto eerder die dag had achtergelaten. Al deze bevindingen, in onderling verband en samenhang bezien, zijn redengevend voor het bewijs dat [verdachte] op de plaats delict aanwezig is geweest en een van de uitvoerders van de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving was.

De vraag is vervolgens of [verdachte] een verklaring heeft gegeven die de redengevendheid van deze feiten en omstandigheden kan ontzenuwen.

Verklaringen [verdachte]

heeft in zijn eerste verhoor op 8 juni 2022 bij de politie verklaard dat hij in de ochtend van 16 februari 2021 door een vriend werd gebeld, van wie hij de naam niet wil noemen [het hof begrijpt: [betrokkene 1] ]. Op verzoek van die vriend zijn ze samen naar [plaats] gegaan. De vriend reed voor hem in zijn auto en [verdachte] reed achter hem aan. Ze zijn bij een tankstation gestopt en daar kwamen twee mannen in een andere auto. Zijn vriend en die twee mannen hebben twintig minuten met elkaar gepraat, ver bij hem vandaan. [verdachte] heeft niet gehoord wat zij met elkaar bespraken. Daarna zijn ze naar [plaats] gereden, naar een Burger King of KFC, waar ze hebben gegeten. Op een gegeven moment kwamen er nog twee auto's, de eerdergenoemde Audi A6 en Mercedes. [verdachte] was toen samen met een andere jongen en alle andere aanwezigen gingen ongeveer dertig tot veertig minuten ergens anders praten. [verdachte] heeft zijn auto in [plaats] achtergelaten en is als bijrijder in de Audi A6 gestapt. Een andere man ging achterin zitten. Toen zijn ze naar [plaats] gereden. Na twintig minuten kwamen daar nog vier tot vijf auto's met mensen erin. Ze gingen ver weg van [verdachte] met elkaar praten. In de Mercedes zat nog één persoon. [verdachte] is aan de bestuurderskant bij hem ingestapt en heeft een uur met deze persoon gepraat. Terwijl hij in de Mercedes zat, heeft [verdachte] een latex handschoen die daar lag aangetrokken. Na een uur gingen alle personen met alle auto's weg omdat ze een afspraak hadden. [verdachte] en nog een ander persoon bleven achter. De telefoon van [verdachte] lag toen nog aan de oplader in de Mercedes. Na twintig minuten tot een half uur kwam er een andere auto naar [verdachte] toe. De personen in die auto waren in paniek en zeiden dat er geschoten was. [verdachte] is vervolgens door deze personen teruggereden naar [plaats] waar zijn auto nog bij de Burger King of KFC geparkeerd stond. Tijdens de autorit zei [verdachte] dat hij beter naar de politie kon gaan, omdat zijn telefoon nog in de Mercedes lag. Hierop werd [verdachte] bedreigd dat zijn familie iets zou worden aangedaan als hij naar de politie zou gaan. Toen [verdachte] terug bij zijn auto was, is hij naar het ziekenhuis in Utrecht gereden, waar zijn dochter op dat moment was. Hij heeft zijn telefoon nooit teruggekregen.

In zijn tweede verhoor op 8 juni 2022 heeft [verdachte] verklaard, toen hij ermee werd geconfronteerd dat zijn telefoon na het incident is meegereisd naar de KFC en naar Utrecht , dat er een jongen met hem is meegegaan die blijkbaar zijn telefoon had.

Op 10 januari 2024 heeft [verdachte] bij de politie verklaard dat hij op 15 februari [het hof begrijpt: 2021] bij een vriend in [plaats] was en dat deze vriend werd gebeld of hij iets kon ophalen. Deze vriend vroeg of [verdachte] meeging. Ze zijn vervolgen naar een adres in [plaats] gegaan en hebben daar een tasje opgehaald en naar de betreffende persoon gebracht. [verdachte] heeft die tas opengemaakt en daar zat een handschoen in, die hij heeft aangeraakt. Zo komt zijn DNA op de handschoen, aldus [verdachte] .

Ter terechtzitting van het hof op 6 juni 2025 heeft [verdachte] verklaard dat er ook nog een andere auto bij de KFC was achtergebleven die ook via Utrecht richting Groningen reed. Ofwel de jongens in die auto hadden zijn telefoon ofwel de jongen die met hem in de auto was meegereden had deze.

Beoordeling van het alternatieve scenario

Het hof acht het door [verdachte] geschetste scenario niet aannemelijk geworden. Dit door [verdachte] geschetste alternatieve scenario roept veel vragen op en is niet verifieerbaar. Zo heeft [verdachte] de naam van [betrokkene 1] niet willen noemen. De verklaring van [verdachte] dat hij in [plaats] een uur in de Mercedes heeft gezeten en daar de latex handschoen heeft aan- en uitgetrokken, komt het hof niet aannemelijk voor. Bovendien heeft [verdachte] op een later moment een andere, niet verifieerbare verklaring afgelegd over hoe zijn DNA op de handschoen terecht zou zijn gekomen. De verklaring dat hij vervolgens in [plaats] is achtergebleven en ongeveer een half uur later is opgehaald door personen die hem vertelden dat er was geschoten, gelooft het hof niet. Het door [verdachte] genoemde tijdpad past namelijk niet bij de tijdlijn die uit het politieonderzoek naar voren komt: de Mercedes is samen met andere betrokken voertuigen om 15.09 uur uit [plaats] vertrokken en het schietincident in [plaats] heeft zich rond 15.45 uur afgespeeld. Vlak daarvoor heeft de telefoon van [verdachte] bovendien een zendmast aangestraald in [plaats] . De verklaring van [verdachte] dat hij zijn telefoon had achtergelaten in de Mercedes en dat hij deze nooit meer heeft teruggekregen, strookt evenmin met de onderzoeksbevindingen. Niet alleen is de telefoon van [verdachte] niet in de Mercedes aangetroffen, ook heeft die telefoon vanaf de plek waar de Mercedes in [plaats] is achtergelaten een route afgelegd die tot [plaats] overeenkomt met de route van de Citroën C5, waarin de inzittenden van de Mercedes zijn overgestapt. Vervolgens heeft de telefoon van [verdachte] een zendmast aangestraald die dekking geeft aan het gebied in [plaats] waar hij eerder zijn auto had achtergelaten. Hij heeft ook verklaard dat hij zijn auto daar heeft opgehaald. In de avond heeft de telefoon een zendmast aangestraald in Utrecht , hetgeen weer strookt met de verklaring van [verdachte] dat hij na het ophalen van zijn auto in [plaats] naar Utrecht is gereden waar zijn dochter in het ziekenhuis lag. Al deze bevindingen passen bij het scenario dat [verdachte] de hele dag in het bezit is geweest van zijn eigen telefoon en niet bij het scenario dat hij zijn telefoon in de Mercedes heeft achtergelaten en nooit meer heeft teruggekregen. De verklaring van [verdachte] dat zijn telefoon in het bezit was van een ander die ofwel met hem ofwel, zoals [verdachte] ter terechtzitting van het hof heeft verklaard, met anderen richting Utrecht meereed, gelooft het hof niet. Hierbij betrekt het hof dat [verdachte] pas heeft verklaard dat een ander met hem meereisde nadat hij door de politie ermee werd geconfronteerd dat zijn telefoon naar Utrecht was gereisd en dat hij nooit eerder heeft verklaard dat er nog een andere auto met betrokkenen bij het feit richting Utrecht reed.

[verdachte] is er kortom niet in geslaagd een aannemelijke verklaring te geven die de redengevendheid van het voor hem belastende bewijs kan ontzenuwen.

Het hof acht al met al bewezen dat [verdachte] als bestuurder van de Mercedes aanwezig is geweest op de plaats delict en een van de uitvoerders van de poging wederrechtelijke vrijheidsberoving was.

Medeplegen van de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2 primair)

Voor de kwalificatie medeplegen is volgens vaste rechtspraak vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Bij medeplegen ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.

Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat er planmatig is gehandeld en intensief is samengewerkt door [verdachte] en zijn medeverdachten. Er hebben drie ontmoetingen plaatsgevonden die verband hielden met het ontvoeringsplan, waarbij tijdens de laatste ontmoeting door [medeverdachte 1] instructies werden gegeven. [verdachte] was de bestuurder van de Mercedes op het moment van de poging ontvoering. Dit betekent dat [verdachte] een belangrijke rol heeft gehad in de feitelijke uitvoering van het delict. Hij heeft met het slachtoffer gesproken en heeft vervolgens samen met [medeverdachte 5] , die als bijrijder in de Mercedes zat, meegedaan aan de worsteling die de medeverdachten uit de Audi waren aangegaan om het slachtoffer in die auto te krijgen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt het hof tot de conclusie dat [verdachte] als een van de uitvoerders een significante bijdrage aan de ontvoeringspoging heeft geleverd. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] medepleger is van de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer.

Strafverzwarende omstandigheid ‘de dood ten gevolge hebbend’

Onder feit 2 primair is de strafverzwarende omstandigheid ten laste gelegd dat de poging tot ontvoering de dood van het slachtoffer tot gevolg heeft gehad. De verdediging heeft in dit verband aangevoerd dat dit strafverzwarende gevolg (de geobjectiveerde dood) niet kan volgen op een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het hof verwerpt dit verweer, omdat ook een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving en de wijze waarop deze wordt uitgevoerd kan leiden tot de dood. De opvatting dat het strafverzwarende gevolg niet bewezen kan worden verklaard in geval van een poging (tot wederrechtelijke vrijheidsberoving), vindt geen steun in het recht.

Voor een bewezenverklaring van het strafverzwarende gevolg is vereist dat een zodanig verband bestaat tussen de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving en de dood van het slachtoffer, dat de dood redelijkerwijs als gevolg van dat feit aan [verdachte] kan worden toegerekend. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen - zoals hiervoor weergegeven - volgt dat [verdachte] en zijn medeverdachten van plan waren het slachtoffer met geweld te ontvoeren. Tijdens de uitvoering van de poging om het slachtoffer in een auto te duwen is het slachtoffer in zijn rug en zijn been geschoten, als gevolg waarvan hij is komen te overlijden. Onder deze omstandigheden bestaat een zodanig verband tussen de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving en de dood van het slachtoffer, dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijs aan [verdachte] kan worden toegerekend.

Medeplegen doodslag (feit 1 primair)

Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat een van de verdachten van de mislukte ontvoering de kogels die het slachtoffer dodelijk hebben geraakt op hem heeft afgevuurd. Naar het oordeel van het hof is [verdachte] aan te merken als medepleger van deze doodslag. [verdachte] heeft als uitvoerder deelgenomen aan een plan dat inhield dat het slachtoffer op klaarlichte dag op een parkeerplaats met geweld zou worden ontvoerd om hem vervolgens vast te houden. Daarbij was het de verwachting dat de Colombianen gewapend zouden zijn. Met het oog hierop hebben medeverdachten van [verdachte] ook (een) vuurwapen(s) (uitrusting) meegenomen. Dat bij de ontvoering met het vuurwapen zou worden gedreigd en dat het vuurwapen mogelijk ook zou worden gebruikt, kan dan ook niet anders dan onderdeel van het plan zijn geweest. Daarbij acht het hof van belang dat uit SKY-berichten volgt dat er rekening mee werd gehouden dat de groep Colombianen ook bewapend was en dat er sprake zou kunnen zijn van een gewelddadige confrontatie. Het gebruik van vuurwapengeweld is tegen de achtergrond van de poging tot ontvoering in deze criminele setting ook niet zo uitzonderlijk dat dit uitsluitend een spontane ingeving moet zijn geweest van een medeverdachte, die niet aan zijn medeverdachten kan worden toegerekend. Niet blijkt dat [verdachte] heeft deelgenomen aan de SKY-berichten waarin op 16 februari 2021 en de dagen daaraan voorafgaand door verschillende medeverdachten is gesproken over een ontvoeringsplan en de uitvoering daarvan. Wel was hij voorafgaand aan het schietincident bij drie ontmoetingsplaatsen waar ook andere betrokkenen bij het plan zijn geweest. In [plaats] heeft [medeverdachte 1] , die een organiserende en sturende rol had, instructies gegeven over wat er in [plaats] moest gebeuren. Het hof neemt aan dat [verdachte] , als uitvoerder van de poging tot ontvoering, in ieder geval vanaf dat moment op de hoogte is geweest van het ontvoeringsplan waarbij het beoogde slachtoffer naar [c-straat] zou komen in de veronderstelling dat daar een drugsdeal zou gaan plaatsvinden. Tegen deze achtergrond, een ontvoering die zich afspeelt in het drugsmilieu, moet [verdachte] er rekening mee gehouden hebben dat er (een) wapen(s) meegenomen zou(den) worden en dat het gebruik daarvan niet zou worden geschuwd. In dat verband is mede van belang dat de plaats waar de poging tot ontvoering was gepland (namelijk overdag op een openbaar parkeerterrein) een snelle overmeestering van het slachtoffer nog belangrijker maakte en (dreiging met) vuurwapengeweld dit kon bewerkstelligen. Het hof acht daarbij ook van belang dat op het moment dat de Audi A6 op [c-straat] stopte en nog voordat [verdachte] is uitgestapt, er een schot wordt gelost. Daardoor wist [verdachte] , die op dat moment in de Mercedes zat en ongeacht wie er had geschoten, dat er vuurwapens in het spel waren. Dit heeft hem er niet van weerhouden uitvoering te geven aan het ontvoeringsplan dat volgde. Integendeel, [verdachte] is uitgestapt en gaan meehelpen om het slachtoffer in de Audi te krijgen, waarna er nog een schot klinkt. Door met de wetenschap dat er (een) wapen(s) werd(en) meegenomen en het gebruik daarvan niet werd geschuwd, uitvoering te geven aan het ontvoeringsplan, waarbij met het slachtoffer een directe confrontatie werd aangegaan en werd geworsteld, heeft [medeverdachte 5] bewust de kans aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden door vuurwapengeweld vanuit de dadergroep waar [medeverdachte 5] deel van uitmaakte.”

4 Het eerste middel

4.1

Het eerste middel bevat bewijs- en motiveringsklachten over de bewezenverklaring. Meer in het bijzonder klaagt het middel over het oordeel van het hof dat de verdachte op de plaats delict aanwezig was en als één van de uitvoerders van de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving heeft gefungeerd en over de verwerping van een alternatief scenario. Ik begrijp het middel zo dat het opkomt tegen zowel het onder 1 als het onder 2 bewezenverklaarde feit.

4.2

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 juni 2025 hebben de raadslieden van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van pleitnotities. Deze pleitnotities houden voor zover van belang in (met weglating van voetnoten):

“3. De lezing van cliënt: aannemelijk alternatief scenario, dus vrijspraak

3.1.

De lezing van cliënt

3.1.1.

Dat brengt de verdediging bij de bespreking van de glasheldere lezing die cliënt bij dit alles heeft. Cliënt is op 16 februari 2021, nadat hij zijn dochtertje en ex-vriendin naar het [ziekenhuis] had gebracht, benaderd door een vriend ( [betrokkene 1] ) die hem heeft gevraagd of hij hem naar een afspraak in [plaats] wilde brengen. Cliënt ging daarmee akkoord. Zoals hij ook ter zitting heeft verklaard, deed hij dat wel vaker. Hij wist wel dat deze vriend zich bezighield met criminele activiteiten, maar wist verder niets van wat er zich zou gaan afspelen.

3.1.2.

Nadat cliënt - [001] had opgehaald zijn zij samen richting [plaats] gereden. Onderweg is er een tussenstop gemaakt bij een tankstation, alwaar zij twee vrienden van gebruiker- [001] hebben ontmoet - personen met wie deze laatstgenoemde kennelijk had afgesproken. Later is gebleken dat dit [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] waren. Cliënt geeft aan op dat moment niet met deze twee personen te hebben gesproken. Vervolgens zijn zij doorgereden richting [plaats] , waar zij bij de KFC hebben gegeten. Er zijn toen nog meer mensen aangesloten. Deze mensen kwamen aan in de Audi en de Mercedes, die later op de plaats delict zouden worden gebruikt.

3.1.3.

De inzittenden van voornoemde voertuigen hebben met - [001] gesproken, zonder dat cliënt daarbij was. Cliënt geeft ook aan dat zij een andere taal spraken, die hij niet verstond.

3.1.4.

Vervolgens is cliënt, samen met - [001] en anderen, in de Audi gestapt. Door - [001] was namelijk aangegeven dat dit zijn auto was en hij vroeg of cliënt meeging naar een andere afspraak. Cliënt heeft vervolgens voorin de Audi plaatsgenomen. Dit verklaart waarom cliënt zijn DNA in de Audi is aangetroffen. Eenmaal aangekomen in [plaats] is cliënt in de Audi blijven zitten en zijn er groepjes mensen verderop bij de Albert Heijn gaan praten. Cliënt heeft nog wel drinken gekregen. Omdat zijn telefoon leeg was en hij in de Audi niet over een oplader beschikte, is hij overgestapt naar de Mercedes. Daarin lag een oplader en zat een andere persoon. Hij heeft ongeveer een uur met deze man gepraat.

3.1.5.

Vervolgens is de groep weggegaan en hebben ze cliënt en de andere man achtergelaten op de parkeerplaats in [plaats] . Cliënt heeft verklaard dat ze daar enige tijd zijn gebleven en dat hij erachter kwam dat hij zijn telefoon in de Mercedes had laten liggen. Op een later moment zouden zij zijn opgehaald door een andere auto, waarin mensen zaten die cliënt niet kende, maar de persoon met wie hij was wel. Zij hebben hem verteld dat er iets goed mis was gegaan en dat er zou zijn geschoten.

3.1.6.

Cliënt raakte toen meteen in paniek. Immers, hij had in twee voertuigen gezeten en zijn telefoon lag nog in de Mercedes. Hierop gaf hij aan dat hij beter naar de politie kon gaan. Daarop werd hij door de anderen inzittenden bedreigd. Zij hebben hem vervolgens afgezet bij de KFC, waar de anderen al op de auto stonden te wachten.

3.1.7.

Vervolgens is cliënt in zijn eigen auto terug naar het [ziekenhuis] gereden, om zijn dochtertje te kunnen bezoeken. Daarbij werd hij vergezeld door één van de betrokken mannen. Dit bevestigt [getuige] , de ex-vriendin en moeder van het kind van cliënt, die bij de raadsheer-commissaris is gehoord. Zij heeft verklaard dat cliënt en een andere man aan het einde van de dag naar het ziekenhuis kwamen, waarna zij vrij kort daarna weer vertrokken.

3.1.8.

Nu de verklaring van cliënt - kort en goed - is voorgehouden, dient deze te worden beoordeeld in het licht van de bewijsmiddelen.

3.1.9.

Uitgangspunt is dan dat de aangedragen alternatieve lezing weerlegd moet worden. In voorkomende gevallen kan ook zonder weerlegging een alternatief scenario worden verworpen. Dit kan indien een verklaring als niet aannemelijk of ongeloofwaardig kan worden aangemerkt.

3.1.10.

Er dient dus te worden bekeken of de verklaring, in het licht van de reeds besproken onderzoeksresultaten, aannemelijk is.

3.2.

Is de lezing van cliënt aannemelijk? Ja!

3.2.1.

De verdediging neemt als startpunt het begin van de dag van cliënt. De telefoon die aan cliënt wordt gekoppeld straalt vroeg in de ochtend aan in Ermelo . Cliënt heeft verklaard dat hij vanuit daar richting Utrecht vertrekt om zijn dochtertje en ex-vriendin naar het [ziekenhuis] te brengen. De telefoon straalt - zo blijkt uit het dossier - geen zendmast in de buurt van Utrecht aan. Wel valt het op dat er tussen het aanstralen in Emmen en Ermelo twéé uur zit. Genoeg tijd dus om, zoals cliënt verklaart, zijn dochtertje en ex-vriendin naar het ziekenhuis te brengen, om vervolgens weer een zendmast aan te stralen in Ermelo .

3.2.2.

Onderweg terug neemt - [001] , zoals gezegd, contact met hem op, met de vraag of hij hem naar zijn afspraken in [plaats] te brengen. Cliënt haalt - [001] op en zij vertrekken richting de afspraken.

3.2.3.

Vanaf dat moment straalt de telefoon zendmasten aan conform de verklaring van cliënt. Cliënt verklaart wel dat zijn telefoon onderweg leeg is gegaan.

3.2.4.

Vanaf 13:17 straalt de aan cliënt gekoppelde telefoon enige tijd geen zendmasten meer aan. Tot de telefoon om 14:13 een zendmast in [plaats] aanstraalt.

3.2.5.

Ten aanzien van dit aanstralen van de telefoon vanaf [plaats] , verklaart cliënt - kort en goed - dat zijn telefoon leeg was, hij deze heeft opgeladen in de Mercedes en vervolgens in deze auto is vergeten.

3.26.

Gelet op vorenstaande kan dus worden gesteld dat de zendmastgegevens - evenals de bevestigende getuigenverklaring van [getuige] - objectieve aanknopingspunten bieden voor de verklaring van cliënt.

3.2.7.

Nadat cliënt z'n telefoon in de Mercedes aan de oplader had gelegd, heeft hij de telefoon in de Mercedes laten liggen en is (een deel van) de groep richting [plaats] vertrokken.

3.2.8.

Na het schietincident straalt de telefoon - zoals gezegd - zendmasten aan, vanaf de plaats delict, in onder meer Heiloo , Castricum en Uitgeest , naar de parkeerplaats bij de KFC, waarna de telefoon zendmasten aanstraalt op de route naar Utrecht . Omtrent de bewegingen van de telefoon na het schietincident, heeft cliënt verklaard dat er een man met hem mee is gereisd naar Utrecht , die zeer waarschijnlijk de telefoon van cliënt voorhanden moet hebben gehad en deze later heeft vernietigd. Daarnaast bestaat ook nog de mogelijkheid dat de telefoon zich in een andere auto bevond, nu cliënt heeft verklaard dat er vanaf de parkeerplaats van de KFC nog een (onbekende gebleven) auto dezelfde route hebben afgelegd. Deze auto heeft de man die met cliënt meereisde meegenomen vanaf het ziekenhuis.

3.2.9.

De verklaring van cliënt kan dus - op basis van onderhavige onderzoeksbevindingen - zeker niet worden uitgesloten. Sterker nog: zijn verklaring vindt steun in de reisbewegingen.

3.2.10.

Het is daarom van belang om te bekijken of het dossier, naast de reisbewegingen van de telefoon, nog andere objectieve aanknopingspunten voor zijn verklaring biedt. Daarbij wijst de verdediging op de zendmastlijst van de telefoon die aan cliënt wordt toegeschreven.

3.2.11.

Daaruit blijkt immers dat deze na 13:15 (het moment waarop de telefoon vermoedelijk leeg was) niet meer actief wordt gebruikt. Alle oproepen na 14:13 blijven onbeantwoord, zie daarvoor onder meer de niet tot stand gekomen oproepen van FedEx (het nummer uit Duitsland) en die van - [001] . Indien cliënt zijn telefoon ter beschikking had gehad, dan was er alle reden om de oproepen van - [001] te beantwoorden in het kader van bijvoorbeeld een eventuele hergroepering. Cliënt was immers eerder op de dag samen met - [001] .

3.2.12.

Voorts blijkt uit deze data dat het gebruik van data, in de uren waarvan cliënt stelt dat hij niet over de telefoon beschikte, drastisch is afgenomen. Er kan worden vastgesteld dat het dataverbruik van de telefoon voorgaande aan het aan de oplader leggen in de Mercedes rond de 5809 ligt, maar dat dit, op het moment waarover cliënt verklaart niet over zijn telefoon te beschikken, maximaal rond de 920 ligt. Een wezenlijk verschil dus. Voor het geval uw hof zich af zou vragen waarom het dataverbruik dan geen 0 was; een telefoon die niet actief wordt gebruikt verbruikt alsnog data. Apps die draaien op de achtergrond verbruiken namelijk data voor synchronisatie, updates, back-ups en locatieservices. Ter illustratie: een telefoon die niet actief wordt gebruikt, verbruikt data indien er een Whatsapp-bericht binnenkomt.

3.2.13

Kortom, het dossier bevat verschillende objectieve aanknopingspunten die de verklaring van cliënt, ten aanzien van de reisbewegingen, ondersteunen. Op basis van de door het Openbaar Ministerie aangevoerde onderzoeksresultaten kan de aanwezigheid van cliënt op de plaats delict niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld.

3.2.14.

De verdediging is in hoofdstuk 2 van dit pleidooi reeds uitgebreid ingegaan op de mogelijkheden hoe de DNA- en dacty-sporen van cliënt op de voertuigen en de handschoen terecht heeft kunnen komen. Dit zal zij kortheidshalve niet helemaal herhalen, maar het past wel in het door cliënt geschetste scenario.

3.2.15.

Dat scenario houdt in dat cliënt op eerdere momenten in de Audi en de Mercedes heeft gezeten. Dat verklaart het aantreffen van zijn DNA- en dacty-sporen op beide voertuigen. Voorts zijn er van meerdere onbekend gebleven personen DNA-sporen in de voertuigen aangetroffen, waarvan er in ieder geval drie (man A, C en D) evident aan de Mercedes kunnen worden gekoppeld.

3.2.16

Tot slot heeft de verdediging eerder in dit pleidooi een standpunt ingenomen ten aanzien van de halve handschoen die is aangetroffen in de Mercedes, waarbij de conclusie was dat ook deze cliënt niet buiten redelijke twijfel op de plaats delict kan plaatsen. Dit brengt de verdediging tot de volgende conclusie ten aanzien van de aannemelijkheid van de verklaring van cliënt en beoordeling van de feiten.

3.3.

Tussenconclusie t.a.v. de feiten: cliënt kan niet buiten gerede twijfel aan de plaats delict worden gekoppeld.

3.3.1.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat alleen al gelet op het voorgaande integrale vrijspraak dient te volgen, nu enige mate van betrokkenheid van cliënt bij het tenlastegelegde niet aannemelijk is geworden. Op basis van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat client op het plaats delict aanwezig is geweest. De alternatieve lezing die cliënt heeft gegeven is - in het licht van de onderzoeksbevindingen - aannemelijk, althans kan op grond daarvan niet genoegzaam worden uitgesloten. Maar zelfs als uw hof de verklaring van client niet aannemelijk zou achten en deze terzijde zou schuiven, dan nog zijn de voorhanden zijnde bewijsmiddelen onvoldoende redengevend om client op de plaats delict te kunnen plaatsen. Derhalve dient cliënt integraal te worden vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde.

3.3.2.

Mocht uw hof - onverhoopt - van oordeel zijn dat op basis van het dossier wél kan worden vastgesteld dat client in [plaats] zou zijn geweest op het moment dat de ontvoeringspoging plaatsvond, wat zegt die enkele vaststelling dat hij daar aanwezig is geweest dan? Op basis van het dossier zal toch wel meer duidelijk moeten worden over wat zijn daadwerkelijke wetenschap, rol en aandeel is geweest om antwoord te kunnen geven op de vraag of client op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de feiten. En niet op de manier zoals de rechtbank heeft gedaan, in een doelredenering dat het niet anders kan dat, maar echt door feiten vast te stellen en aan die feiten juridische conclusies te verbinden. In dat kader geldt dan dat het navolgende - in de visie van de verdediging - van belang is bij de beoordeling van de twee tenlastegelegde feiten.

3.3.3.

Ten behoeve van de overzichtelijkheid zal de verdediging in dat kader allereerst - in lijn met het vonnis van de rechtbank - feit 2 (poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving de dood ten gevolge hebbend) bespreken, waarna vervolgens wordt ingegaan op feit 1 (gekwalificeerde doodslag). Voor beide feiten geldt dat in de visie van de verdediging geen bewezenverklaring kan volgen en dat vrijspraak om die reden dient te volgen.”

4.3

Het middel keert zich in de eerste plaats tegen het oordeel van het hof dat de verdachte op de plaats delict aanwezig is geweest. In het bijzonder komt het middel op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte een aangetroffen wegwerphandschoen heeft gedragen en dat deze handschoen aanwezig is geweest tijdens of rondom het schietincident. In dat verband merken zij op dat het gaat om een verplaatsbaar voorwerp en dat de handschoen zich bevond in een voertuig waarin meerdere personen hebben plaatsgenomen en waarin meerdere DNA-sporen zijn aangetroffen. Het hof zou in het verlengde daarvan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verdachte in [plaats] is achtergebleven en derhalve niet op de plaatst delict is geweest, ontoereikend gemotiveerd hebben verworpen.

4.4

Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat een wegwerphandschoen is aangetroffen op de bestuurdersstoel in de Mercedes die is gebruikt bij het ontvoeringsplan. In die Mercedes is daarnaast op de gordel van de linker voorstoel en op de ontgrendelhendel van de linker voorportier aan de binnenzijde DNA van de verdachte aangetroffen. Ook is er een vingerafdruk op de middenconsole aantroffen die kan worden geïndividualiseerd tot de verdachte. Het hof heeft verder vastgesteld dat aan de binnenzijde van de wegwerphandschoen een relatief grote hoeveelheid DNA afkomstig van de verdachte is aangetroffen. Het hof heeft op grond hiervan geoordeeld en kunnen oordelen dat de verdachte de wegwerphandschoen heeft gedragen. Daarbij neem ik in aanmerking dat het DNA van de verdachte is aangetroffen op een plaats in de handschoen die past bij het dragen van een handschoen (de binnenzijde), dat het op die plek gaat om een “relatief grote hoeveelheid DNA afkomstig van de verdachte” en dat het DNA materiaal dat afkomstig is van (minimaal twee) onbekende personen “een relatief kleine hoeveelheid DNA” betreft (bewijsmiddel 38).

4.5

Wat betreft de aanwezigheid van de wegwerphandschoen tijdens of rondom de plaats delict heeft het hof vastgesteld dat in het lichaam van het slachtoffer nog een kogel van het kaliber 9mm Parabellum zat en dat op de plaats delict twee hulzen zijn aangetroffen van het kaliber 9mm Parabellum en zeven hulzen van het kaliber 7.65mm Browning. Het hof heeft verder vastgesteld dat zowel ten aanzien van de aangetroffen hulzen van het kaliber 7.65mm Browning als de aangetroffen hulzen van het kaliber 9mm Parabellum de conclusie is dat deze zijn verschoten met één vuurwapen. De bewijsvoering van het hof houdt verder in dat op de aangetroffen wegwerphandschoen schotresten zijn aangetroffen. De bevindingen van het vergelijkend schotrestenonderzoek tussen enerzijds de verzameling deeltjes die is aangetroffen op de handschoen en anderzijds de verzamelingen deeltjes op de schotrestbemonsteringen uit de hulzen van kaliber 7.65mm Browning zijn veel waarschijnlijker wanneer deze afkomstig zijn van het verschieten van de aangetroffen hulzen van het kaliber 7.65mm Browning dan wanneer deze deeltjes afkomstig zijn van het verschieten van de aangetroffen hulzen van het kaliber 9mm Parabellum. Hieruit heeft het hof afgeleid en af kunnen leiden dat de drager van de handschoen, waarvan het hof heeft vastgesteld dat dit de verdachte is, zich in de nabijheid van het schietproces op [c-straat] heeft bevonden.

4.6

Het hof heeft het oordeel dat de verdachte op de plaats delict aanwezig is geweest niet alleen gebaseerd op de vaststelling dat de verdachte de aangetroffen werphandschoen heeft gedragen en dat deze handschoen in de nabijheid van het schietproces is geweest. Het hof heeft daarnaast ook in aanmerking genomen (i) dat de verdachte voorafgaand aan de poging tot ontvoering op meerdere plaatsen ontmoetingen heeft gehad met andere betrokkenen bij het ontvoeringsplan, (ii) dat hij heeft gezeten in de Audi A6 en de Mercedes, welke voertuigen zijn gebruikt bij de uitvoering van het plan, (iii) dat de telefoon van de verdachte tien minuten voor het schietincident een zendmast in [plaats] , zijnde de plaats delict, aanstraalt, (iv) dat de telefoon van de verdachte na het schietincident dezelfde route heeft afgelegd als de Mercedes, tot aan [plaats] waar de inzittende zijn overgestapt in de Citroën C5 en (v) dat de telefoon van de verdachte vervolgens ook dezelfde route als de Citroën C5 (tot aan [plaats] ) heeft afgelegd. Het hierop gebaseerde oordeel dat de verdachte aanwezig is geweest op de plaats delict is – mede in het licht van hetgeen daarover door de verdediging is aangevoerd – niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

4.7

Het eerste middel faalt.

5 Het tweede middel

5.1

Het tweede middel klaagt over het opzet van de verdachte op het onder feit 2 bewezenverklaarde medeplegen van de poging tot vrijheidsberoving, terwijl het feit de dood ten gevolg heeft.

5.2

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het medeplegen van de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving. De pleitnota houdt in dat verband in:

“4.2. Geen sprake van (voorwaardelijk) opzet, noch kan het medeplegen of de medeplichtigheid worden bewezen: daarom vrijspraak

4.2.1.

Het onder feit 2 tenlastegelegde wordt opgebouwd door een reeks handelingen die tezamen en in vereniging, althans alleen, zouden zijn verricht.

4.2.2.

Voor zover cliënt op de plaats delict kan worden geplaatst, geldt dat op basis van het dossier in ieder geval niet is komen vast te staan, dat cliënt een materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft gehad, zoals voor het medeplegen is vereist. Op grond van het onderliggende dossier kan niet worden vastgesteld dat hij enige bijdrage aan de voorbereiding van de plannen heeft geleverd. Daarnaast is zijn enkele aanwezigheid eerder die dag volstrekt onvoldoende om een bijdrage aan het ontvoeringsplan van te stellen. Er is geen enkel bewijs dat cliënt gesprekspartner is geweest in de voorbereiding van het plan. Van medeplegen kan dan ook geen sprake zijn.

4.2.3.

Cliënt komt pas op 16 februari in beeld, terwijl uit de chatgesprekken - waaraan hij uitdrukkelijk niet deelneemt - blijkt dat de ontvoering mogelijk eerder zou plaatsvinden. Het doel waarmee cliënt op de betrokken locaties is geweest kan dus niet worden vastgesteld, althans kan niet worden uitgesloten dat hij met een ander doel dan het ontvoeren van het slachtoffer op de locaties is geweest. Niet uitgesloten kan worden dat dat cliënt, zonder enige wetenschap van een ontvoeringsplan, op enig moment op die locatie is verschenen, zonder te beseffen wat zich op de achtergrond daadwerkelijk afspeelde. Er zijn in ieder geval geen objectieve aanknopingspunten die de wetenschap van cliënt veronderstellen. De redenering van de rechtbank op dit punt, dat op basis van het dossier het niet anders kan dat cliënt wel wetenschap had van een ontvoeringsplan, acht de verdediging onbegrijpelijk. Er is geen enkel bewijsmiddelen waar dat uit blijkt?

4.2.4.

Daar komt bij dat - indien uw hof cliënt zou koppelen aan de Mercedes - er juist contra-indicaties zijn voor de wetenschap van cliënt. Het feit dat de inzittenden van de Mercedes pas later uitstappen, maakt het goed mogelijk dat zij hebben gereageerd op een (voor hen) onverwachte confrontatie met geweld vanuit de zijde van het latere slachtoffer.

(…)

4.2.6.

Kortom: er is geen bewijs voor wetenschap, (in het verlengde daarvan) geen bewijs voor (voorwaardelijk) opzet, en geen bewijs voor betrokkenheid bij de voorbereiding of uitvoering van het plan. Vrijspraak zou daarom moeten volgen voor feit 2 in alle varianten.”

5.3

Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep – samengevat – aangevoerd dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat de verdachte enige bijdrage aan de voorbereiding van de plannen heeft geleverd en dat zijn aanwezigheid eerder die dag onvoldoende is om een bijdrage aan de uitvoering van dat plan vast te stellen.

5.4

Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een ander of anderen. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De vraag of aan deze vereisten is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Daarbij kan van belang zijn in hoeverre de concrete omstandigheden van het geval door de rechter kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen.

5.5

Het hof heeft – zoals bij de bespreking van middel 1 bleek - niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de verdachte ten tijde van de vrijheidsberoving op de plaats delict aanwezig was en dat hij in de nabijheid van het schietincident was. Het hof heeft vervolgens aan het oordeel dat de verdachte medepleger is van de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving ten grondslag gelegd dat er planmatig is gehandeld en intensief is samengewerkt door de verdachte en zijn medeverdachte. Daarbij wijst het hof op de drie ontmoetingen die hebben plaatsgevonden die verband hielden met het ontvoeringsplan en waarbij door een medeverdachte instructies werden gegeven. Het hof heeft in verband met de bijdrage van de verdachte erop gewezen dat de verdachte de bestuurder was van de Mercedes op het moment van de poging tot ontvoering en dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte 5] heeft meegedaan aan de worsteling die de medeverdachte uit de Audi waren aangegaan om het slachtoffer in de auto te krijgen. Het hof heeft voorts geoordeeld dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven die de redengevendheid van het voor hem belastende bewijs kan ontzenuwen. Het hof heeft op grond hiervan geoordeeld en kunnen oordelen dat de verdachte opzet heeft gehad op de nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededaders als opzet op de wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer.

5.6

Het tweede middel faalt.

6 Het derde middel

6.1

Het derde middel heeft betrekking op de door het hof onder feit 2 bewezenverklaarde strafverzwarende omstandigheid uit art. 282 lid 3 Sr, te weten dat het feit de dood ten gevolge heeft.

6.2

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het onder feit 2 bewezenverklaarde strafverzwarende gevolg, te weten dat het feit de dood ten gevolge heeft gehad, niet aan de verdachte kan worden toegerekend. De pleitnota houdt in dat verband in (met weglating van voetnoten):

“4.3 Strafverzwarend element ‘de dood ten gevolge hebbend’: vrijspraak

4.3.1.

Mocht uw hof - in uiterste weerwil van het standpunt van de verdediging - toch tot een bewezenverklaring komen van de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving, dan neemt de verdediging subsidiair het navolgende standpunt in ten aanzien van het strafverzwarend element 'de dood ten gevolge hebbend'. Deze, in de visie van de verdediging toch enigszins gekunstelde, manier van inrichten van de tenlastelegging roept een hoop vraagtekens op.

4.3.2.

Ten aanzien van dit strafverzwarende element oordeelt de rechtbank dat uit de bewijsmiddelen volgt dat cliënt en zijn medeverdachten van plan waren het slachtoffer met geweld te ontvoeren. Tijdens deze poging om het slachtoffer in een auto te duwen begint het slachtoffer te schieten, waarna het slachtoffer zelf in zijn rug en been wordt geschoten. Als gevolg hiervan is hij overleden.

4.3.3.

De rechtbank verbindt hieraan de - in de visie van de verdediging volstrekt onnavolgbare - conclusie dat onder voornoemde omstandigheden een zodanig verband tussen de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving en de dood van het slachtoffer bestaat, dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijs aan cliënt kan worden toegerekend.

4.3.4.

Allereerst stelt de verdediging de principiële vraag aan de orde of de tenlastegelegde kwalificatie - poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving de dood ten gevolge hebbend - juridisch überhaupt stand kan houden. Die vraag moet in de optiek van de verdediging ontkennend worden beantwoord.

4.3.5.

Met recht kan worden afgevraagd of de geobjectiveerde dood van het slachtoffer wel kan volgen in het geval dat het voor wat betreft de vrijheidsberoving bij een poging is gebleven. Nu de vrijheidsberoving nimmer is voltooid, kan de dood van het slachtoffer ook niet meer volgen uit de vrijheidsberoving, wat wel een vereiste voor een bewezenverklaring is.

4.3.6.

Voor het aannemen van een strafverzwarende omstandigheid is vereist dat de dood van het slachtoffer in causaal verband staat met het voltooide grondfeit - in dit geval: de vrijheidsberoving. De redelijke toerekening aan een niet-voltooid delict is juridisch onhoudbaar. Zonder voltooiing immers, geen gevolg. De ratio daarvan laat zich eenvoudig illustreren met het voorbeeld van poging tot zware mishandeling met de dood ten gevolge: die kwalificatie bestaat niet. Indien de dood het gevolg is, dan is er geen sprake van een poging, maar van voltooiing.

4.3.7.

Kort en goed: het causaal verband tussen een niet-voltooide vrijheidsberoving en de dood van het slachtoffer kan niet worden aangenomen. Alleen al daarom dient vrijspraak te volgen voor deze strafverzwarende omstandigheid.

4.3.8.

Voor het geval uw hof - tegen de opvatting van de verdediging in - zou oordelen dat een strafverzwarend gevolg tóch kan worden aangenomen bij een onvoltooid grondfeit, geldt bovendien het volgende. In dat scenario stelt de verdediging zich op het standpunt dat de dood van het slachtoffer niet in redelijkheid kan worden toegerekend aan de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving. Ter onderbouwing wijst zij op het navolgende.

4.3.9.

Om tot een bewezenverklaring van deze strafverzwarende omstandigheid te komen, moet het gevolg - de dood - redelijkerwijs aan cliënt kunnen worden toegerekend. Voor die toerekening dient naast een causaal verband, sprake te zijn van (enige mate van) voorzienbaarheid.

4.3.10.

De dood van het slachtoffer in deze zaak is geen rechtstreeks en / of voorzienbaar tot gevolg van de poging wederrechtelijke vrijheidsberoving. Slechts één van de uitvoerders, te weten de schutter, heeft - geheel op eigen initiatief - handelingen verricht die ertoe hebben geleid dat het slachtoffer is komen te overlijden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat een ander persoon dan cliënt de schutter is.

4.3.11.

Voor zover er al sprake was van een plan, dan bestond dat plan enkel uit het met meerdere uitvoerders in de bus duwen van het slachtoffer, om hem vervolgens naar een 'bunker' te brengen en hem aldaar te verhoren ten einde het gestolen geld en de Rolex terug te krijgen. Het (zwaar)mishandelen c.q. het ombrengen van het slachtoffer was in ieder geval geen onderdeel van het plan. Als uw hof al zou vaststellen dat cliënt op de plaats delict is geweest, hoefde cliënt er op geen enkele wijze rekening mee te houden dat er op het slachtoffer zou worden geschoten. Dat geldt temeer nu op grond van dit dossier niet kan worden vastgesteld dat cliënt enige mate van wetenschap heeft gehad ten aanzien van de aanwezigheid van vuurwapens. Dit maakt dat het overlijden van het slachtoffer om die reden niet voorzienbaar is geweest, waardoor de dood niet redelijkerwijs aan cliënt kan worden toegerekend.”

6.3

Voor het toepasselijke juridische kader verwijs ik naar de randnummers 6.2-6.30 van mijn conclusie in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 5] (zaak 25/02445). Daarin kom ik tot de slotsom dat er geen reden is waarom binnen het door mij uiteengezette algemeen juridisch kader zou moeten worden geoordeeld dat een poging tot vrijheidsberoving nooit de dood ten gevolg kan hebben. Wel zullen bij het oordeel over toerekening de specifieke omstandigheden van het geval moeten worden betrokken, waaronder de mate waarin de uitvoeringshandelingen van de poging de daadwerkelijke vrijheidsberoving nadert.

Bespreking van het middel

6.4

In de onderhavige zaak is bij de uitvoering van de bewezenverklaarde poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving het slachtoffer om het leven gekomen. Het hof heeft in dat verband onder meer vastgesteld dat de verdachte heeft deelgenomen aan een plan dat inhield dat het slachtoffer op klaarlichte dag op een parkeerplaats met geweld zou worden ontvoerd om hem vervolgens vast te houden. Tijdens de poging om het slachtoffer te ontvoeren heeft de verdachte vanuit de Mercedes contact gemaakt met het slachtoffer. Als vervolgens de Audi A6 komt aanrijden, klinkt er direct een luide knal en stappen twee personen uit de Audi A6, waarna een worsteling met het slachtoffer ontstaat. De verdachte stapt tijdens deze worsteling ook uit (aan de kant van de bestuurdersstoel van) de Mercedes en maakt direct een slaande beweging. Ook de bijrijder van de Mercedes, waarvan het hof heeft vastgesteld dat dat de medeverdachte [medeverdachte 5] is, neemt vervolgens deel aan de worsteling, waarna er (weer) een harde knal klinkt. De medeverdachte [medeverdachte 5] loopt vervolgens naar de BMW X5 van de medeverdachte [medeverdachte 4] . Dan zijn er meerdere knallen te horen, waarna het slachtoffer liggend op de grond achterblijft om vervolgens in de Ford Focus getild te worden. De verdachte rijdt daarna samen met een andere medeverdachte weg in de Mercedes. Het hof stelt vervolgens vast dat de politie de Ford Focus rijdend nabij [plaats] aantreft met daarin een ernstig gewond slachtoffer en dat het slachtoffer ter plaatse is overleden. Op basis van het NFI rapport stelt het hof kort gezegd nog vast dat “het overlijden van het slachtoffer zonder meer wordt verklaard door inwendige letsels als gevolg van” inschot- en doorschotletsels..

6.5

In de overwegingen van het hof ligt besloten dat de dood niet zou zijn ingetreden als de poging tot ontvoering niet had plaatsgevonden. Het schieten op het slachtoffer is ook als uitvoeringshandeling van de poging bewezenverklaard. De vaststelling door het hof dat de verdachte en zijn medeverdachten van plan waren het slachtoffer met geweld te ontvoeren en dat een aantal van hen uitrusting meenam, houdt in dat het gevolg voor de verdachte voorzienbaar was. De vaststellingen van het hof dat een worsteling gaande was waarin vier mensen probeerden het slachtoffer in een auto te duwen, kunnen ten slotte niet anders worden uitgelegd dan dat de vrijheidsberoving bijna (zo niet geheel) was voltooid. Het hierop gebaseerd oordeel van het hof dat een zodanig verband bestaat tussen de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving en de dood van het slachtoffer, dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend, acht ik niet onbegrijpelijk en - mede in het licht van hetgeen de verdediging daarover heeft aangevoerd - toereikend gemotiveerd.

6.6

Het derde middel faalt.

7 Het vierde middel

7.1

Het vierde middel klaagt over het onder 1 bewezenverklaarde medeplegen van doodslag. In het bijzonder wordt geklaagd over het bewezenverklaarde (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op de dood van het slachtoffer. De stellers van het middel voeren in dat verband aan dat “het hof het opzet van rekwirant [baseert] op abstracte ervaringsregels en veronderstelde voorzienbaarheid, zonder vast te stellen dat rekwirant concrete wetenschap had van de aanwezigheid of het mogelijke gebruik van een vuurwapen”. Daarmee miskent het hof, aldus de stellers van het middel, dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet bij medeplegen is vereist dat uit concrete feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat de verdachte zich bewust was van de reële kans op het dodelijke geweld door de mededader en die kans desondanks heeft aanvaard. Algemene aannames over het criminele milieu of de mogelijk oorzaak van geweld volstaan daarvoor niet.

7.2

De stellers van het middel wijzen ter onderbouwing op een arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2020. Het hof had in die zaak de vaststelling dat de verdachte op de hoogte was van het bezit van een vuurwapen bij de medeverdachte (de latere schutter) niet zozeer gebaseerd op de bewijsmiddelen, als wel (uitsluitend) op de algemene ervaringsregel dat bij de gezamenlijke uitvoering van een gezamenlijk voorgenomen ripdeal in het kader van een grote partij drugs het ‘in de lijn der verwachting’ ligt dat (door beide partijen) wapens meegebracht worden en deze indien nodig ook zullen worden gebruikt en dat zowel de verdachte als medeverdachte (de kennelijke schutter) hiervan op de hoogte waren. Het hof wijst er daarbij op dat een ripdeal gepaard gaat met het nodige gevaar en overleg vergt over de rolverdeling. Het niet inlichten van de verdachte over het wapen zou een wezenlijk risico voor zowel de verdachte als medeverdachte met zich brengen en dan ook niet voor de hand liggen. De Hoge Raad casseerde en oordeelde dat:

“2.4 Het oordeel van het Hof dat de verdachte het voor het medeplegen vereiste opzet op de door [betrokkene 1] gepleegde poging tot doodslag heeft gehad, is niet toereikend gemotiveerd. Het Hof heeft weliswaar vastgesteld dat de verdachte en [betrokkene 1] het plan hadden opgevat een partij hennep weg te nemen zonder te betalen en dit plan gezamenlijk hebben uitgevoerd, maar uit de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen – die, kort gezegd, op dit punt inhouden dat [betrokkene 1] met de verdachte de afspraak heeft gemaakt om vals geld te geven en de partij hennep mee te nemen, dat de verdachte wist dat het door [betrokkene 1] geprepareerde bundeltje grotendeels nepgeld betrof en dat zij zich verder “helemaal niet” hebben voorbereid op de afspraak – blijkt niet dat in enigerlei vorm een afspraak is gemaakt over het gebruik van een wapen, dan wel dat de verdachte wist dat [betrokkene 1] voor de uitvoering van het plan een wapen had geleend of zich bewust was van de mogelijkheid van het gebruik van een wapen door [betrokkene 1] bij die uitvoering dan wel dat de verdachte, nadat [betrokkene 1] begon met schieten, op enigerlei wijze heeft bijgedragen aan de poging tot doodslag. Anders dan kennelijk door het Hof is geoordeeld, kan het voor medeplegen vereiste opzet van de verdachte op de poging tot doodslag niet uitsluitend worden aangenomen op de gronden dat bij het dwingen van personen om waardevolle spullen af te staan dan wel het daartoe oplichten van personen binnen een crimineel milieu het in de lijn der verwachting ligt dat over en weer wapens worden meegebracht en zo nodig worden ingezet en dat het niet voor de hand ligt dat het meebrengen van een wapen niet bekend is bij of bekend wordt gemaakt aan een mededader.”

7.3

In de onderhavige zaak is mijns inziens het oordeel van het hof dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid en het mogelijke gebruik van een wapen ingebed in meer feiten en omstandigheden dan in de zaak die ten grondslag lag aan het arrest van 18 februari 2020. Uit de hiervoor aan gehaalde overwegingen van het hof volgt dat het hof in de onderhavige zaak (zij het ook met gebruik van algemene ervaringsregels) op andere en meer concrete gronden heeft vastgesteld dat de verdachte op de hoogte was van het vuurwapenbezit en van het mogelijke gebruik ervan bij de medeverdachte(n), namelijk, kort gezegd, dat gepoogd werd het lid van een gewapende groep te ontvoeren, terwijl de medeverdachten juist om die reden zelf wapens hadden meegenomen. Wat betreft de wetenschap van de verdachte heeft het hof ook bij zijn oordeel betrokken dat de verdachte in [plaats] aanwezig was bij een ontmoeting met andere [medeverdachte 1] , die een organiserende en sturende rol had, en instructies heeft gekregen over wat er in [plaats] moest gebeuren. En dat de verdachte zich in de worsteling met het slachtoffer is gaan mengen nadat al een schot had geklonken. Deze overwegingen houden niet alleen in dat de aanmerkelijke kans bestond dat de ontvoering gepaard zou gaan met vuurwapengeweld, maar ook dat deze aanleiding zou zijn voor het gebruik van vuurwapens.

7.4

Het hof heeft op grond van deze feiten en omstandigheden geoordeeld en kunnen oordelen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden door vuurwapengeweld vanuit de dadergroep waar de verdachte deel van uitmaakte, door uitvoering te geven aan het ontvoeringsplan met de wetenschap dat er (een) wapen(s) werd(en) meegenomen en het gebruik daarvan niet werd geschuwd, en waarbij met het slachtoffer een directe confrontatie werd aangegaan en werd geworsteld.

7.5

Het vierde middel faalt.

8 Het vijfde middel

8.1

Het vijfde middel heeft betrekking op een aantal getuigenverzoek en komt op tegen het oordeel van het hof dat het onaannemelijk is dat de eerder door het hof toegewezen getuigen binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting kunnen worden gehoord. Aangevoerd wordt dat de inspanningen van het openbaar ministerie zich hebben beperkt tot het verzenden van oproepingen naar (veelal verouderde) adressen van de getuigen en één enkel fysieke poging door de politie bij slechts één getuige. Deze beperkte inzet zou niet voldoen aan de maatstaf dat moet worden nagegaan of en hoe de politie kan bijdragen aan het achterhalen van de verblijfplaatsen van de getuigen. Ik begrijp het middel zo dat het betrekking heeft op de niet-verschenen getuigen en tevens medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] .

8.2

Het hof heeft op de terechtzitting van 16 februari 2024 het op de regiezitting van 2 februari 2024 verzoek van de raadsvrouw van de verdachte om de medeverdachten als getuigen te horen toegewezen. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt voor zover van belang in:

“Verzoeken in de zaak van de verdachte [verdachte]

Verzochte getuigen:

1. Het hof wijst toe het verzoek tot het horen als getuigen van de medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] . [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] en bepaalt dat de getuigen op een nader te bepalen terechtzitting tijdens de inhoudelijke behandeling dienen te worden gehoord.

(…)

De voorzitter deelt vervolgens als beslissing van het hof mee dat het onderzoek wordt geschorst voor onbepaalde tijd (in de zaak [verdachte] langer dan een maand maar niet langer dan drie maanden, om de klemmende reden dat het zittingsrooster van het hof een verdere behandeling van de zaak binnen één maand niet toelaat),

met bevel tot oproeping van de verdachten en de raadslieden tegen die dag en dat tijdstip.

Voor die zitting dienen tevens te worden opgeroepen de benodigde tolken en de nabestaanden.

De voorzitter deelt tevens mede dat het hof bepaalt dat voor de eerste dag van de nader te bepalen terechtzitting van de inhoudelijke behandeling de volgende getuigen dienen te worden opgeroepen:

- [medeverdachte 3] , geboren te [geboorteplaats] ) op [geboortedatum] 1994, zonder bekende woon- of verblijfplaats; - [medeverdachte 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, [adres] ;

- [medeverdachte 5] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, [adres] ;

- [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, thans gedetineerd in [verblijfplaats] ;

- [medeverdachte 4] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, [adres] ;

- [medeverdachte 6] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995, [adres] ;

- [medeverdachte 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, [adres] ;

- [medeverdachte 7] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, [adres] .”

8.3

Het hof heeft de zaak vervolgens inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 2 en 6 juni 2025. Het proces-verbaal van 2 juni 2025 vermeldt onder meer het volgende:

“Het hof hervat met instemming van de advocaat-generaal en de raadslieden het onderzoek ter terechtzitting in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting op 16 februari 2024.

(…)

Als raadslieden van verdachte [verdachte] zijn ter terechtzitting aanwezig mr. J.L. L'Homme en mr. B.J.T. van Opstal, advocaten te [plaats] .

(…)

De voorzitter stelt vast dat als getuigen ter terechtzitting zijn verschenen [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 7] , maar dat de verdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] niet zijn verschenen, hoewel zij wel behoorlijk zijn opgeroepen als getuigen in de zaken van de medeverdachten. De voorzitter vraagt de raadslieden hieromtrent een standpunt in te nemen.

Mr. L’Homme reageert in de zaak [verdachte] dat de verdediging persisteert bij het horen van de niet- verschenen medeverdachten als getuigen en dat de verdediging van de advocaat-generaal wil vernemen welke inspanningen het Openbaar Ministerie heeft verricht om hen op te roepen.

(…)

De advocaat-generaal deelt mede:

De medeverdachten zijn als getuigen opgeroepen op de bij ons bekende adressen. Sommigen zijn voortvluchtig en in die zaken is de oproeping betekend aan een medewerker van het Openbaar Ministerie. Omdat er van de [verdachte] een nieuw adres bekend was, is de politie daar wel langs geweest. Hij is op dat adres echter niet aangetroffen. Ik meen dat niet aannemelijk is dat het zal lukken om de niet-verschenen getuigen in onderhavige zaken binnen een afzienbare tijd te horen, zodat met de inhoudelijke behandeling kan worden doorgegaan.

De voorzitter deelt mee dat het hof hier later op zal terugkomen en gaat over tot het horen van de verschenen getuigen.”

8.4

Namens de verdachte is vervolgens op de terechtzitting van 6 juni 2025 het voorwaardelijke verzoek gedaan om de medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] , die als getuigen waren toegewezen maar niet gehoord, alsnog te horen. De pleitnota houdt in dat verband in (met weglating van een voetnoot):

“7.2. Niet gehoorde, maar wel als getuige toegewezen medeverdachten alsnog horen

7.2.1.

Om te beginnen met de niet gehoorde, maar wél als getuige toegewezen medeverdachten. Het betreft de getuigen [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] , die bij beslissing van uw hof ter terechtzitting d.d. 16 februari 2024 zijn toegewezen.

7.2.2.

Mocht uw hof in raadkamer tot een bewezenverklaring van een of meerde feiten komen dan wenst de verdediging deze getuigen alsnog te kunnen bevragen. Meer concreet wenst de verdediging dat het onderzoek wordt heropend en dat uw hof het Openbaar Ministerie gelast (alsnog) de nodige inspanningen te verrichten en voornoemde getuigen naar behoren op te roepen opdat voornoemde personen alsnog door de verdediging kunnen worden gehoord. Het belang van cliënt om deze getuigen te kunnen bevragen is evident, nu het medeverdachten betreft die bij uitstek kunnen verklaren over het tenlastegelegde en degenen zijn die de lezing van cliënt kunnen bevestigen. Immers, zij waren volgens het Openbaar Ministerie betrokken bij de ontvoeringspoging in [plaats] .

7.2.3.

Het betreffen reeds toegewezen getuigen, waarbij het dus niet de vraag is óf er belang bestaat om hen te horen. Alleen onder de voorwaarden van artikel 288 Sv kan van oproeping worden afgezien. Daarvoor is vereist dat

a) het onaannemelijk is dat de getuige binnen aanvaardbare termijn zal verschijnen;

b) de gezondheid of het welzijn van de getuige ernstig in gevaar komt bij verhoor; of

c) het openbaar ministerie of de verdediging daardoor niet wordt geschaad.

7.2.4.

Van geen van deze uitzonderingen is in casu sprake, reden waarom de verdediging tijdens de zitting van afgelopen maandag verzocht om meer informatie over de inspanningen die zijn verricht om de getuigen ter zitting te laten verschijnen. Daaruit bleek dat de oproeping beperkt is gebleven tot verzending aan 'de bekende adressen'. Alleen ten aanzien van getuige [medeverdachte 1] is de politie volgens de advocaat-generaal fysiek langsgegaan. Voor de overige getuigen is geen enkele aanvullende inspanning verricht.

7.2.5.

Daarmee rijst de vraag: hoe wordt hier voldaan aan de actieve inspanningsplicht die voortvloeit uit het EVRM? Uit vaste rechtspraak van het EHRM, o.a. Schatschaschwili t. Duitsland (EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10), volgt immers dat staten verplicht zijn "alle redelijke inspanningen" te verrichten om de verschijning van belastende getuigen te bewerkstelligen. Slechts oproepen op een oud adres voldoet niet aan die norm wat de verdediging betreft.

7.2.6.

De gevolgde handelswijze - minimale inspanning, geen hernieuwde pogingen, geen opsporingsbevoegdheden benut, en geen internationale rechtshulp overwogen - voldoet naar de mening van de verdediging niet aan de standaard die artikel 288 Sv en het EVRM stellen. De afwezigheid van de getuigen is in de visie van de verdediging in deze situatie toe te rekenen aan het Openbaar Ministerie.

7.2.7.

Het achterwege laten van hun oproeping, zonder toepassing van artikel 288 Sv, zou derhalve in strijd zijn met de wet én met artikel 6 EVRM. Mocht uw hof in raadkamer voornemens zijn om tot een bewezenverklaring van een of meerdere feiten komen, dan meent de verdediging dat het gesloten onderzoek moet worden heropend en het Openbaar Ministerie moet worden gelast te voldoen aan de inspanningsverplichting met betrekking tot de oproeping van de getuigen, met als uiteindelijke doel dat de getuigen alsnog in hoger beroep kunnen worden gehoord.”

8.5

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 juni 2025 houdt verder in:

“Vervolgens voeren mr. L’Homme en mr. Van Opstal in de zaak [verdachte] het woord tot verdediging aan de hand van op schrift gestelde pleitnotities. Deze worden aan het hof overgelegd en in het dossier gevoegd. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd. In aanvulling voeren de raadslieden aan:

(…)

In het kader van de voortvluchtigheid van de niet-verschenen medeverdachten wijzen wij met betrekking tot het voorwaardelijk verzoek hen te horen op de inspanningsverplichting die voor het Openbaar Ministerie geldt om hen op te roepen. Er is geen internationaal rechtshulpverzoek gedaan, dus het Openbaar Ministerie is nalatig geweest. Wij hebben ook begrepen dat de raadslieden van de medeverdachten in contact staan met hun cliënten, dus wellicht is er op dat vlak nog een weg te bewandelen.

(…)

De advocaat-generaal wordt in de zaak [verdachte] in de gelegenheid gesteld het woord in repliek te voeren. De voorzitter vraagt de advocaat-generaal om daarbij in te gaan op de vraag welke inspanningen het Openbaar Ministerie heeft verricht om de niet-verschenen medeverdachten te traceren, teneinde hen als getuigen op te roepen. De advocaat-generaal voert het woord tot repliek:

(…)

Het voorwaardelijk verzoek tot het horen van de niet-verschenen medeverdachten als getuigen moet worden afgewezen. Het is niet voorzienbaar dat zij binnen een afzienbare tijd zullen verschijnen. Er is geen zicht op een verblijfplaats van de medeverdachten in Nederland of in het buitenland. De medeverdachten zijn voortvluchtig en staan internationaal gesignaleerd. Dat laatste heeft tot op heden niet tot een reactie geleid. Omdat de medeverdachten in de hoedanigheid van getuige dienen te worden opgeroepen in onderhavige zaak, heeft het Openbaar Ministerie geen opsporingsbevoegdheden. Bij gebrek aan een concrete aanwijzing over óf en waar in het buitenland de medeverdachten zich zouden bevinden, heeft het Openbaar Ministerie geen aanknopingspunt voor een land waarheen een rechtshulpverzoek kan worden uitgevaardigd.

De raadslieden hebben ons ook niet van gegevens daartoe voorzien. De politie had enkel een aanknopingspunt voor de medeverdachte [medeverdachte 1] in de vorm van een adres dat nieuw was geregistreerd in het BRP als zijnde zijn verblijfplaats. De politie is daar langs geweest. Op dat adres woonden echter personen die geen relatie tot hem hadden. [medeverdachte 1] wordt overigens ook gezocht door de Poolse autoriteiten.”

8.6

Het hof heeft bij arrest de voorwaardelijke verzoek afgewezen en daartoe het volgende overwogen:

“Voorwaardelijke verzoeken

De verdediging heeft de volgende drie voorwaardelijke verzoeken gedaan, indien het hof tot een bewezenverklaring van de (gekwalificeerde) doodslag en/of tot een bewezenverklaring van de strafverzwarende omstandigheid bij de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving zou komen en hiervoor niet het beroep op noodweer zou honoreren. Aan deze voorwaarden is gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, de bewezenverklaring en nu het hof hierna het noodweerscenario zal verwerpen voldaan, zodat het hof aan de beoordeling van deze verzoeken toekomt.

1. Horen medeverdachten als getuigen

De verdediging heeft verzocht dat het onderzoek wordt heropend en dat het hof het Openbaar Ministerie gelast (alsnog) de nodige inspanningen te verrichten teneinde de niet gehoorde, maar wel als getuige toegewezen medeverdachten naar behoren op te roepen opdat zij alsnog door de verdediging kunnen worden gehoord. Dit betreft de medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] . Aan geen van de voorwaarden om van oproeping af te zien volgens artikel 288 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is voldaan. De gevolgde handelswijze van het Openbaar Ministerie - minimale inspanning, geen hernieuwde pogingen, geen opsporingsbevoegdheden benut, en geen internationale rechtshulp overwogen - voldoet niet aan de standaard die artikel 288 Sv en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) stellen. Het achterwege laten van hun oproeping, zonder toepassing van artikel 288 Sv, zou derhalve in strijd zijn met de wet én met artikel 6 EVRM, aldus de verdediging.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onaannemelijk is dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord.

Juridisch kader

Artikel 288, eerste lid aanhef en onder a, Sv in verbinding met artikel 287, derde lid aanhef en onder b, Sv kent de mogelijkheid af te zien van de hernieuwde oproeping van een niet verschenen getuige die aan de eerdere oproeping geen gevolg heeft gegeven, onder meer indien het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. Dit kan onder meer aan de orde zijn als het gaat om een getuige die niet traceerbaar is of als te verwachten valt dat de getuige pas na verloop van lange tijd kan worden gehoord. De mogelijkheid om op grond van die bepaling af te zien van het oproepen van de getuige laat echter onverlet dat de rechter, voordat hij uitspraak doet, zich ervan dient te vergewissen dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 van het EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Dit volgt onder meer uit de jurisprudentie van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) over het door artikel 6, derde lid, aanhef en onder d, EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht. Bij de beoordeling op grond van artikel 288 Sv geldt niet de verplichting voor de rechter ervan blijk te geven in die beslissing de aard van de zaak en - in het bijzonder - het belang van de getuigenverklaring te hebben betrokken. Dit komt bij de beoordeling van artikel 6 EVRM pas aan de orde.

(…)

Horen binnen aanvaardbaar termijn (artikel 288 Sv)

Tijdens de regiebehandeling op 16 februari 2024 heeft het hof in onderhavige zaak de verzoeken van de verdediging toegewezen om medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] als getuigen te horen. Het hof heeft bepaald dat de getuigen op een terechtzitting tijdens de inhoudelijke behandeling dienen te worden gehoord. De medeverdachten zijn vervolgens opgeroepen om als getuige in onderhavige zaak te verschijnen op de terechtzitting van 2 juni 2025. Elk van deze oproepingen is uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie. De advocaat-generaal heeft op de terechtzittingen van de inhoudelijke behandeling als volgt toegelicht welke inspanningen het Openbaar Ministerie heeft ondernomen teneinde de medeverdachten als getuigen te kunnen oproepen. De medeverdachten zijn als getuigen opgeroepen op de adressen die bij het Openbaar Ministerie bekend waren, maar verbleven daar niet meer. Er is geen zicht op een verblijfplaats van de medeverdachten in Nederland of in het buitenland. De medeverdachten zijn voortvluchtig en staan internationaal gesignaleerd. Dat laatste heeft tot op heden niet tot een aanwijzing van een verblijfplaats geleid. De politie had enkel een aanknopingspunt voor medeverdachte [medeverdachte 1] in de vorm van een adres dat nieuw was geregistreerd in het BRP als zijnde zijn verblijfplaats. De politie is daar langs geweest. Op dat adres woonden echter personen die geen relatie tot hem hadden. [medeverdachte 1] wordt overigens ook gezocht door de Poolse autoriteiten. Bij gebrek aan een concrete aanwijzing over (of en) waar in het buitenland de medeverdachten zich zouden bevinden, heeft het Openbaar Ministerie geen aanknopingspunt voor een land waarheen een rechtshulpverzoek kan worden uitgevaardigd. Omdat de medeverdachten in de hoedanigheid van getuige dienen te worden opgeroepen in onderhavige zaak, heeft het Openbaar Ministerie ook anderszins geen opsporingsbevoegdheden.

Op de terechtzitting van 2 juni 2025 zijn de getuigen niet verschenen en heeft de verdediging ten aanzien van hen geen afstand gedaan van het ondervragingsrecht.

Het hof is van oordeel dat op basis van het voorgaande voldoende is komen vast te staan dat de Nederlandse autoriteiten hebben voldaan aan de inspanningsverplichting die volgt uit artikel 6, derde lid onder d, EVRM, maar dat het desondanks niet is gelukt de getuigen te traceren. Actuele adressen of verblijfplaatsen van deze medeverdachten zijn niet bekend, noch enig aanknopingspunt daartoe. Een internationale signalering heeft tot op heden geen resultaat opgeleverd. Een aanknopingspunt op grond waarvan duidelijk is naar welk land een rechtshulpverzoek zou moeten worden uitgevaardigd ontbreekt dan ook. Hierdoor is het onaannemelijk dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn zouden kunnen verschijnen teneinde te worden gehoord. Gelet daarop is het hof van oordeel dat van de (hernieuwde) oproeping van de getuigen kan worden afgezien en wijst het hof het voorwaardelijk verzoek af.”

8.7

Artikel 288 lid 1, aanhef en onder a, Sv luidt:

“De rechtbank kan van de oproeping van niet verschenen getuigen als bedoeld in artikel 287, derde lid, bij met redenen omklede beslissing afzien, indien zij van oordeel is dat:

a. het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen.”

8.8

In zijn arrest van 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:466 heeft de Hoge Raad over deze bepaling overwogen:

“2.4.4 Toepassing van artikel 288 lid 1, aanhef en onder a, Sv kan onder meer aan de orde zijn als het gaat om een getuige die niet traceerbaar is of als te verwachten valt dat de getuige pas na verloop van lange tijd kan worden gehoord. De mogelijkheid om op grond van die bepaling af te zien van het oproepen van de getuige laat echter onverlet dat de rechter, voordat hij uitspraak doet, zich ervan dient te vergewissen dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Dit volgt onder meer uit de jurisprudentie van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) over het door artikel 6 lid 3, aanhef en onder d, EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht. Deze rechtspraak houdt, voor zover hier van belang, het navolgende in.

2.4.5

Waar het gaat om zogenoemde “prosecution witnesses” houdt de rechtspraak van het EHRM in, kort gezegd, dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van de getuige moet worden voorondersteld. Dat betekent echter niet dat elk (herhaald) verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die al een belastende verklaring heeft afgelegd, door de rechter zonder meer moet worden toegewezen. Er kan een “good reason for the witness’s non-attendance” bestaan. Zo’n goede reden kan zijn gelegen in “the witness’s absence owing to unreachability”. Het bestaan van deze laatstgenoemde reden is niet afhankelijk van het belang van de verklaring, maar wordt bepaald door - kort gezegd - de inspanningen van de autoriteiten om een ondervragingsgelegenheid te realiseren. Het EHRM heeft hierover het volgende overwogen in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland (EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10):

“120. In cases concerning a witness’s absence owing to unreachability, the Court requires the trial court to have made all reasonable efforts to secure the witness’s attendance (see Gabrielyan v. Armenia, no. 8088/05, § 78, 10 April 2012; Tseber v. the Czech Republic, no. 46203/08, § 48, 22 November 2012; and Kostecki v. Poland, no. 14932/09, §§ 65 and 66, 4 June 2013). The fact that the domestic courts were unable to locate the witness concerned or the fact that a witness was absent from the country in which the proceedings were conducted was found not to be sufficient in itself to satisfy the requirements of Article 6 § 3 (d), which require the Contracting States to take positive steps to enable the accused to examine or have examined witnesses against him (see Gabrielyan, cited above, § 81; Tseber, cited above, § 48; and Lučić v. Croatia, no. 5699/11, § 79, 27 February 2014). Such measures form part of the diligence which the Contracting States have to exercise in order to ensure that the rights guaranteed by Article 6 are enjoyed in an effective manner (see Gabrielyan, cited above, § 81, with further references). Otherwise, the witness’s absence is imputable to the domestic authorities (see Tseber, cited above, § 48, and Lučić, cited above, § 79).

121. It is not for the Court to compile a list of specific measures which the domestic courts must have taken in order to have made all reasonable efforts to secure the attendance of a witness whom they finally considered to be unreachable (see Tseber, cited above, § 49). However, it is clear that they must have actively searched for the witness with the help of the domestic authorities including the police (see Salikhov, cited above, §§ 116-17; Prăjină v. Romania, no. 5592/05, § 47, 7 January 2014; and Lučić, cited above, § 79) and must, as a rule, have resorted to international legal assistance where a witness resided abroad and such mechanisms were available (see Gabrielyan, cited above, § 83; Fąfrowicz, cited above, § 56; Lučić, cited above, § 80; and Nikolitsas, cited above, § 35).”

(...)

2.4.7

Waar het gaat om zogenoemde “defence witnesses” moet, als een toereikend gemotiveerd verzoek wordt gedaan om een getuige te horen, de relevantie van een verklaring van die getuige worden betrokken bij de beslissing of de getuige wordt gehoord. Dat staat er echter niet aan in de weg dat, als erop zichzelf toereikende gronden zijn om de getuige te horen, het oproepen van de getuige toch achterwege blijft vanwege “the witness’s unreachability”. Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt niet dat daarbij andere maatstaven zouden gelden dan onder 2.4.5 zijn geciteerd. Wel zal de rechter in dat geval moeten beoordelen of, gegeven het ontbreken van de mogelijkheid om die getuige te (doen) ondervragen, de procedure als geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces (zie onder meer EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin/Nederland), § 42-43 en HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1931).”

8.9

Het hof heeft vastgesteld dat de medeverdachten als getuigen zijn opgeroepen op de adressen die bij het openbaar ministerie bekend waren, dat de getuigen niet meer op die adressen verbleven en er geen zicht is op een verblijfplaats van de medeverdachten in Nederland of in het buitenland. Wat betreft de inspanningen van de politie heeft het hof vastgesteld dat de (opgeroepen en niet verschenen) medeverdachten voortvluchtig zijn en internationaal staan gesignaleerd. Deze signalering heeft niet tot een aanwijzing van een verblijfplaats geleid. De politie had enkel een aanknopingspunt voor de medeverdachte [medeverdachte 1] in de vorm van een adres dat nieuw was geregistreerd in het BRP als zijnde zijn verblijfplaats. De politie is langs dit adres gegaan maar daar woonden personen die geen relatie tot [medeverdachte 1] hadden. [medeverdachte 1] wordt daarnaast ook door de Poolse autoriteiten gezocht. Het hof komt vervolgens tot het oordeel dat voldoende is vast komen te staan dat de Nederlandse autoriteiten hebben voldaan aan de inspanningsverplichting die volgt uit art. 6 lid 3 onder d EVRM.

8.10

Het oordeel van het hof komt er dus op neer dat er een goede reden is voor “the witness’s absence owing to unreachability”, omdat de autoriteiten voldoende inspanningen hebben verricht om een ondervragingsgelegenheid te realiseren en er verder geen aanknopingspunten zijn de getuigen te vinden. Het hof heeft een rechtshulpverzoek ook niet zinvol geoordeeld omdat een aanknopingspunt op grond waarvan duidelijk is naar welk land een rechtshulpverzoek zou moeten worden uitgevaardigd ontbreekt. Dat oordeel is op basis van de feitelijke vaststellingen van het hof niet onbegrijpelijk.

8.11

Het vijfde middel faalt

9 Het zesde middel

9.1

Het zesde middel klaagt over het oordeel van het hof dat de bewezenverklaarde gedragingen meerdaadse samenloop als bedoeld in art. 57 Sr opleveren. De stellers van het middel voeren in dat verband aan dat de omstandigheid dat het dodelijke geweld volgens het hof een “op zichzelf staande gedraging” vormt, het oordeel dat sprake is van meerdaadse samenloop niet kan dragen. Het hof zou daarmee blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat oordeel ontoereikend hebben gemotiveerd.

9.2

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde eendaadse samenloop oplevert. Het hof heeft in afwijking hiervan geoordeeld dat de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten dienen te worden beschouwd als meerdaadse samenloop. Het hof heeft dat oordeel in de overwegingen over de op te leggen straf als volgt gemotiveerd:

“Het hof stelt voorop dat, anders dan de advocaat-generaal heeft betoogd, de bewezenverklaarde feiten dienen te worden beschouwd als meerdaadse samenloop, zoals bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof stelt vast dat de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving reeds was aangevangen en dat het latere gebruik van dodelijk geweld, te weten het meermalen op het slachtoffer schieten, een op zichzelf staande gedraging vormt. Dit schieten had immers niet tot doel de vrijheidsberoving alsnog te voltooien, maar was kennelijk gericht op het uitschakelen van het slachtoffer dat zich verzette. Het doden van het slachtoffer is derhalve niet op te vatten als een noodzakelijk of onvermijdelijk bestanddeel van de poging tot vrijheidsberoving. Aldus is sprake van twee onderscheiden feiten, hetgeen meerdaadse samenloop oplevert.”

9.3

De Hoge Raad heeft in 2017 in twee arresten algemene opmerkingen gemaakt over eendaadse samenloop, voortgezette handeling en meerdaadse samenloop. In HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111 is over (de verhouding tussen) de verschillende figuren (met weglating van de voetnoten) het volgende overwogen:

“2.7 In de rechtspraak van de Hoge Raad over eendaadse samenloop is gaandeweg sterk het accent komen te liggen op de strekking van de aan de orde zijnde strafbepalingen. Indien die strekking uiteenloopt, is geen sprake van "één feit" in de zin van art. 55, eerste lid, Sr. Deze sterk juridisch getinte toetsing met een nadruk op de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, leidt tot een beperkt bereik van de regeling van de eendaadse samenloop.

Uit die rechtspraak moet echter niet worden afgeleid dat eenzelfde strekking een noodzakelijke voorwaarde is voor het aannemen van eendaadse samenloop, zoals blijkt uit de recente jurisprudentie over het witwassen en de heling van dezelfde voorwerpen. Dat de strafbaarstelling van witwassen in sterkere mate dan bij heling het geval is, strekt ter bescherming van de integriteit van het financiële en economische verkeer, staat aan het aannemen van eendaadse samenloop niet in de weg indien het gaat om - naar de kern genomen - hetzelfde feitencomplex.

Evenmin is uitgesloten dat sprake is van een voortgezette handeling in de zin van art. 56, eerste lid, Sr van heling en witwassen indien aan de gedragingen van de verdachte met betrekking tot hetzelfde voorwerp één ongeoorloofd wilsbesluit ten grondslag ligt. Dat sluit aan bij eerdere rechtspraak over de voortgezette handeling waarin - in overeenstemming met de wetsgeschiedenis - centraal staan de met elkaar samenhangende eisen dat de verschillende strafbare feiten gelijksoortig zijn, en dat zij, chronologisch gezien, een nauw verband hebben, met één ongeoorloofd wilsbesluit als grondslag.

2.8.

Uit hetgeen hiervoor onder 2.6 is overwogen blijkt dat ook de wetgever zich ervan bewust is dat recente wetgeving aanleiding geeft tot zorg over dubbele bestraffing en dat tegen die zorg wordt ingebracht dat de samenloopregeling waarborgen en oplossingen biedt. Dat betekent dat de samenloopregeling - en dan meer in het bijzonder de eendaadse samenloop en de voortgezette handeling - daarvoor ook daadwerkelijk voldoende ruimte moet bieden.

Daarom moet worden benadrukt dat naar huidig inzicht een enigszins uiteenlopen van de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet in de weg staat aan het aannemen van eendaadse samenloop indien het in essentie om hetzelfde feitencomplex gaat. Een dergelijk uiteenlopen is evenmin een blokkade voor het aannemen van een voortgezette handeling.

In het bijzonder verdient dus aandacht dat de rechter ruimte heeft voor het aannemen van eendaadse samenloop of een voortgezette handeling, ook indien de bewezenverklaring valt onder meerdere strafbepalingen met een enigszins uiteenlopende strekking.

Vervolgens komt het voor de eendaadse samenloop vooral aan op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezenverklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het "wilsbesluit") zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt.

Het voorgaande brengt mee dat het toepassingsbereik van deze regelingen ruimer is dan wellicht kon worden afgeleid uit eerdere rechtspraak waarin vooral de verschillen in de strekking van de betrokken strafbepalingen centraal stonden.

2.9.

De hierboven aangeduide ruimte voor eendaadse samenloop en voortgezette handeling vindt mede steun in het vooral met art. 55, eerste lid, Sr verwante art. 68 Sr dat ook dubbele bestraffing wil voorkomen. Ook in dat verband is immers bij de beantwoording van de vraag of sprake is van "hetzelfde feit" - naast de aan de orde zijnde gedraging van de verdachte - de juridische aard van de aan de orde zijnde feiten relevant, waarbij geen identieke strekking van de desbetreffende strafbepalingen is vereist, maar waarbij vooral van belang is of hun strekking niet wezenlijk uiteenloopt.

Het hiervoor onder 2.8 weergegeven toetsingskader voor "één feit" als bedoeld in art. 55, eerste lid, Sr kan echter niet worden gelijkgeschakeld met het toetsingskader voor "hetzelfde feit" in de zin van art. 68 Sr. Bij art. 68 Sr staat de vervolgbaarheid voorop, in die zin dat de verdachte niet opnieuw in rechte mag worden betrokken na een eerdere onherroepelijke rechterlijke einduitspraak over hetzelfde feit, en dat de tenlastelegging niet op de voet van art. 313 Sv aldus kan worden gewijzigd dat de verdachte alsnog wordt vervolgd voor een ander feit dan hem is tenlastegelegd. Bovendien wordt het ne bis in idem-beginsel dat aan art. 68 Sr ten grondslag ligt - anders dan de samenloop - mede bepaald door Europese regelgeving en rechtspraak.”

9.4

Tegen de achtergrond van de hier geformuleerde maatstaf, laat de overweging die het hof in de onderhavige zaak ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat sprake is van meerdaadse samenloop, zich moeilijk duiden. De zin “Het doden van het slachtoffer is derhalve niet op te vatten als een noodzakelijk of onvermijdelijk bestanddeel van de poging tot vrijheidsberoving” zou kunnen worden opgevat als een duiding van de verschillende strekking van de strafbaarstellingen van vrijheidsberoving en doodslag. Uit de feitelijke context waarin deze overweging is geplaatst, leid ik echter af dat het de conclusie van het hof weergeeft dat de bewezenverklaarde gedragingen niet in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Anders dan de stellers van het middel zie ik dan ook niet dat het hof een eis heeft gesteld die het recht niet kent.

9.5

Om tot deze conclusie te komen heeft het hof vastgesteld dat de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving al was aangevangen en dat het latere gebruik van dodelijk geweld, te weten het meermalen op het slachtoffer schieten, een afzonderlijke, op zichzelf staande gedraging vormt. Het hof heeft daarbij betrokken dat het schieten niet tot doel had om de vrijheidsberoving alsnog te voltooien, maar kennelijk was gericht op het uitschakelen van het slachtoffer dat zich verzette.

9.6

Deze redenering acht ik echter niet zonder meer begrijpelijk. Het hof heeft immers bewezenverklaard dat de dood van het slachtoffer het gevolg is geweest van de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving. Meer specifiek heeft het hof onder 2 als uitvoeringshandeling van die poging tot vrijheidsberoving bewezenverklaard dat de verdachte en zijn mededaders het slachtoffer “met een vuurwapen in het lichaam heeft geschoten”. Hoe dan sprake kan zijn van ‘later’ gebruik van geweld dat een ‘afzonderlijke, op zichzelf staande gedraging vormt’, is zonder nadere motivering niet duidelijk.

9.7

Ik stel vast dat het hof de strekking van de in de onderhavige zaak van toepassing zijnde strafbepalingen niet kenbaar in zijn oordeel heeft betrokken. Deze strekking loopt (deels) uiteen. De strafbaarstelling van art. 287 Sr (doodslag) is geplaatst in titel XIX met het opschrift ‘Misdrijven tegen het leven gericht’ en strekt ter bescherming van het leven. De strafbaarstelling van art. 282 Sr (de wederrechtelijke vrijheidsberoving) is geplaatst in titel XVIII met het opschrift ‘Misdrijven tegen de persoonlijk vrijheid’ en strekt ter bescherming van de lichamelijk vrijheid. Wat deze laatste bepaling betreft heeft het hof ook de strafverzwarende omstandigheid uit het derde lid bewezenverklaard. Dat artikellid beschermt – naast de lichamelijke vrijheid – ook het leven. Mij komt het voor dat bij de beoordeling in hoeverre de strekking van de betreffende strafbepalingen uiteenloopt het accent moet worden gelegd op het kernverwijt, in dit geval de wederrechtelijke vrijheidsberoving. De bewezenverklaring van het (strafverzwarende) geobjectiveerde gevolg speelt daarbij een minder prominente rol. Dit verschil is echter niet zodanig groot dat ongeacht de feitelijke gang van zaken moet worden gezegd dat van een eendaadse samenloop geen sprake kan zijn.

9.8

Het oordeel van het hof dat bij de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten sprake is van meerdaadse samenloop kan dan ook niet in stand blijven, zodat het zesde middel slaagt.

9.9

Bovendien bestaat er in dit geval ook belang bij cassatie. Het verschil tussen eendaadse (art. 55 Sr) en meerdaadse samenloop acht ik in dit geval wel relevant voor de beslissing over de straf. Bij eendaadse samenloop nadert de opgelegde straf van twaalf jaren en zes maanden dicht de maximale straf van vijftien jaren, waarbij het hof ook nog eens hoger heeft gestraft dan door de advocaat-generaal die - als gezegd – bij het bepalen van de eis is uitgegaan van eendaadse samenloop was gevorderd. Daarmee kan niet worden gezegd dat de opgelegde straf ver onder het bij eendaadse samenloop geldende strafmaximum zou liggen.

9.10

Het zesde middel slaagt.

10 Afronding

10.1

De eerste vijf middelen falen. Het eerste, tweede, vierde en vijfde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het zesde middel slaagt.

10.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

10.3

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

ECLI:NL:GHAMS:2025:1698. Zie bijvoorbeeld HR 13 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:41, rov. 2.3. De als getuigen opgeroepen medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 7] zijn op de terechtzitting van 2 juni 2025 wel verschenen. Art, 57 Sr is met ingang van 1 juli 2026 gewijzigd. Onder andere is het maximum van de gezamenlijke straf bij gelijktijdige berechting van meerdere afzonderlijke feiten omhoog gegaan van één derde naar de helft boven het hoogste wettelijke strafmaximum. Deze wet heeft geen gevolgen voor de straf die ten hoogste kan worden opgelegd voor feiten die zijn begaan voor de inwerkingtreding van deze wet, aldus art. III lid 1 Wet herziening regeling meerdaadse samenloop in strafzaken (Stb. 2026, 20). ECLI:NL:HR:2017:1111/1115. Ten tijde van het bewezenverklaarde werd overtreding van art. 287 Sr bedreigd met een gevangenisstraf van maximaal vijftien jaar en overtreding van art. 282 lid 3 Sr met een gevangenisstraf van maximaal twaalf jaar. Dat ligt anders in het geval het gaat om een gekwalificeerd delicten waarbij de delicten bestaan uit twee of meer onderdelen die elk op zichzelf ook strafbare feiten (kunnen) zijn, zoals bijvoorbeeld diefstal door middel van braak en vernieling. Vgl in dat verband HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1068 waarin het hof meerdaadse samenloop aannam ten aanzien van een (gekwalificeerde) diefstal met braak en een vernieling. De Hoge Raad achtte dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk en wees daarbij erop dat de bewezenverklaarde vernielingshandelingen een zich op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren, waarbij de bewezenverklaarde braak door het trachten te forceren van twee ramen bestaat uit het vernielen en/of beschadigen van ramen van dezelfde woning. De Hoge Raad oordeelde vervolgens dat ”de strekking van de betreffende strafbepalingen - te weten art. 311, eerste lid onder 5°, Sr en art. 350 Sr – (…) niet dusdanig uiteen[loopt] dat niet zou kunnen worden geoordeeld dat de verdachte van die handelingen (in wezen) één verwijt wordt gemaakt”. Zie hierover nader F.C.W. de Graaf, Meervoudige aansprakelijkstelling, Een analyse van rechtsfiguren die aansprakelijkstelling voor meer dan één strafbaar feit normeren (diss. Amsterdam VU), Den Haag: Boom juridisch 2018, p. 34-40. Ik wijs in dit verband op de passage uit de wetsgeschiedenis bij de strafbaarstelling van de gijzeling die ik heb aangehaald in de conclusie in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 5] (zaak 25/02445). Daarin wordt eendaadse samenloop niet uitgesloten. Voor een geval waarin de meerdaadse samenloop door de Hoge Raad in stand werd gelaten, zie HR 30 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1402 (art. 81.1 RO) en de daaraan voorafgaande conclusie van AG Sinnige (ECLI:NL:PHR:2025:664). Vgl. HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1114, rov. 3.4 en HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831, rov. 3.5.