Strafrecht overig

De verdachte wordt ter zake van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 6 november 2026

Zaakgegevens

Op 6 november 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
6 november 2026
Datum publicatie
6 november 2026
Zaaknummer
20-001233-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:3131
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De verdachte wordt ter zake van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd (feit 1) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren en 8 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek.

Tevens wordt aan de verdachte ter zake van overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (feit 2 subsidiair) een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar opgelegd.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 26 april 2024

    ECLI:NL:RBZWB:2024:2748
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 6 november 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2026:3131

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

Parketnummer : 20-001233-24

Uitspraak : 6 november 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 26 april 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-222569-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd’ (het onder 1 tenlastegelegde) en ‘overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht’ (het onder 2 primair tenlastegelegde), terwijl bij de feiten 1 en 2 primair van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht sprake is, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de rechtbank aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren opgelegd, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest. Tot slot heeft de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte onder 1, in meerdaadse samenloop begaan, en 2 primair is tenlastegelegd, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid, en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde tevens een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 10 jaren zal opleggen.

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde primair vrijspraak bepleit ten aanzien van de zwaarste vorm van schuld, roekeloosheid. Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde heeft de verdediging naar voren gebracht dat hooguit ‘aanmerkelijke onvoorzichtigheid’ bewezen kan worden verklaard en tevens bepleit dat sprake is van eendaadse samenloop. Ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde heeft de verdediging daarnaast bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken en subsidiair dat het hof toepassing zal geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Met betrekking tot het onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging geen standpunt ingenomen. Daarnaast heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 2 september 2022 te Oud Gastel, gemeente Halderberge, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Roosendaalsebaan en zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- de maximumsnelheid, welke ter plaatse 50 kilometer per uur betreft, (meermalen) in ernstige mate te overschrijden (te weten (onder meer) een overschrijding van ongeveer 105 kilometer per uur), althans te rijden met (een) (veel) hogere snelhe(i)d(en) dan de voor hem/hen aldaar geldende maximumsnelheid,

- (daarbij) (meermalen) dicht op een ander voertuig te rijden (bumperkleven),

- (daarbij)(meermalen) een voertuig rechts in te halen, en/of gekomen bij een kruising (Roosendaalsebaan, Blauwhekken, Het Appeltje) alwaar de stoplichten buiten werking waren, dan wel oranje knipperend licht uitstraalden,

- niet zijn snelheid aan te passen, dan wel zijn rijgedrag niet (voldoende) aan te passen aan de situatie ter plaatse en/of al snelheidsverhogend/accelererend, althans met (nagenoeg) onverminderde snelheid, bovengenoemde kruising te naderen en op te rijden,

- niet zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarbinnen hij de weg kon overzien en deze vrij was,

- (daarbij) niet de richting van diens rijbaan te volgen door eerst naar links en vervolgens naar rechts te sturen en/of geheel en/of gedeeltelijk terecht te komen op het weggedeelte bestemd voor het verkeer welk, gezien verdachtes rijrichting, van rechts kwam,

- het door hem bestuurde voertuig niet, althans in onvoldoende mate, onder controle te houden,

- (vervolgens) in een slip te raken, en/of

- (vervolgens) te botsen tegen, althans in aanrijding te komen met, een motorrijtuig (personenauto merk Toyota Yaris, gekentekend [ [kenteken 1] ]),

waardoor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] werden gedood;


2.
hij op of omstreeks 2 september 2022 te Oud Gastel, gemeente Halderberge, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Roosendaalsebaan en zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- de maximumsnelheid, welke ter plaatse 50 kilometer per uur betreft, (meermalen) in ernstige mate te overschrijden (te weten (onder meer) een overschrijding van ongeveer 105 kilometer per uur), althans te rijden met (een) (veel) hogere snelhe(i)d(en) dan de voor hem/hen aldaar geldende maximum snelheid,

- (daarbij) (meermalen) dicht op een ander voertuig te rijden (bumperkleven),

- (daarbij)(meermalen) een voertuig rechts in te halen, en/of gekomen bij een kruising (Roosendaalsebaan, Blauwhekken, Het Appeltje) alwaar de stoplichten buiten werking waren, dan wel oranje knipperend licht uitstraalden,

- niet zijn snelheid aan te passen dan wel zijn rijgedrag niet (voldoende) aan te passen aan de situatie ter plaatse en/of al snelheidsverhogend/accelererend, althans met (nagenoeg) onverminderde snelheid, bovengenoemde kruising te benaderen en op te rijden,

- niet zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarbinnen hij de weg kon overzien en deze vrij was,

- (daarbij) niet de richting van diens rijbaan te volgen door eerst naar links en vervolgens naar rechts te sturen en/of geheel en/of gedeeltelijk terecht te komen op het weggedeelte bestemd voor het verkeer welk, gezien verdachtes rijrichting, van rechts kwam,

- het door hem bestuurde voertuig niet, althans in onvoldoende mate, onder controle te houden,

- (vervolgens) in een slip te raken, en/of

- (vervolgens) te botsen tegen, althans in aanrijding te komen met, een motorrijtuig (personenauto merk Toyota Yaris, gekentekend [ [kenteken 1] ]),

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 5] ) zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 2 september 2022 te Oud Gastel, gemeente Halderberge, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Roosendaalsebaan

- de maximum snelheid, welke ter plaatse 50 kilometer per uur betreft, (meermalen) in ernstige mate te overschrijden (te weten (onder meer) een overschrijding van ongeveer 105 kilometer per uur), althans te rijden met (een) (veel) hogere snelhe(i)d(en) dan de voor hem/hen aldaar geldende maximum snelheid,

- (daarbij) (meermalen) dicht op een ander voertuig te rijden (bumperkleven),

- (daarbij)(meermalen) een voertuig rechts in te halen, en/of gekomen bij een kruising (Roosendaalsebaan, Blauwhekken, Het Appeltje) alwaar de stoplichten buiten werking waren, dan wel oranje knipperend licht uitstraalden,

- niet zijn snelheid aan te passen dan wel zijn rijgedrag niet (voldoende) aan te passen aan de situatie ter plaatse en/of al snelheidsverhogend/accelererend, althans met (nagenoeg) onverminderde snelheid, bovengenoemde kruising te benaderen en op te rijden,

- niet zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarbinnen hij de weg kon overzien en deze vrij was,

- (daarbij) niet de richting van diens rijbaan te volgen door eerst naar links en vervolgens naar rechts te sturen en/of geheel en/of gedeeltelijk terecht te komen op het weggedeelte bestemd voor het verkeer welk, gezien verdachtes rijrichting, van rechts kwam,

- het door hem bestuurde voertuig niet, althans in onvoldoende mate, onder controle te houden,

- (vervolgens) in een slip te raken, en/of

- (vervolgens) te botsen tegen, althans in aanrijding te komen met een motorrijtuig (personenauto merk Toyota Yaris, gekentekend [ [kenteken 1] ]),

door welke gedraging(en) van verdachte op de weg, de Roosendaalsebaan, gevaar werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het onder 2 primair tenlastegelegde

Aan de verdachte is onder 2 primair tenlastegelegd – kort weergegeven – dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 5] ) zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof, met de verdediging, van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde. Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Zwaar lichamelijk letsel

Buiten de niet-limitatieve gevallen van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht dient het bestanddeel ‘zwaar lichamelijk letsel’ indachtig de wetsgeschiedenis te worden ingevuld naar algemeen spraakgebruik. In zijn overzichtsarrest over zwaar lichamelijk letsel heeft de Hoge Raad overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel (al dan niet in combinatie met elkaar) hebben te gelden als algemene gezichtspunten.

Met betrekking tot botfracturen overwoog de Hoge Raad dat in de regel sprake is van zwaar lichamelijk letsel indien in verband met dat letsel operatief ingrijpen heeft plaatsgevonden, waarbij onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen meeweegt. Daarnaast betreft het uitzicht op herstel een (mogelijk) gezichtspunt in de beoordeling of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Daarbij geldt – ook buiten de situatie waarin operatief ingrijpen heeft plaatsgevonden – dat van zwaar lichamelijk letsel niet alleen sprake kan zijn indien het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, doch ook indien het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel.

Voorts kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen. In voorkomende gevallen kan in de beoordeling voorts worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meerdere littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken – langdurige – pijnklachten (hebben) bestaan.

Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat op grond van het procesdossier in onderhavige zaak niet kan worden vastgesteld dat er aan de zijde van [slachtoffer 5] sprake is van zwaar lichamelijk letsel als gevolg van het verkeersongeval. Het hof constateert dat uit het dossier volgt dat het letsel van [slachtoffer 5] heeft bestaan uit een breuk in het sleutelbeen, schaafwonden en blauwe plekken. Uit het procesdossier volgt niet dat ten aanzien van de breuk in het sleutelbeen medisch operatief ingrijpen heeft plaatsgevonden; ook niet wat de aard van die breuk was. Evenmin is op grond van het procesdossier of het verhandelde ter terechtzitting gebleken dat deze breuk, al dan niet bezien in samenhang met de overige letsels, dermate nadelige gevolgen voor het slachtoffer heeft gehad dat het door [slachtoffer 5] opgelopen letsel is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.

Ofschoon het hof zonder meer aanneemt dat het hiervoor genoemde, door het verkeersongeval veroorzaakte letsel pijnlijk en belastend is geweest, valt dit letsel gelet op het bepaalde in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht en de daaraan gelieerde jurisprudentie niet aan te merken als zwaar lichamelijk letsel, indachtig de aard van het letsel, het ontbreken van een gebleken noodzaak tot medisch (operatief) ingrijpen, alsmede het ontbreken van een gebleken gebrek aan uitzicht op herstel.

Zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan

Zoals hiervoor weergegeven volgt uit het procesdossier dat het letsel van het slachtoffer heeft bestaan uit een breuk in het sleutelbeen, schaafwonden en blauwe plekken. De vader van het slachtoffer heeft op 14 december 2022 – ruim drie maanden na het ongeval – te kennen gegeven dat hij niet goed kan zeggen of het goed of slecht gaat met zijn dochter en dat zij fysiek redelijk goed hersteld is. Ze is terughoudender in verband met haar schouder, omdat ze bang is dat er nog iets kapot kan gaan en ze is in sommige gevallen wel anders dan voor het ongeval; ze kan anders reageren op dingen dan voorheen. Er zijn derhalve wel een aantal beperkingen waar ze mee kampt, aldus de vader van het slachtoffer.

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat het vorenomschrevene onvoldoende informatie bevat over het letsel van het slachtoffer, haar medische situatie en haar dagelijkse bezigheden om te kunnen vaststellen dat zij zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Het hof zal de verdachte gelet op het voorgaande vrijspreken van het aan hem onder 2 primair tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 2 september 2022 te Oud Gastel, gemeente Halderberge, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Roosendaalsebaan en zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos,

- de maximumsnelheid, welke ter plaatse 50 kilometer per uur betreft, in ernstige mate te overschrijden (te weten (onder meer) een overschrijding van ongeveer 102 kilometer per uur, althans te rijden met een veel hogere snelheid dan de voor hem aldaar geldende maximumsnelheid),

- daarbij dicht op een ander voertuig te rijden (bumperkleven),

- daarbij een voertuig rechts in te halen, en gekomen bij een kruising (Roosendaalsebaan, Blauwhekken, Het Appeltje) alwaar de stoplichten oranje knipperend licht uitstraalden

- zijn rijgedrag niet (voldoende) aan te passen aan de situatie ter plaatse en al snelheidsverhogend/accelererend bovengenoemde kruising te benaderen en op te rijden,

- niet zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarbinnen hij de weg kon overzien en deze vrij was,

- daarbij niet de richting van diens rijbaan te volgen door eerst naar links en vervolgens naar rechts te sturen en gedeeltelijk terecht te komen op het weggedeelte bestemd voor het verkeer welk, gezien verdachtes rijrichting, van rechts kwam,

- het door hem bestuurde voertuig niet onder controle te houden,

- en vervolgens te botsen tegen een motorrijtuig (personenauto merk Toyota Yaris, gekentekend [ [kenteken 1] ]),

waardoor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] werden gedood;

2 subsidiair.
hij op 2 september 2022 te Oud Gastel, gemeente Halderberge, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Roosendaalsebaan

- de maximum snelheid, welke ter plaatse 50 kilometer per uur betreft, in ernstige mate te overschrijden (te weten (onder meer) een overschrijding van ongeveer 102 kilometer per uur, althans te rijden met een veel hogere snelheid dan de voor hem aldaar geldende maximumsnelheid),

- daarbij dicht op een ander voertuig te rijden (bumperkleven),

- daarbij een voertuig rechts in te halen, en gekomen bij een kruising (Roosendaalsebaan, Blauwhekken, Het Appeltje) alwaar de stoplichten oranje knipperend licht uitstraalden

- zijn rijgedrag niet (voldoende) aan te passen aan de situatie ter plaatse en al snelheidsverhogend/accelererend bovengenoemde kruising te benaderen en op te rijden,

- niet zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarbinnen hij de weg kon overzien en deze vrij was,

- daarbij niet de richting van diens rijbaan te volgen door eerst naar links en vervolgens naar rechts te sturen en gedeeltelijk terecht te komen op het weggedeelte bestemd voor het verkeer welk, gezien verdachtes rijrichting, van rechts kwam,

- het door hem bestuurde voertuig niet onder controle te houden,

- en vervolgens te botsen tegen een motorrijtuig (personenauto merk Toyota Yaris, gekentekend [ [kenteken 1] ]),

door welke gedragingen van verdachte op de weg, de Roosendaalsebaan, gevaar werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de bewijsmiddelen opgenomen in de aan dit arrest gehechte bijlage. De bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof het onder 1 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de advocaat-generaal heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde zwaarste vorm van schuld, roekeloosheid, bewezen dient te worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging – kort weergegeven, op gronden zoals verwoord in de pleitnota – primair vrijspraak bepleit ten aanzien van de tenlastegelegde zwaarste vorm van schuld, te weten roekeloosheid. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat om tot een bewezenverklaring van roekeloosheid te komen, er sprake dient te zijn van een samenstel van gedragingen en deze gedragingen moeten, in samenhang bezien, kunnen worden aangemerkt als een ernstige overtreding van de verkeersregels. In dat kader heeft de verdediging naar voren gebracht dat er enkel sprake is van een kortstondige snelheidsovertreding. Het door de rechtbank daaromheen gebouwde samenstel van gedragingen, het dicht op een ander voertuig rijden en een inhaalmanoeuvre, berust op verklaringen van getuigen die elkaar tegenspreken, aldus de verdediging. Met betrekking tot het element dat de verdachte zich van het zeer ernstige gevaar bewust was, althans had moeten zijn om tot roekeloosheid te komen, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ervan uitging en ook uit mocht gaan dat het verkeer van rechts hem voorrang zou geven. Dit is een ernstige inschattingsfout, maar geen aanvaarding van het gevaar, aldus de verdediging. Bovendien heeft de verdachte zich niet onverschillig opgesteld tegenover het gevaar, maar onmiddellijk gereageerd. Tevens heeft de verdediging bepleit dat bij de vraag naar de toerekening, het gedrag van andere betrokken weggebruikers niet buiten beschouwing mag blijven.

Het oordeel van het hof

Op basis van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – stelt het hof allereerst de navolgende feiten en omstandigheden vast. Bij de beoordeling van de door de verdediging gevoerde verweren zal het hof van die feiten en omstandigheden uit gaan.

Vaststaande feiten

Op 2 september 2022 heeft omstreeks 18.26 uur op de kruising van de Roosendaalsebaan

met Het Appeltje te Oud Gastel, gemeente Halderberge, een verkeersongeval

plaatsgevonden, waarbij een Mercedes-Benz, type GLC 63 S 4M, uitvoering AMG, (kenteken [kenteken 2] ) en een Toyota, type Yaris, ( [kenteken 1] ) betrokken waren. De verdachte kwam als bestuurder van de Mercedes uit de richting van Roosendaal gereden. Hij sloeg op de Wagonstraat linksaf de Roosendaalsebaan op en reed vervolgens in de richting van Oud Gastel. Op Het Appeltje bevond zich de Toyota, met daarin [slachtoffer 1] als bestuurster, haar dochter [slachtoffer 2] , haar zoon [slachtoffer 3] en vriendin [slachtoffer 4] achterin. De dochter van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , zat voorin op de bijrijdersplaats. De Toyota naderde stapvoets en (deels) remmend de kruising en sorteerde voor op de voorsorteerstrook voor links afslaand en recht doorgaand verkeer.

Onder meer uit de (analyse van) geregistreerde gegevens van de EDR (Event Data Recorder)-systemen (een digitaal systeem dat kort vóór en tijdens een gebeurtenis ongevalsgerelateerde omstandigheden en parameterwaarden opslaat) van beide auto’s, sporenanalyse en verrichte rijproeven is het volgende vast te stellen.

Vanaf 4,65 tot 3,65 seconde voor de botsing gaf de bestuurster van de Toyota geen gas, maar rolde de auto nog door tot kort voor de kruising met de Roosendaalsebaan waarbij verkeer – vanuit de Toyota gezien – van links naderde. Daarbij passeerde een auto van links komend van de Roosendaalsebaan voorlangs de Toyota, waarna de bestuurster van de Toyota in het tijdvak van 3,65 seconden tot 1,65 seconden voor de botsing kort gas heeft bijgegeven (waardoor de geregistreerde snelheid van 3 tot 11 kilometer per uur toenam). Het gaspedaal werd in dat tijdvak gedurende 1,5 seconden tot bijna 30% ingetrapt. Op enig moment tussen 2,15 seconden en 1,65 seconden voor de botsing werd het gaspedaal losgelaten. Tussen 1,65 seconden en 1,15 seconden voor de botsing werd het rempedaal bediend tot aan het tijdstip van de botsing. Tussen 1,15 seconden en 0,65 seconden voor de botsing was de Toyota tot stilstand gebracht. Dat was op 1,7 meter met de voorzijde voorbij de haaientanden, dat wil zeggen deels op de rijstrook van de Roosendaalsebaan waarop de verdachte op het moment van de botsing reed.

De Mercedes reed kort voor het ongeval (deels) op de linker rijstrook, heeft op een moment tussen 1,5 seconde en 1 seconde voor de botsing naar rechts gestuurd en is vervolgens op het kruisingsvlak van de Roosendaalsebaan met Het Appeltje ter hoogte van haaientanden, met de voorzijde van de auto tegen de linkerzijde van de stilstaande Toyota gereden. Dat gebeurde met een geregistreerde snelheid van ongeveer 95 kilometer per uur. De Mercedes reed 2 seconden voor de aanrijding met de Toyota nog met een snelheid van tussen de 152 en 155 kilometer per uur.

Ten gevolge van de aanrijding zijn vier inzittenden van de Toyota – [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] – om het leven gekomen. De vijfde inzittende – [slachtoffer 5] – heeft hierbij lichamelijk letsel, te weten een gebroken sleutelbeen en schaafwonden/blauwe plekken, opgelopen.

Omstandigheden waaronder de botsing heeft plaatsgevonden

De botsing heeft plaatsgevonden bij daglicht en onder heldere en droge weersomstandigheden. De Roosendaalsebaan is een voorrangsweg. Dit is op Het Appeltje kenbaar gemaakt door middel van onder andere haaientanden op het wegdek. Bij de kruising – waar de Toyota zich bevond – zijn op Het Appeltje drie voorsorteerstroken, twee stroken voor rechts afslaand verkeer en een strook voor links afslaand en rechtdoor gaand verkeer. De maximumsnelheid voor alle rijbanen ter plaatse is 50 kilometer per uur. Ten tijde van het verkeersongeval was de verkeersregelinstallatie op de kruising van de Roosendaalsebaan met Het Appeltje en Blauwhekken niet op de reguliere wijze in werking. Dit was ook kenbaar aangezien van de driekleurige verkeerslichten de oranje lichten (het gele licht als bedoeld in artikel 68, eerste lid, onder b van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990) knipperden. Bij het naderen en oprijden van het kruispunt dient, in geval van een storing van de verkeersregelinstallatie, te worden teruggevallen op de dan geldende verkeersregels zoals die onder andere blijken uit de daar aanwezige verkeerstekens.

Voordat het hof toekomt aan de vraag of en in welke mate de verdachte schuld heeft aan het ongeval dient de vraag te worden beantwoord of de dood van de slachtoffers redelijkerwijs kan worden toegerekend aan de gedraging(en) van de verdachte. Voor de beantwoording van deze vraag dient allereerst te worden vastgesteld welke gedraging(en) van de verdachte bewezen kan/kunnen worden verklaard.

Rijgedrag van de verdachte voorafgaand aan het verkeersongeval

In verband met de omstandigheid dat de tenlastegelegde gedragingen (deels) worden bestreden door de verdediging zal het hof het bewezenverklaarde rijgedrag van de verdachte (puntsgewijs aan de hand van de tenlastegelegde gedachtestreepjes) hieronder bespreken.

- Overschrijding maximumsnelheid

De verdediging heeft bepleit dat de EDR-waarden ten aanzien van de geregistreerde snelheden nuancering vragen in verband met de meettechnische marge van 5% waar het NFI op heeft gewezen. Het hof dient hierbij uit te gaan van de ondergrens van deze marge en niet van de bovengrens, aldus de verdediging. Daarnaast heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de NFI-rapporten, waarbij de uitlezing van de politieanalyse wordt getoetst en waarin een gevalideerde snelheidsbepaling op basis van camerabeelden is verricht, het meest betrouwbare zijn dat dit dossier bevat over de laatste seconden.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Zoals uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt, blijkt uit de data van de EDR dat de verdachte in het tijdvak van 2,5 tot 2 seconden voor de botsing is geaccelereerd naar een geregistreerde snelheid van 155 kilometer per uur. Vanaf 2 tot 1,5 seconde voor de botsing vertraagde de Mercedes van 155 kilometer per uur naar een geregistreerde snelheid van 154 kilometer per uur, waarbij het gas van 100% naar 96% was teruggebracht. Op 1,5 seconde voor de botsing werd het rempedaal voor het eerst ingedrukt.

Uit het NFI-rapport data-interpretatie en vermijdbaarheidsanalyse d.d. 16 oktober 2023 volgt dat er mogelijk een 5%-marge dient te worden gehanteerd op de geregistreerde snelheden zoals die volgen uit de EDR-data in verband met een mogelijk geprogrammeerde percentuele verhoging van de snelheidswaarde. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [deskundige] (hierna; de deskundige) verklaard dat de hoogste bij hem bekende marge een verhoging van 5% betreft, maar dat bij diverse onderzochte auto’s een lagere marge wordt gehanteerd. Over de door de fabrikant mogelijk gehanteerde marge bij een Mercedes-Benz, type AMG GLC 63 S 4M, uit 2022 is de deskundige niets bekend.

Uit het NFI-rapport beeldonderzoek d.d. 1 februari 2024 volgt dat uit berekeningen blijkt dat, afgerond op hele kilometer per uur, de gemeten snelheid van 152 kilometer per uur de beste schatter voor de gemiddeld gereden snelheid van de Mercedes betreft voordat de remlichten branden. Deze gemiddelde snelheid is bepaald over een afstand van 18 meter voorafgaand aan de plaats waarop de remlichten van de Mercedes gaan branden.

Gelet op het voorgaande gaat het hof bij de bepaling van de door de verdachte gereden snelheden uit van concreet aan de hand van beelden en referentieritten gemeten snelheden, waarbij het hof uit zal gaan van ‘ongeveer’ snelheden. Zoals hiervoor weergegeven is de maximaal gereden snelheid van de Mercedes voordat de verdachte heeft geremd volgens de niet-gecorrigeerde EDR-data 155 kilometer per uur, wat volgens beeldonderzoek en referentieritten afgerond 152 kilometer per uur is. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de geregistreerde snelheden uit de EDR-data met 1,9355 % dienen te worden verlaagd (152/155x100 = 98,0645%).

Het hof stelt vast dat de verdachte sterk accelererend in zeer hoge mate de maximumsnelheid van 50 kilometer per uur heeft overschreden. Hij heeft 1,5 seconde voor de botsing, toen hij volgens eigen zeggen uit alle kracht remde, gereden met een snelheid van ongeveer 152 kilometer per uur, hetgeen 304% van de maximumsnelheid is. In de daaraan voorafgaande seconde, van 2,5 tot 1,5 seconde voor de botsing, waarbinnen de verdachte iets heeft waargenomen wat hem heeft doen reageren/remmen, zijn door het EDR-systeem snelheden geregistreerd van 149 en 155 kilometer per uur, hetgeen gecorrigeerd naar de verhouding van beeldonderzoek en referentieritten respectievelijk 146,1 kilometer per uur en 152 kilometer per uur betreft.

Hoewel het verweer ertoe strekt dat de gereden snelheid mogelijk lager lag dan de 155 kilometer per uur die uit de EDR-registratie naar voren kwam, lijkt dit verweer voorbij te gaan aan hetgeen wel wezenlijk is, te weten het feit dat de verdachte de maximum snelheid in excessieve mate heeft overschreden. Het maakt voor dat oordeel geen verschil of de gereden snelheid 155 of 152 kilometer per uur is geweest. In die zin is ook niet duidelijk geworden waartoe dit verweer uiteindelijk strekte.

- Dicht op een ander voertuig rijden (bumperkleven)

De verdediging heeft bepleit dat het beeld van het ‘pushen’ in wezen berust op één getuige, te weten op de verklaring van [getuige 1] . De door hem afgelegde verklaringen lopen op essentiële punten uiteen en worden op controleerbare punten tegengesproken, hetgeen een wankele basis vormt voor het zwaarwegende verwijt van pushen. Door getuige [getuige 2] wordt het pushen bovendien toegeschreven aan de zwarte Audi, aldus de verdediging.

Het hof stelt voorop dat een getuigenverklaring door de strafrechter slechts tot het bewijs kan worden gebezigd wanneer deze naar zijn oordeel betrouwbaar en overeenkomstig de waarheid is afgelegd.Het gaat daarbij niet om de (algemene) geloofwaardigheid van de getuige zelf, maar om de geloofwaardigheid, de oprechtheid, hoe waarheidsgetrouw de door de getuige afgelegde verklaring is over het aan de orde zijnde onderwerp.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat [getuige 1] heeft verklaard dat naast hem op de Roosendaalsebaan een groene Ford of Volvo reed en dat in eerste instantie de Mercedes achter hem, [getuige 1] , reed. Het hof gaat er – op basis van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien – vanuit dat voornoemde Ford of Volvo de auto van [getuige 2] betreft (hierna; de auto van [getuige 2] ). Een zwarte Audi, die kort ervoor de Mercedes en [getuige 1] met hoge snelheid was gepasseerd, haalde [getuige 2] , nog net tussen [getuige 1] en [getuige 2] door, rechts in, waarna de Mercedes achter [getuige 2] kwam te rijden, terwijl [getuige 1] inmiddels nabij de auto van [getuige 2] op de rechterbaan reed. Hierdoor kon achterliggend verkeer waaronder de Mercedes de auto van [getuige 2] niet meer rechts inhalen. De Mercedes zat de [getuige 1] te pushen om dit wel te kunnen doen, aldus de [getuige 1] . De Mercedes reed op dat moment heel dicht op de achterbumper van de auto van [getuige 2] . Deze bleef dezelfde snelheid aanhouden en op de linkerbaan rijden. Als op dat moment met de auto van [getuige 2] was geremd was de Mercedes daar achterop geknald, aldus de [getuige 1] . Omdat de bestuurder van de Mercedes zo zat te ‘pushen’, heeft [getuige 1] zijn gas los gelaten en snelheid verminderd om de Mercedes erdoor te laten. Over dat moment verklaarde deze getuige het volgende. “De Mercedes verhoogde zijn snelheid heel snel. Dat zag ik omdat de afstand tussen mij en de Mercedes, toen hij vanaf de linkerbaan invoegde, nog geen meter was en daarna heel snel uitliep naar 15 a 16 meter.”

Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de latere verklaring van [getuige 1] omtrent het bumperkleven van de Mercedes bij de auto van [getuige 2] . De omstandigheid dat de [getuige 1] eerder ter plaatse op 2 september 2022 hieromtrent niet heeft verklaard doet daar niet aan af. Verschillen tussen verklaringen worden onder andere bepaald door de context van het horen en de vragen die daarbij worden gesteld. Het horen ter plaatse direct na de impact en de bijkomende hectiek dat het onderhavige ongeluk op getuigen en omstanders ongetwijfeld zal hebben gehad, maakt dat de inhoud van een verklaring van een getuige kan afwijken van een door hem of haar later afgelegde verklaring. Indien en voor zover daarbij gesproken kan worden van inconsistenties tussen de verklaringen van [getuige 1] , zien deze bij hem niet op het door hem waargenomen rijgedrag van de bestuurder van de Mercedes.

Ook dat [getuige 2] heeft verklaard dat de Audi hem van achteren opduwde en hieromtrent ten aanzien van de Mercedes niets heeft verklaard, doet aan de geloofwaardigheid van de verklaring van [getuige 1] niet af. Te meer niet omdat het [getuige 1] was die zag dat de Mercedes er op voornoemde wijze erlangs wilde rijden. Het is niet gezegd dat [getuige 2] dit ook had moeten zien. Onverminderd dit gegeven heeft [getuige 2] wel verklaard dat hij rechts door een zwarte Mercedes werd ingehaald. In zoverre geeft deze verklaring steun aan de verklaring van [getuige 1] dat de Mercedes hem links is voorbijgereden en bij hem voorlangs de auto van [getuige 2] is voorbijgereden. Het hof heeft geen reden om het deel van zijn verklaring dat ziet op drukken c.q. pushen niet voor waar aan te nemen.

Het hof acht op grond van het voorgaande de afgelegde verklaring(en) door [getuige 1] dan ook niet onbetrouwbaar en weldegelijk geloofwaardig en relevant ter zake van het door hem waargenomen rijgedrag van de bestuurder van de Mercedes en is het hof van oordeel dat de verdachte dicht op een ander voertuig heeft gereden (bumperkleven).

- Rechts inhalen

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat, hoewel de verdachte heeft erkend een andere auto rechts te hebben ingehaald, dit geen verkeersovertreding betreft als de ingehaalde auto op de linkerbaan voorsorteert. Het is in het belang van de doorstroming en veiligheid dat voorsorterend verkeer wordt gepasseerd, aldus de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Uit de in het dossier voorhanden zijnde camerabeelden blijkt dat de Mercedes een auto heeft ingehaald, terwijl deze auto op de voorsorteerstrook reed. Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat dit de Audi is geweest. Echter, het hof is van oordeel dat de verdachte ook eerder al een voertuig rechts heeft ingehaald.

[getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat de Mercedes op een gegeven moment zeer kort achter de auto van [getuige 2] reed en zat te pushen terwijl [getuige 1] in zijn auto rechts naast de Mercedes reed met een snelheid van tussen de 50 en 55 kilometer per uur. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 1] verklaard dat hij de Mercedes in de bocht nog niet wilde laten passeren maar dat hij op het rechte stuk richting kruising snelheid minderde zodat er ruimte ontstond voor de Mercedes. De Mercedes haalde de voor hem rijdende auto rechts in waarbij de Mercedes zijn snelheid heel snel verhoogde. [getuige 1] voegde daaraan nog toe dat dit heeft plaatsgevonden vóór het begin van de linker voorsorteerstrook.

Bovendien blijkt ook uit de verklaring van de bestuurder van de Audi, [getuige 3] , dat hij de auto met Bulgaars kenteken (het hof: [getuige 2] ) rechts heeft ingehaald en dat vervolgens de Mercedes deze auto ook rechts heeft ingehaald. Uit Google Maps, een algemeen toegankelijke bron, blijkt dat het rechte stuk van de Roosendaalsebaan vóór de kruising met Het Appeltje ruim 200 meter lang is en dat de afstand vanaf het begin van het rechte stuk tot aan het begin van de voorsorteerstrook naar links ruim 100 meter bedraagt.

Op voornoemde camerabeelden is het begin van de linker voorsorteerstrook op de kruising van de Roosendaalsebaan met Het Appeltje niet zichtbaar. Uit de openbare bron Google Maps blijkt dat deze linker voorsorteerstrook ongeveer begint ter hoogte van de eerste parkeerplaatsen van een parkeerterrein gelegen rechts van de Roosendaalsebaan. Het op de camerabeelden eerste zichtbare gedeelte van de voorsorteerstrook begint (ongeveer) bij de achtste parkeerplaats. Een parkeerplaats heeft naar algemene ervaringsregels een breedte van ongeveer 2,40 tot 2,50 meter. Gelet hierop stelt het hof vast dat ongeveer 17 tot 20 meter van het begin van de linker voorsorteerstrook niet te zien is op de camerabeelden. Wel is op die camerabeelden zichtbaar dat de Mercedes met hoge snelheid aan de linker kant van het beeldscherm (ter hoogte van die achtste parkeerplaats) in beeld komt en dat de auto van [getuige 2] met naast zich de Volkswagen Golf van [getuige 1] , pas enkele seconden daarna eveneens in beeld komt gereden. [getuige 1] verklaarde dat hij met een snelheid van 50 a 55 kilometer per uur (dat is ongeveer 14 meter per seconde) reed; [getuige 2] reed maximaal 60 á 65 kilometer per uur (dat is ongeveer 16,5 meter per seconde). Gelet hierop ziet het hof geen enkele reden te twijfelen aan de verklaring van [getuige 1] over zijn waarneming met betrekking tot de plaats waar de inhaalmanoeuvre van de verdachte met de Mercedes heeft plaatsgevonden en dat de manoeuvre van het rechts inhalen van de auto van [getuige 2] door de verdachte – hoewel niet te zien op de camerabeelden – derhalve moet hebben plaatsgevonden nog vóór het begin van de sorteerstrook naar links en dus niet heeft plaatsgevonden terwijl er door [getuige 2] links werd voorgesorteerd. Derhalve kan deze gedraging van de verdachte naar het oordeel van het hof wel degelijk bewezen worden verklaard.

- Rijgedrag niet (voldoende) aanpassen aan situatie ter plaatse en snelheidsverhogend/accelererend kruising benaderen

De verdediging heeft bepleit dat de hoogst gereden snelheid kortstondig was en de verdachte niet onverminderd heeft doorgereden. De verdachte heeft niet onverschillig gereageerd, maar onmiddellijk en met alle middelen die hem ter beschikking stonden: gas los en remmen, aldus de verdediging. De verdediging heeft in dit verband naar voren gebracht dat het harde rijden van de verdachte kort voor de aanrijding een poging was om de situatie die was ontstaan op te lossen. Meer in het bijzonder heeft de verdachte naar voren gebracht dat op het moment dat hij, alles in een zeer kort tijdsbestek, tot inzicht kwam dat mogelijk een botsing zou plaatsvinden, hij ter vermijding daarvan eerst op volle snelheid vóór de Toyota langs wilde rijden en dat hij om die reden zijn snelheid verhoogde.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De [getuige 1] heeft verklaard dat de Mercedes, nadat hij [getuige 2] rechts had ingehaald, zijn snelheid heel snel verhoogde. Uit de EDR-data volgt dat de Mercedes 5 seconden voor de botsing (al) 118 kilometer per uur reed (gecorrigeerd naar de verhouding van beeldonderzoek en referentieritten 115,7 kilometer per uur). Vervolgens is de verdachte blijven accelereren tot 2 seconde voor de botsing tot 155 kilometer per uur (gecorrigeerd naar de verhouding van beeldonderzoek en referentieritten 152 kilometer per uur) en eindigend op een snelheid van 95 kilometer per uur (gecorrigeerd naar de verhouding van beeldonderzoek en referentieritten 93,2 kilometer per uur) op het moment van de daadwerkelijke botsing. De verdachte is blijven accelereren terwijl voor hem op ruime afstand voor de kruising – het rechte stuk weg van de Roosendaalsebaan voorafgaand aan de kruising beslaat ruim 200 meter – zichtbaar was dat de verkeersregelinstallatie niet werkte en de oranje/gele lichten van de verkeerlichten knipperden, hetgeen voor verkeersdeelnemers, waaronder de verdachte betekende dat een gevaarlijk punt werd genaderd en dat daarom voorzichtigheid geboden was (artikel 75 Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990).

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte zijn rijgedrag niet (voldoende) heeft aangepast aan de situatie ter plaatse en al snelheidsverhogend/ accelererend de kruising heeft benaderd en is opgereden. Het standpunt van de verdediging dat het harde rijden van de verdachte een poging was om de ontstane situatie op te lossen, schuift het hof als bijzonder ongeloofwaardig terzijde. Op een afstand van ruim 200 meter voor het kruispunt heeft de verdachte maximaal geaccelereerd, dat wil zeggen plankgas gereden, terwijl op dat moment en vanaf die plek – gesteld dat het echt zou zijn gegaan om een botsing te voorkomen – nog (ruim) voldoende remweg bestond om de auto op tijd tot stilstand te brengen c.q. een significant lagere snelheid te verwezenlijken waardoor zich een geheel andere afloop eenvoudig laat denken. Het hof acht het dan ook in het geheel niet aannemelijk geworden dat de verdachte op dat moment al bezig was om de Toyota te ontwijken.

De verdachte heeft zich door te blijven accelereren tot zeer kort voor het voor hem kenbare gevaarlijke kruispunt, gemanoeuvreerd in een situatie waarin het voor hem evident onmogelijk was om nog adequaat te reageren op eventuele ongebruikelijke of onjuiste, maar niettemin toch in menselijk handelen in het verkeer regelmatig voorkomende verkeersgedragingen van andere verkeersdeelnemers, zeker op en in de buurt van kruisingen waarvan de verkeersregelinstallatie niet meer werkt en de nodige extra voorzichtigheid is geboden.

- Voertuig niet tot stilstand brengen binnen afstand waarbinnen de verdachte de weg kon overzien

Bovengenoemde gedraging van de verdachte, als positieve verplichting opgenomen in het kader van de maximum snelheid onder artikel 19 Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990, volgt naar het oordeel van het hof uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en behoeft derhalve geen verdere bespreking.

- Niet de richting van diens rijbaan volgen en het bestuurde voertuig niet onder controle houden

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging naar voren gebracht dat de verdachte, op het moment dat hij tot het inzicht was gekomen dat hij niet vóór de Toyota langs zou kunnen rijden, zijn gas los heeft gelaten, heeft geremd en heeft uitgeweken naar de kant waar de weg vrij leek en daardoor sterk naar rechts heeft gestuurd. Door het NFI is vastgesteld dat 0,5 seconde voor de botsing eenmalig het ingrijpen van het elektronische stabiliteitssysteem (ESP) van de Mercedes in werking is getreden en het ingrijpen van dit verplichte veiligheidssysteem heeft bijgedragen aan de baan die de Mercedes uiteindelijk bestreek. Door het NFI is niet onderzocht of de invloed hiervan dusdanig kon zijn geweest dat de Mercedes zonder ingrijpen achter de Toyota langs had kunnen bewegen. In dit kader heeft de verdediging het hof verzocht niet te speculeren, maar te erkennen dat het uitwijken van de verdachte geen gebrek aan controle was dat zonder meer aan hem kan worden toegerekend.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte degene is geweest die de Mercedes heeft gehuurd (en de huur daarvan heeft verlengd), dat hij met deze Mercedes op vakantie is geweest en hij naar eigen zeggen helemaal bekend was met deze auto. Ook was hij op de hoogte dat het een nieuwe auto betrof naar het oordeel van het hof, aangezien hij wist dat er aan het begin van de huur maar 2000 kilometer op de kilometerteller stond.

Naar het oordeel van het hof is het een gegeven, dus ook voor de verdachte, dat het wettelijk verplichte elektronisch stabiliteitssysteem deel uitmaakt van nieuw(ere) auto’s. Het is aan de gebruiker rekening te houden met de eigenschappen van het voertuig waarvan hij zich bedient, waaronder de aanwezigheid van veiligheidsvoorzieningen zoals een elektronisch stabiliteitssysteem. Dit betreft dan ook geen gebrek aan de auto die de verdachte al dan niet voorzienbaar parten speelde, integendeel. De inwerkingtreding van een dergelijk systeem is slechts bedoeld om de veiligheid te helpen bevorderen en treedt pas in werking onder bepaalde omstandigheden. Het betreft dan omstandigheden die het gevolg kunnen zijn van het gedrag van de bestuurder, zoals in casu waarbij de ESP in werking is getreden als gevolg van het rijgedrag van de verdachte.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte zichzelf in de positie heeft gemanoeuvreerd dat het elektronische stabiliteitssysteem heeft moeten ingrijpen en dat dit volledig aan het voorafgaande rijgedrag van de verdachte te wijten valt, waardoor hij de Mercedes net voor en op het moment van de botsing niet meer onder controle had. Derhalve kan naar het oordeel van het hof, op grond van het voorgaande en de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, bewezen worden verklaard dat de verdachte niet de richting van zijn rijbaan heeft gevolgd door eerst beperkt naar links en vervolgens sterk naar rechts te sturen en zodoende gedeeltelijk terecht te komen op het weggedeelte bestemd voor het verkeer dat van rechts kwam en waarbij hij het voertuig niet onder controle had (vgl. artikel 19 jo. 78 Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990).

- Botsen tegen een motorrijtuig (personenauto merk Toyota Yaris, gekentekend [ [kenteken 1] ])

Bovengenoemde gedraging van de verdachte volgt naar het oordeel van het hof uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en behoeft derhalve geen verdere bespreking.

Causaliteit

Zoals hiervoor overwogen dient de vraag te worden beantwoord of de dood van de slachtoffers redelijkerwijs kan worden toegerekend aan de gedragingen van de verdachte voordat het hof toekomt aan de vraag of en in welke mate de verdachte schuld heeft aan het ongeval.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat voor de strafrechtelijke vraag van toerekening het van betekenis is dat het ongeval in zijn concrete vorm mede is bepaald door twee gedragingen van de bestuurster van de Toyota: het oprijden van de voorrangsweg zonder de naderende Mercedes voor te laten gaan en het stoppen op diens rijbaan.

Het hof stelt voorop dat de beantwoording van de vraag of een causaal verband bestaat tussen de gedraging(en) van de verdachte en de tenlastegelegde feiten dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of deze feiten redelijkerwijs als gevolg van de gedraging(en) aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Doorgaans is bij de beantwoording van de vraag of in strafrechtelijke zin causaal verband bestaat, niet aan twijfel onderhevig dat in de keten van gebeurtenissen de gedraging(en) van de verdachte een noodzakelijke factor is/zijn geweest voor het ingetreden gevolg – en staat dat gevolg dus in conditio sine qua non-verband tot de gedraging, welk verband in beginsel als ondergrens van het causaal verband fungeert –, maar gaat het daarbij vooral erom of het ingetreden gevolg redelijkerwijs aan (de gedraging(en) van) de verdachte kan worden toegerekend. Daarbij is ten minste vereist dat wordt vastgesteld dat de gedraging(en) van de verdachte een onmisbare schakel kan/kunnen hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedraging(en) van de verdachte is veroorzaakt. Of en wanneer sprake is van een dergelijke aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid, zal afhangen van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij weegt het hof op grond van bestendige rechtspraak onder meer mee in hoeverre de verdachte met zijn gedraging(en) de kans op het intreden van het gevolg heeft verhoogd, alsmede dat aan het aannemen van het causaal verband niet in de weg behoeft te staan dat niet geheel kan worden uitgesloten dat latere handelingen van derden mede hebben geleid tot het gevolg.

De verdachte heeft op een weg waar de toegestane snelheid 50 kilometer per uur was met een snelheid van ongeveer 152 kilometer per uur gereden in aanloop naar de kruising met Het Appeltje. De kruising naderend heeft de verdachte eerst naar links gestuurd waardoor hij in elk geval deels ook op de linkerrijstrook is komen te rijden, en heeft daarna sterk naar rechts gestuurd, waarna hij op het weggedeelte, dat bestemd is voor het verkeer dat voor hem van rechts kwam, met een snelheid van ongeveer 95 kilometer per uur tegen het midden van de linkerflank van de Toyota gereden. Het is een algemene ervaringsregel en in die zin ook voorzienbaar dat bij het rijden met een hoge snelheid het risico op het veroorzaken van een verkeersongeval toeneemt, omdat er minder tijd is om het rijgedrag te kunnen corrigeren of aan te passen en het voertuig onder controle te houden, wanneer de verkeerssituatie daarom vraagt. Bovendien is bij een hoge snelheid de kans groter dat een verkeersongeval slechter afloopt dan bij lage snelheden, omdat de krachten die daarbij vrijkomen groter zijn en hierdoor de impact eveneens groter is. Weggebruikers hoeven er niet zonder meer op bedacht te zijn dat een auto met een dergelijke hoge snelheid, ongeveer gelijk aan drie maal de maximumsnelheid, zou kunnen komen aanrijden, zeker niet ter hoogte van een kruising waarbij door middel van knipperlichten wordt aangeduid dat sprake is van een gevaarlijke situatie die (extra) voorzichtigheid vergt en ook verwacht van verkeersdeelnemers.

Gelet op de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat het niet aan twijfel onderhevig is dat in de keten van gebeurtenissen de gedragingen van de verdachte – excessief snel rijden en als gevolg van een stuurbeweging (deels) op een andere rijbaan rijdend terechtkomen – tezamen oorzaak zijn geweest van het in botsing komen met de Toyota als gevolg waarvan vier inzittenden zijn overleden. Zijn handelen vormde derhalve een onmisbare schakel in de gebeurtenissen die tot deze gevolgen hebben geleid en het daarbij ingetreden gevolg kan redelijkerwijs aan (de gedraging(en) van) de verdachte worden toegerekend.

De verdediging stelt dat als de bestuurster van de Toyota niet 1,7 meter met de voorkant van haar auto voorbij de haaientanden op haar rijbaan was gereden, waardoor zij naar de mening van de verdediging geen voorrang verleende, dan had, zo begrijpt het hof de verdediging, dit ongeluk niet plaatsgevonden.

Het hof stelt hierover het volgende voorop.

In het verlengde van hetgeen hiervoor reeds is aangegeven inzake het redelijkerwijs toerekenen van de feiten als gevolg van de gedraging(en) aan de verdachte, geldt in rechte dat eventuele medeschuld aan de zijde van het slachtoffer schuld aan de zijde van de verdachte in beginsel niet opheft. Daaruit volgt dat in haar algemeenheid onjuist is de opvatting dat de bestuurder van een motorrijtuig die daarmee rijdt over een voorrangsweg, er – behoudens bijzondere gevallen – op mag vertrouwen dat het verkeer dat deze voorrangsweg kruist, voor hem de doorgang vrij laat of (tijdig) vrij maakt, ook indien hij met een veel hogere dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid de betreffende kruising is genaderd dan wel is opgereden.

In de kern komt het aan op de vraag of een bestuurder bij een excessieve snelheidsoverschrijding bij het naderen en oprijden van een gevaarlijke voorrangskruising nog met recht als verontschuldigbare omstandigheid een beroep kan doen op de omstandigheid dat een andere weggebruiker geen voorrang heeft verleend en die ander hierom (mede)schuld heeft aan het verkeersongeval.

Naar het oordeel van het hof is de verdachte ruim voorbij dit punt dat er eventueel nog gesproken kan worden van medeschuld. Immers, in redelijkheid kan van andere weggebruikers niet worden verwacht dat zij op een weg waar maximaal 50 kilometer per uur mag worden gereden rekening houden met snelheden van rond de 150 kilometer per uur. De verwachting dat ook andere weggebruikers zich min of meer aan deze maximum snelheid van 50 kilometer per uur zullen houden is niet zonder betekenis voor de inschatting die wordt gemaakt van de afstand die nog vrij is om veilig over te kunnen steken. Snelheid en afstand zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden grootheden. Als de maximum snelheid 50 kilometer per uur bedraagt dan is die snelheid, met een zekere marge, leidend voor het beoordelen of de vrije ruimte op de weg voldoende is om veilig over te steken. Die inschatting wordt niet anders als sprake is van een voorrangsweg.

Verwijzend naar de hiervoor door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de bestuurster van de Toyota – zoals ook op de camerabeelden is te zien – heel behoedzaam de kruising is genaderd, heeft gereden met zeer geringe snelheid, vrijwel te stoppen en daarbij een passerende auto te laten voorgaan, en weer langzaam te gaan rijden en uiteindelijk weer te stoppen, zij het deels op de voor haar kruisende voorrangsweg (te weten 1,7 meter voorbij de voor haar geldende haaientanden), kennelijk met de bedoeling om het kruisende verkeer (alsnog) te laten voorgaan. Zij heeft juist het oprijden van de kruising voorzichtig voorbereid en zich conform de (basis)voorrangsregels gedragen bij afwezigheid van werkende verkeerslichten. Van een geheel andere orde was de verschijning van de auto van de verdachte die met een excessieve snelheid plots op haar af kwam gereden. De bestuurster van de Toyota kon op dat moment haar in gang gezette oversteek van de ene zijde van de Roosendaalsebaan niet meer ongedaan maken en – kennelijk naar haar inschatting – evenmin voltooien. Onder deze omstandigheden kan niet geoordeeld worden dat de bestuurster geen voorrang verleende nu immers de voorrangsregel bij zo’n excessieve snelheid de facto illusoir is geworden. Deze bestuurster blijven verwijten dat zij geen voorrang heeft verleend en dat zij uiteindelijk hierdoor het ongeluk heeft veroorzaakt, wijst naar het oordeel van het hof op óf een fundamenteel gebrek aan inzicht, óf op een ontkenning tegen beter weten in.

In casu mocht de verdachte er niet op vertrouwen dat het overige verkeer geheel adequaat rekening zou of kon houden met de door hem gereden snelheid. Het hof merkt hierbij op dat uit bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte met zijn Mercedes bij het naderen van het kruispunt aanvankelijk (van 4 tot 1,5 seconden voor de botsing) licht naar links stuurde en waardoor hij deels op de linker en deels op de rechter rijstrook reed. Allerminst is uitgesloten dat de bestuurster van de Toyota ten gevolge van dat naar links, deels op de linker rijstrook rijden, de inschatting heeft gemaakt dat zij nog tijdig kon stoppen, de Mercedes (alsnog) kon laten voorgaan waarbij deze – rijdend in het midden van de weg – geen hinder van haar zou ondervinden. Aangekomen echter bij de kruising stuurde de verdachte vervolgens naar rechts waardoor de botsing ontstond. Een evident fatale beslissing in een situatie waarin de verdachte zich desbewust heeft gemanoeuvreerd door met die excessieve snelheid die kruising te naderen, waardoor adequaat reageren op gedragingen van andere deelnemers, vanwege juist die snelheid illusoir was geworden.

De extreme snelheidsovertreding zoals begaan door de verdachte onder de geschetste omstandigheden is naar het oordeel van het hof zodanig gevaarzettend en roept dusdanige

risico’s met zeer ernstige gevolgen in het leven, dat het verkeersongeval in redelijkheid is toe te rekenen aan de verdachte en dat er een causaal verband is tussen het gedrag van de verdachte en het verkeersongeval.

Op basis van het schouwverslag en het onderzoek op de plaats delict staat vast dat de slachtoffers door het verkeersongeval zijn overleden. De slachtoffers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zijn ter plaatse van het ongeval overleden en hun dood had geen natuurlijke oorzaak. Ook [slachtoffer 2] is enige tijd later in het ziekenhuis overleden en haar dood had eveneens geen natuurlijke oorzaak. Door de krachtinwerking van de door de verdachte bestuurde Mercedes op de Toyota zijn zij overleden. Daarmee is voldaan aan de vereiste dubbele causaliteit in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

De omstandigheid dat de feitelijke omstandigheden rond de bestuurster van de Toyota nooit volledig zijn onderzocht, te weten eventuele verblinding door de zon en dat geen toxicologisch onderzoek is verricht, zoals door de verdediging naar voren is gebracht, doet aan het voorgaande niet af.

Mate van schuld/juridisch kader

Vervolgens ziet het hof zich gesteld voor de vraag of en in welke mate de verdachte schuld heeft aan het ongeval.

Voor de onder 1 tenlastegelegde dood door schuld in het verkeer, meermalen gepleegd, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag, moet wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte met zijn roekeloze dan wel zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft gedood.

Op grond van bestendige rechtspraak ligt de ondergrens van het begrip ‘schuld’ in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 bij een aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid en/of onachtzaamheid en/of onoplettendheid, ook wel omschreven als ‘aanmerkelijke schuld’. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Eveneens kan uit deze rechtspraak worden afgeleid dat voor de beoordeling of de schuld van de verdachte aan het verkeersongeval uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, de afweging gebaseerd dient te zijn op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat heeft tot gevolg dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van aanmerkelijke onoplettendheid en/of onachtzaamheid en dus van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, omdat daarvoor ook andere factoren van belang zijn, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Echter, duidelijk is dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Voor bewezenverklaring van roekeloosheid dient te worden vastgesteld dat de verdachte zeer onvoorzichtig rijgedrag heeft vertoond waarbij welbewust met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen. Het betreft handelen dat niet slechts aanmerkelijk onvoorzichtig is, maar blijk geeft van een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid. Met de op 1 januari 2020 in werking getreden Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeerdelicten (Stb. 2019, 413) is de reikwijdte van ‘roekeloosheid’ als vorm van schuld via artikel 175, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994 (tevens) gekoppeld aan artikel 5a Wegenverkeerswet. De vaststelling dat sprake is van opzettelijk zeer gevaarlijk rijgedrag als bedoeld in artikel 5a Wegenverkeerswet 1994, dat heeft geleid tot een verkeersongeval met dodelijke afloop of letsel, kan vervolgens dienen ter vaststelling dat sprake is van roekeloosheid als bedoeld in artikel 175, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994. Dit betekent in essentie dat bepaald welbewust zeer gevaarlijk rijgedrag in elk geval de zwaarste vorm van schuld (roekeloosheid) oplevert als die gedragingen het gevolg hebben veroorzaakt, terwijl de verdachte zich bewust had moeten zijn van het ernstige gevaar dan wel zich bewust was van de mogelijkheid van het gevolg, maar ernstig verwijtbaar (en naar is gebleken ten onrechte) heeft geoordeeld dat het wel goed zou aflopen.

Beoordeling van de verkeersovertredingen aan de hand van de maatstaf van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994.

Voor een bewezenverklaring van artikel 5a, eerste lid, WVW, moet het hof beoordelen of de verdachte met het uit de bewijsmiddelen blijkende rijgedrag (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.

a. Schending verkeersregels

In artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 zijn gedragingen benoemd als voorbeeld van het schenden van de verkeersregels. Het betreft geen limitatieve opsomming. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte bij het naderen van het kruispunt zeer dicht achter een ander voertuig heeft gereden, genoemd onder h van voornoemd artikel, en vervolgens deze auto rechts heeft ingehaald, wat als gevaarlijk inhalen kan worden aangemerkt, genoemd onder b van voornoemd artikel. Vervolgens is hij met ongeveer 152 kilometer per uur op het kruispunt afgereden, waarmee hij de maximumsnelheid van 50 kilometer per uur zeer fors heeft overschreden. Het overschrijden van de vastgestelde maximumsnelheid wordt uitdrukkelijk in het eerste lid van het artikel onder g genoemd. Daarbij is naar het oordeel van het hof voorts van belang dat de verkeerslichten op de kruising oranje knipperden, waardoor extra behoedzaamheid van alle verkeersdeelnemers was geboden, derhalve ook van de verdachte. De verdachte heeft zijn snelheid niet zodanig aan de verkeerssituatie aangepast, sterker nog: hij is die kruising vanaf geruime afstand accelererend en op zeer hoge snelheid blijven benaderen tot het moment (1,5 seconde voor de botsing) waarop adequaat reageren op onvoorziene gedragingen niet meer mogelijk was en waarop hij zijn voertuig niet meer tijdig tot stilstand kon brengen. Het hof stelt gelet op het vorenstaande vast, dat de verdachte meerdere verkeersregels als bedoeld in artikel 5a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet, heeft geschonden.

In ernstige mate

Het in artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 vervatte verbod is beperkt tot gedragingen in het verkeer die bestaan in het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Uit de Memorie van Toelichting op dit wetsvoorstel leidt het hof af dat het gaat om een samenstel van gedragingen. Volgens de wetgever gaat het bij ernstig verkeersgevaarlijk gedrag bijvoorbeeld om het meerdere keren of gedurende langere tijd schenden van een verkeersregel, of het schenden van meerdere verkeersregels. Dat het daarbij om één (type) gedraging zou kunnen gaan is dus niet uit te sluiten, maar ook dan zullen de aard en ernst van de overtreding (bij de vaststelling waarvan de herhaling of het voortduren ervan kunnen worden betrokken) in het licht van de overige feiten en omstandigheden in het concrete geval de conclusie moeten rechtvaardigen dat sprake was van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.

Het hof stelt vast dat een Audi RS achter de auto van de verdachte de Roosendaalsebaan op is gereden. De Roosendaalsebaan is een weg waarvoor een maximum snelheid geldt van 50 kilometer per uur. [getuige 1] zag dat deze Audi RS op een ‘sportieve wijze’ snelheid vermeerderde en hem als (eerste) links passeerde. Dit was voordat [getuige 1] rechts naast [getuige 2] kwam te rijden.

De bestuurder van de Audi RS, [getuige 3] , heeft over de auto van [getuige 2] (een auto overigens met een Roemeens kenteken) verklaard:

Bij de stoplichten gingen we linksaf de Roosendaalsebaan op. Op dat moment is die auto met Bulgaars kenteken links gaan rijden. Het is daar een tweebaansweg. (…) Toen heb ik twee keer geseind met mijn grote licht en getoeterd. Hij bleef links rijden en toen heb ik hem rechts ingehaald.

Omdat [getuige 1] volgens eigen zeggen 50 à 55 kilometer per uur reed en op de auto van [getuige 2] inliep, was er op een gegeven moment voor de verdachte geen ruimte meer om in te halen. Hier leidt het hof uit af dat de auto van de verdachte zich kennelijk op zodanige afstand van deze twee getuigen bevond dat hij niet dezelfde inhaalmanoeuvre als de Audi RS kon maken. Vervolgens deed zich blijkens de verklaring van [getuige 1] de volgende situatie voor.

Ik zag dat de Audi hard doortrok richting de aankomende kruising waarvan de stoplichten oranje knipperden. (…) Op dat moment was ik de zwarte Mercedes in mijn linker buitenspiegel even kwijt. Meteen daarna zag ik dat hij links naast mij reed. Toen ik naast mij keek, zag ik een groot zwart vlak. De bestuurder van de Mercedes zat mij te pushen omdat ik zag dat hij mij voorbij wilde maar voor hem reed de groene Ford/Volvo (het hof begrijpt: de auto van [getuige 2] ). De ruimte tussen mijn auto en de groene Ford/Volvo was inmiddels kleiner geworden waardoor de Mercedes de groene Ford/Volvo niet rechts in kon halen. Ik zag dat de Mercedes heel dicht op de achterbumper van de groene Ford/Volvo reed. De groene Ford/Volvo bleef gewoon dezelfde snelheid aanhouden en op de linkerbaan rijden. Als de bestuurder van de groene Ford/Volvo had geremd was de Mercedes daar achterop geknald, zo zat hij te pushen. Op het moment dat de Mercedes mij inhaalde keek ik op mijn kilometerteller en zag dat ik 50 a 55 kilometer per uur reed. Ik dacht toen bij mezelf ‘waarom zo’n haast?’ omdat die Mercedes zo aan het pushen was. Daarna zag ik dat de Mercedes steeds een stukje mijn kant op kwam. Hij probeerde een beetje te drukken aan de rechter achterzijde van de Ford/Volvo en mijn linker voorzijde. Omdat de bestuurder van de Mercedes zo zat te pushen heb ik mijn auto iets terug laten zakken waardoor er meer ruimte ontstond tussen de groene Ford/Volvo en mijn auto. Ik zag toen dat de Mercedes de groene Ford/Volvo rechts inhaalde. Ik zag toen dat de Audi de komende kruising al over was en verder richting de snelweg reed. (…) De Mercedes verhoogde zijn snelheid heel snel.

Dat zag ik omdat de afstand tussen mij en de Mercedes, toen hij vanaf de linkerbaan invoegde, nog geen meter was en daarna heel snel uitliep naar 15 a 16 meter. In mijn beleving reed de Mercedes op dat moment wel 160 kilometer per uur want ik zag dat er zeker vier a vijf autolengtes tussen mij en de Mercedes in zaten.

De inschatting van de snelheid blijkt een behoorlijk accurate inschatting te zijn geweest hetgeen bijdraagt aan de geloofwaardigheid van de verklaringen die deze getuige heeft afgelegd.

Het hof stelt vast dat twee auto’s – de Audi RS en de Mercedes van de verdachte – de maximum snelheid in meer dan beperkte mate hebben overschreden, zij het niet volledig gelijktijdig. Nadat de bestuurder van de Audi RS (zijnde [getuige 3] ) de auto van [getuige 2] had ingehaald, volgde spoedig een significante versnelling van de auto van de verdachte waarbij de verdachte werd opgehouden door een voorligger: de auto van [getuige 2] . Blijkens de verklaring van [getuige 1] reed de verdachte op zeer korte afstand van die auto en wilde kennelijk zeer dringend inhalen. Nadat [getuige 1] de Mercedes de ruimte had gegeven, heeft de verdachte zijn voorligger rechts ingehaald terwijl hij sterk accelereerde.

Deze plotselinge snelheidstoename van de auto van de verdachte kan het hof niet los zien van het rijgedrag van de bestuurder van de Audi RS die juist daarvoor op “sportieve wijze” een auto rechts had ingehaald en sterk accelereerde.

In elk geval kan het niet anders dan dat de verdachte bewust bezig is geweest met het inhalen van een voor hem rijdende auto, met het kort op die auto rijden, met de inhaalmanoeuvre als zodanig waarbij hij besluit zijn voorligger accelererend rechts in te halen en de acceleratie door te zetten tot vlak voor de kruising die door middel van knipperlichten voor de verdachte duidelijk zichtbaar werd aangeduid als gevaarlijk punt.

Dergelijk rijgedrag lijkt naar uiterlijke verschijningsvormen sterk op het spontaan voor zichzelf – al dan niet uit zogenaamd “haantjesgedrag” – creëren van een race: wie is/kan er sneller? Een race evenwel in aanwezigheid van andere verkeersdeelnemers, soms op zeer korte afstand om zodoende een doorgang te forceren en rechts te kunnen inhalen, en dat alles met een excessieve snelheid afstevenend op een kruispunt met meerdere rijbanen waarvan de verkeerslichten buiten bedrijf zijn. De belangen van die andere verkeersdeelnemers en van de verkeersveiligheid lijken de verdachte volledig onverschillig te laten.

Dit samenstel van gedragingen rechtvaardigt het oordeel dat hier niet alleen sprake was van opzet op het overtreden van diverse verkeersregels, maar ook op de ernstige mate waarin dit samenstel van gedragingen de verkeersregels schond.

Overigens geldt de verdachte niet bepaald als een onbeschreven blad als het gaat om verkeersfeiten. Afgezien van mutaties in binnen- en buitenland waaruit blijkt dat de bij verdachte in gebruik zijnde auto’s nogal eens betrokken zijn bij diverse verkeersfeiten, is hij op 15 oktober 2021 veroordeeld (per 30 oktober 2021 onherroepelijk) ter zake van onder andere een forse snelheidsovertreding. Blijkens een proces-verbaal van bevindingen betreft dat het volgende feit dat bovendien is gepleegd op het moment dat zijn rijbewijs was ingevorderd.

PL1700_BVH_2020388639 (Politiesysteem BVH)

Datum: 28 november 2020 (invordering rijbewijs)

Rijbewijs ingevorderd van [verdachte] .

Op de Rijksweg A16 was de maximale toegestane snelheid 100 km/u en de vastgestelde snelheid was 183 km/u.

Voorts blijkt uit dat proces-verbaal de volgende opgelegde boete.

PL2000_BVH_2021169417 (Politiesysteem BVH)

Datum: 29 jun 2021

Een huurauto met Duits kenteken reed met hoge snelheid over de Antwerpseweg richting Tolberg te Roosendaal. De bestuurder betrof: [verdachte] Huurperiode: 16-06-2021 - 14-07-2021

Bedrag: 1750 euro

Het bewijs van het opzettelijk in ernstige mate overtreden van de verkeersregels kan zoals reeds opgemerkt worden afgeleid uit de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden. Dat dit niet een eenmalig incident was volgt uit voornoemde antecedenten. Deze bieden steun aan het beeld dat de verdachte kennelijk geen terughoudendheid ervaart als het gaat om snelheid in het verkeer.

Opzettelijk

Uit de Nota naar aanleiding van het verslag volgt met betrekking tot het opzet onder meer het volgende. Het opzet van de verdachte moet zowel zijn gericht op het overtreden van een of meer verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regel(s). Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet worden afgeleid dat de gedragingen, die elk op zichzelf een overtreding van een verkeersregel inhouden en in veel gevallen niet anders dan opzettelijk kunnen worden begaan, in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige overschrijding van de verkeersregels gericht zijn.

Het hof is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte, bestaande uit het willen gaan inhalen van een voor hem rijdende auto, het kort op die auto gaan rijden, de inhaalmanoeuvre als zodanig waarbij hij besluit om zijn voorligger accelererend rechts in te halen en om de acceleratie door te zetten tot zeer hoge snelheid tot vlak voor de kruising, welke kruising door middel van knipperlichten voor de verdachte duidelijk zichtbaar werd aangeduid als gevaarlijk punt en welke kruising door meerdere verkeersdeelnemers daadwerkelijk werd gebruikt, in hun onderlinge samenhang bezien, niet anders dan opzettelijk kunnen zijn verricht. Immers, de aan de verdachte toe te schrijven verkeershandelingen, te weten het opvoeren van de snelheid tot ver boven de geldende maximum snelheid (een overschrijding van het maximum met meer dan 304%), het inzetten van een inhaalmanoeuvre door rechts in te halen en op momenten zeer kort achter een voorganger rijden, betreffen telkens actief te maken keuzes die zowel het weten als het aanvaarden impliceren en kunnen niet anders dan opzettelijk worden gepleegd. De verdachte heeft door aldus te handelen zichzelf in een positie gemanoeuvreerd waardoor ernstig gevaar voor andere weggebruikers ontstond en welk gevaar zich spoedig daarna ook heeft verwezenlijkt. Gegeven de aard en de ernst van de hier aan de orde zijnde verkeersovertredingen is daarmee het opzet tevens gericht geweest op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.

Gevaar te duchten

Om vast te stellen dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was, moet het gevaar ten tijde van het handelen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest. Dit vergt een beoordeling aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van het geval, waaronder de plaats waar en het tijdstip waarop het genoemde gedrag heeft plaatsgevonden. Bij dit oordeel is van belang dat in het verkeer in het algemeen niet goed voorspelbaar is bij welke andere verkeersdeelnemers men in de nabijheid zal komen en hoe deze zullen reageren op een schending van verkeersregels. Van het duchten van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor ander kan daarom ook sprake zijn als gedrag waardoor verkeersregels in ernstige mate zijn geschonden, met zich brengt dat bestuurder van voertuig niet in staat kan worden geacht steeds adequaat te reageren op aanwezigheid en verkeersgedrag van andere verkeersdeelnemers.

Het hof is van oordeel dat in dit geval het voorzienbaar was dat vanwege dit ernstig verkeersgevaarlijk gedrag zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar was te duchten. In zijn algemeenheid acht het hof het voorzienbaar dat er een zeer gevaarlijke situatie kan ontstaan door het hiervoor beschreven rijgedrag op een weg met een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. Het hof weegt hierin ook mee dat de verkeerslichten oranje knipperden

Er was naar het oordeel van het hof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel bij de andere weggebruikers, maar ook bij de inzittenden van de auto van de verdachte. In dit geval heeft er ook daadwerkelijk een ongeval met dodelijke afloop plaatsgevonden. Het door de verdachte gecreëerde gevaar is daarmee verwezenlijkt. Het hof acht dan ook bewezen dat er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van andere weggebruikers te duchten was.

Conclusie

Het hof stelt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, vast dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de in artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 genoemde gedragingen. Nu ook aan de overige bestanddelen van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 is voldaan, is het verkeersgedrag van de verdachte naar het oordeel van het hof aan te merken als roekeloos rijgedrag zoals omschreven in artikel 5a van de Wegenverkeerswet.

Nu de betreffende tenlastelegging onder feit 1 is toegesneden op meerdere van de in artikel 5a, eerste lid WVW 1994 omschreven gedragingen, dient niet alleen overtreding van artikel 5a WVW 1994 uit de bewijsvoering te blijken, maar moet ook blijken dat – ten aanzien van de in artikel 6 WVW 1994 gestelde vereisten, in het bijzonder ten aanzien van de schuld aan het verkeersongeval en de gevolgen daarvan – ook de overige delictsbestanddelen van de overtreding van artikel 6 WVW 1994 zijn vervuld.

Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat de verdachte gezien de voorliggende feiten en omstandigheden welbewust zeer gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond waarbij die gedragingen hebben geleid tot een noodlottige ongeval dat de dood van vier personen tot gevolg heeft gehad, terwijl de verdachte zich bewust had moeten zijn van het ernstige gevaar dan wel zich bewust was van de mogelijkheid van het gevolg, maar ernstig verwijtbaar (en naar is gebleken ten onrechte) heeft geoordeeld dat het wel goed zou aflopen.

Voor zover de verdediging heeft bepleit dat het ingrijpen van het wettelijk verplichte elektronisch stabiliteitssysteem de uitwijkbeweging van de verdachte heeft beperkt, dan wel een reële poging is geweest om de botsing te vermijden, en dat dit invloed heeft op de schuldgraad overweegt het hof als volgt. Zoals uit het voorgaande volgt is het hof van oordeel dat reeds sprake is geweest van roekeloos rijgedrag nog voordat de verdachte hevig naar rechts stuurde en het elektronisch stabiliteitssysteem heeft ingegrepen. Het was juist dit roekeloze rijgedrag dat debet was aan het sterk naar rechts sturen en het activeren van het elektronisch stabiliteitssysteem en doet dan ook niet af aan het oordeel van het hof dat sprake is van roekeloos rijgedrag.

Met betrekking tot het verweer van de verdediging dat de wetgever zelf heeft bepaald hoe een aanzienlijke overschrijding van de maximumsnelheid in het stelstel van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 moet worden verdisconteerd, gelet op artikel 175, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en dat daarmee de snelheid in de wet een strafverzwarende omstandigheid bij schuld is en zij van schuld geen roekeloosheid maakt overweegt het hof het volgende. Deze stelling van de verdediging, wat daar ook verder van zij, wijst op een bepaling die bij wetswijziging van 1 januari 2020 niet meer in het derde lid van artikel 175 van de Wegenverkeerswet is opgenomen. Het hof zal dit punt dan ook verder onbesproken laten.

Het hof acht het onder 1 tenlastegelegde en het daarin opgenomen roekeloos rijgedrag bewezen en verwerpt mitsdien het verweer van de verdediging.

Ook hetgeen overigens door de verdediging is aangevoerd, leidt het hof niet tot een ander oordeel.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde

Artikel 5 Wegenverkeerwet 1994 stelt als overtreding strafbaar dat het een ieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 beoogt het belang van de verkeersveiligheid (middels het bestanddeel ‘gevaar’) respectievelijk de vlotheid van de doorstroming van het verkeer (middels het bestanddeel ‘hinder’) te beschermen.

Volgens bestendige jurisprudentie geldt aangaande het vereiste ‘gevaar’ op de weg veroorzaken dat de verdachte een zekere mate van concreet gevaarzettend gedrag of evident gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond, dat de reële mogelijkheid van schade aan goederen of personen op de weg heeft veroorzaakt. Voor een bewezenverklaring van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 is derhalve niet vereist dat andere weggebruikers door het rijgedrag van de verdachte concreet gevaar of hinder hebben moeten ondervinden, noch dat zulk gevaar of hinder zich eerder regelmatig heeft verwezenlijkt.

Of een verdachte zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt, dient te worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval. Aan het veroorzaken van dat gevaar moet ongeoorloofd gedrag ten grondslag liggen, maar in zijn algemeenheid is een enkele verkeersovertreding onvoldoende om het gevaar aan te nemen waarop in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 wordt gedoeld. Hij die zich in het verkeer van een gevaar bewust behoort te zijn, moet zichzelf in de gelegenheid stellen vast te stellen dat dit gevaar zich niet voordoet.

Met betrekking tot het verkeersgedrag van de verdachte verwijst het hof naar hetgeen is overwogen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. Door zich onder voornoemde omstandigheden op voornoemde wijze in het verkeer te gedragen, heeft de verdachte naar het oordeel van het hof een zekere mate van concreet gevaarzettend gedrag of evident gevaarlijk rijgedrag vertoond en daarmee gevaar op die weg veroorzaakt. Dat gevaar heeft, blijkens het zich voorgedane ongeval, ook daadwerkelijk geleid tot letsel en schade. Door zich op deze wijze te gedragen, heeft de verdachte naar het oordeel van het hof het belang van de verkeersveiligheid geschonden, zoals bedoeld in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde sprake is van meerdaadse samenloop, nu elk gevolg (ook indien verschillende gevolgen uit hetzelfde feit of feitencomplex voortvloeien) een zelfstandige vervulling van de delictsomschrijving oplevert en dat om die reden geen sprake is van eendaadse samenloop of van een voortgezette handeling. De omstandigheid dat in de tenlastelegging is gekozen voor het opnemen van de vier dodelijke slachtoffers in één feit doet niet af aan het feit dat sprake is van meerdaadse samenloop, aldus de advocaat-generaal.

De verdediging heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde sprake is van eendaadse samenloop en dat artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. In dat kader heeft de verdediging naar voren gebracht dat de rechtbank de juiste maatstaf heeft toegepast, te weten dat van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht sprake is indien de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet (meer dan enigszins) uiteenloopt. De verdediging heeft bepleit dat hiervan in onderhavige zaak sprake is, nu het gaat om een reeks van met elkaar samenhangende gedragingen in een zeer korte tijdspanne die in één klap een einde heeft gemaakt aan vier levens.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De regeling van de bepalingen van samenloop geeft uitdrukking aan de gedachte dat iemand niet twee keer mag worden bestraft voor wat in wezen één strafrechtelijk relevant verwijt oplevert. Het gaat daarbij met andere woorden om het voorkomen van – kort gezegd – onevenredige aansprakelijkheid en bestraffing bij een gelijktijdige berechting van verschillende, mogelijk sterk samenhangende strafbare feiten. Volgens inmiddels bestendige jurisprudentie geldt dat naar huidig inzicht een enigszins uiteenlopen van de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet in de weg staat aan het aannemen van eendaadse samenloop indien het in essentie om hetzelfde feitencomplex gaat. Voor de eendaadse samenloop komt het vooral aan op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt.

In het bijzonder bij gevolgdelicten, zoals het bewezenverklaarde onder 1 in onderhavige zaak, is het uitgangspunt dat elk gevolg – ook indien de verschillende gevolgen uit hetzelfde feit of feitencomplex voortvloeien – een zelfstandige vervulling van de delictsomschrijving oplevert en dat daarom in beginsel van eendaadse samenloop of van een voortgezette handeling geen sprake is, zoals bij een verkeersongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 met meerdere slachtoffers.

Naar het oordeel van het hof bestaat in onderhavige zaak geen grond om van dit uitgangspunt af te wijken.

Gelet op bovenstaande is het hof, anders dan de verdediging, maar met de advocaat-generaal, van oordeel dat het bewezenverklaarde onder 1 geen eendaadse, maar een meerdaadse samenloop als bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht oplevert.

De kwalificatie van de bewezenverklaarde feiten behoort naar het oordeel van het hof te luiden als hieronder vermeld.

Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

meermalen gepleegd.

Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

De ernst van het bewezenverklaarde

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd en overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte reed op 2 september 2022, nadat hij zeer dicht achter een voertuig had gereden en dit voertuig rechts had ingehaald, met ongeveer drie keer de toegestane snelheid, te weten ongeveer 152 kilometer per uur richting een kruising waarvan de verkeerslichten niet in bedrijf waren, was niet meer in staat bij te sturen en tijdig te remmen en reed vervolgens die kruising op met veel te hoge snelheid. Vanaf rechts op deze kruising kwam op dat moment de Toyota waarin de slachtoffers, te weten [slachtoffer 1] , haar tienjarige dochter [slachtoffer 2] en achtjarige zoon [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en haar negenjarige dochter [slachtoffer 5] , zich bevonden. Door het volstrekt onverantwoorde rijgedrag van de verdachte is de verdachte met zijn Mercedes met volle vaart en grote kracht ingereden op de op dat moment stilstaande Toyota. Ten gevolge van deze aanrijding zijn [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] om het leven gekomen en heeft [slachtoffer 5] letsel opgelopen en als enige inzittende het ongeval overleefd.

Door zijn handelen heeft de verdachte die bewuste avond drie leden van het gezin [naam] , waaronder twee kinderen, die nog een heel leven voor zich hadden moeten hebben, en de moeder van het gezin [naam] het meest kostbare dat een mens bezit, het recht op leven, ontnomen. De verdachte heeft [slachtoffer 5] en de andere nabestaanden onbeschrijflijk veel leed toegebracht. De dood van de slachtoffers betekent voor de nabestaanden het immens pijnlijke en onomkeerbare verlies van hun dierbaren die op een compleet onverwacht moment op gruwelijke wijze uit hun leven zijn weggerukt. Blijkens de slachtofferverklaringen die in eerste aanleg en in hoger beroep zijn voorgelezen heeft het gebeurde diep ingegrepen in het leven van de nabestaanden. De nabestaanden hebben op indringende wijze verwoord hoe het onverwachte verlies in hun leven heeft ingegrepen en nog elke dag diep voelbaar is. Leed dat hun verdere bestaan zal blijven overschaduwen. Het hof realiseert zich dat geen enkele straf die aan de verdachte zal worden opgelegd recht zal doen aan dit leed van de nabestaanden.

Het ongeval heeft ook een diepe indruk gemaakt op anderen. Zo zijn meerdere weggebruikers getuige geweest van de aanrijding. Het hof denkt ook aan de verbalisanten en de andere hulpdiensten die als eerste bij de slachtoffers aanwezig waren en geconfronteerd werden met de situatie ter plaatse van het ongeval en ernstige verwondingen van de slachtoffers. Daarnaast draagt het handelen van de verdachte bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Het hof rekent het de verdachte ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Het hof is van oordeel dat de verdachte tot op heden geen verantwoordelijkheid voor het ongeval heeft genomen. In het kader hiervan wijst het hof op de omstandigheid dat de verdachte onder andere ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij, nadat het verkeersongeval had plaatsgevonden, zou hebben geprobeerd de deuren van de Toyota te openen. Op de in het dossier voorhanden zijnde camerabeelden is te zien dat de verdachte na het ongeval heel rustig naar de Toyota loopt, even in de auto kijkt en vervolgens weer rustig terug naar zijn auto loopt. Hoewel het hof het met de verdediging eens is dat het zicht van camera B00-CCT-VC006 op de auto niet geheel vrij is, valt nog wel waar te nemen dat de verdachte niet naar de (overige) deuren is gelopen om deze te openen dan wel via een van de (ontbrekende) ramen hulp te bieden. Evenmin blijkt dat de verdachte op andere wijze gepoogd heeft hulp te bieden. De verdachte is slechts zeer kort (ongeveer 5 seconden voorovergebogen in de auto kijkend door de ruit aan de bestuurderszijde) bij de auto blijven staan. Dit sluit ook aan bij hetgeen [getuige 4] hierover heeft verklaard. Zij zag de bestuurder van de Mercedes enkel bij de Toyota lopen. Toen zij de verdachte en de overige inzittenden van de Mercedes na het ongeval aansprak, hoorde zij de jongens zeggen: “Je gaat toch niet stil staan op een kruispunt, dat doe je toch niet” en dergelijke. Met de rechtbank verbindt het hof aan het vorenomschrevene de conclusie dat de verdachte zich direct na het ongeval niet heeft bekommerd om de slachtoffers. Hoewel de verdachte nu zijn spijt betuigt dat hij te hard heeft gereden, blijft hij (ook) nog steeds bij het feit dat hij op een voorrangsweg reed en de Toyota hem voorrang had moeten verlenen. Hiermee geeft de verdachte er naar het oordeel van het hof in ieder geval blijk van dat hij geen inzicht heeft in de laakbaarheid van zijn eigen handelen en zich onvoldoende rekenschap geeft van de vergaande gevolgen die dit heeft gehad voor de levens van anderen.

Naar het oordeel van het hof kan – gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan – niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor lange duur met zich brengt.

De persoon van de verdachte

Bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf heeft het hof acht geslagen op de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 april 2026, waaruit volgt dat de verdachte, voorafgaand aan de onderhavige feiten, al eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van overtreding van de Wegenverkeerswet. Zo is aan de verdachte onder andere bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel d.d. 15 oktober 2021 ter zake van een snelheidsovertreding en het rijden terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd een taakstraf voor de duur van in totaal 55 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 maanden opgelegd, hetgeen naar het oordeel van het hof geen lichte straffen voor verkeersfeiten betreffen. Het hof is van oordeel dat geen ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor deze duur zou zijn opgelegd bij een geringe snelheidsovertreding. Deze veroordeling vond minder dan een jaar voor het onderhavige feit plaats. De verdachte lijkt zo bezien niet te willen leren van zijn fouten en het hof rekent dit als een strafverzwarende omstandigheid mee.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan is gebleken ter terechtzitting in hoger beroep. In dat kader heeft het hof acht geslagen op het in het dossier voorhanden zijnde reclasseringsadvies d.d. 21 december 2022. Hieruit blijkt dat het gedrag en de houding van de verdachte op de openbare weg door de reclassering als zorgelijk wordt gezien. Voor het overige heeft de reclassering geen factoren op de algemene leefgebieden gesignaleerd die tot herhaald gedrag zouden kunnen leiden. Bij een veroordeling tot een (deels) voorwaardelijke straf adviseert de reclassering een straf met als voorwaarde het gedrag betreffende een rijontzegging voor bepaalde tijd. Een meldplicht of toezicht vanuit de reclassering is niet geïndiceerd. De reclassering heeft voorts beschreven dat de reclassering niets is gebleken van doorleefd berouw of spijt. Uit het e-mailbericht van reclasseringswerker [naam] d.d. 10 juli 2023 volgt dat het lang onrustig is geweest rondom de verdachte en dat hij zich in verdachte omstandigheden ophield. De verdachte is aangemeld voor diagnostiek en behandeling, hetgeen zich in de intakefase bevindt.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij samenwoont met zijn vader en zijn zus en verloofd is met zijn vriendin. Momenteel heeft hij geen werk, maar helpt hij af en toe in de horecazaak van zijn vader. Hij is voornemens een IT-opleiding te volgen en hij is onder behandeling van een psycholoog, aldus de verdachte.

Tussenconclusie op te leggen gevangenisstraf

Zoals onder ‘Strafbaarheid van het bewezenverklaarde’ is overwogen is het hof, met de advocaat-generaal, van oordeel dat ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde sprake is van meerdaadse samenloop. De maximaal op te leggen gevangenisstraf voor het in onderhavige bewezenverklaarde onder 1 is, gelet op artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 57, tweede lid, (oud) van het Wetboek van Strafrecht, een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren. Nu het onder 1 bewezenverklaarde een misdrijf betreft en het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde een overtreding betreft is het hof op voet van artikel 62 van het Wetboek van Strafrecht – bij oplegging van straf voor beide feiten – gehouden twee aparte straffen op te leggen.

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde is het hof van oordeel dat, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, niet kan worden volstaan met een gevangenisstraf als door de verdediging verzocht, te weten een gevangenisstraf die gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, dan wel een gevangenisstraf die aanzienlijk lager is dan 4 jaren, waarvan een substantieel deel voorwaardelijk. Het hof is van oordeel dat evenmin kan worden volstaan met een straf zoals door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof is van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde is het hof, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, van oordeel dat niet kan worden volstaan met toepassing van het rechterlijk pardon, zoals bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en verzocht door de verdediging. Gelet op de op te leggen gevangenisstraf ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde ziet het hof wel aanleiding om ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde te volstaan met een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, zoals hieronder vermeld.

De overschrijding van de redelijke termijn

Met betrekking tot het procesverloop en de duur daarvan, overweegt het hof het navolgende.

Het hof stelt voorop dat iedere verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaren nadat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Bovendien heeft in onderhavige zaak als uitgangspunt te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen 2 jaren nadat hoger beroep in ingesteld.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg niet is overschreden, nu de verdachte op 3 september 2022 in verzekering is gesteld en het vonnis van 26 april 2024 dateert. De redelijke termijn in hoger beroep is echter wel overschreden, namelijk met bijna 6 maanden. Namens de verdachte is op 13 mei 2024 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof heden, 6 november 2026, arrest wijst.

Zoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat zonder schending van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren en 8 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde onder 1 is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met het achterwege laten van een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen, dan wel de duur hiervan te bepalen op ten hoogste 5 jaren, zoals door de verdediging is bepleit. Het hof is van oordeel dat, gelet op voornoemde ernst en ter bescherming van de verkeersveiligheid, enkel een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor lange duur passend is en het hof zal derhalve deze duur bepalen op 10 jaren.

De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht, waarbij de termijn van de ontzegging wordt verlengd met de tijd dat de verdachte gedurende de ontzegging rechtens zijn vrijheid is ontnomen ex artikel 180, zevende lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde zal het hof mede ter bescherming van de verkeersveiligheid een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen opleggen voor de duur van 1 jaar.

Eindconclusie

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof aan de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren en 8 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest, en ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar, zal opleggen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

In hetgeen door de verdediging overigens is aangevoerd, ziet het hof geen reden om te komen tot een andere strafoplegging.

Bevel gevangenneming

Bij arrest van heden, d.d. 6 november 2026, wordt de verdachte ter zake van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd (feit 1) en overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (feit 2 subsidiair) veroordeeld tot onder andere een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren en 8 maanden, met aftrek van voorarrest.

Het hof ziet belangrijke redenen om de verdachte in voorlopige hechtenis te nemen en zal daarom de gevangenneming bevelen.

Gelet op de aanzienlijke duur van de gevangenisstraf die aan de verdachte wordt opgelegd in combinatie met de hem persoonlijk betreffende omstandigheden, blijkt naar het oordeel van het hof een ernstig gevaar voor vlucht, teneinde zich aan de tenuitvoerlegging te onttrekken.

Gelet op verdachtes houding ten aanzien van het bewezenverklaarde waaruit naar het oordeel van het hof blijkt dat hij onvoldoende inzicht heeft in eisen die aan zijn verantwoordelijkheid voor zijn gedrag als verkeersdeelnemer worden gesteld in relatie tot de belangen van de andere verkeersdeelnemers, en gelet op het strafblad van de verdachte, onder meer op het gebied van verkeermisdragingen, is het hof van oordeel dat de verdachte zich weinig gelegen laat liggen aan voor hem geldende regels in het maatschappelijk verkeer. Naar het oordeel van het hof moet er dan ook ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waarop een gevangenisstraf van 6 jaar of meer is gesteld of waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht.

Tenslotte overweegt het hof dat het bevel tot voorlopige hechtenis tevens wordt gegrond op de veroordeling in de onderhavige strafzaak ten aanzien van de onder feit 1 bewezenverklaarde misdrijven waarvoor het hof een gevangenisstraf van 6 jaren en 8 maanden (in elk geval een langere periode dan de reeds eerder ondergane voorlopige hechtenis) heeft opgelegd.

Het hof heeft ambtshalve de persoonlijke belangen van de verdachte zoals die ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken, gewogen tegen de strafvorderlijke belangen. Gezien het vorenstaande en de duur van de op te leggen straf, acht het hof de strafvorderlijke belangen van zwaarder gewicht

Gelet op het vorenstaande zal het hof de gevangenneming van de verdachte bevelen met ingang van heden, welk bevel apart zal worden geminuteerd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 6, 175, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren en 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 (tien) jaren.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde

Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar.

Beveelt de gevangenneming van de verdachte ter zake van de onder feit 1 bewezenverklaarde feiten, welk bevel afzonderlijk is geminuteerd.

Aldus gewezen door:

mr. W.F. Koolen, voorzitter,

mr. A.R. Hartmann en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,

en op 6 november 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Vgl. o.a. HR 16 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5802, NJ 2000/510; HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, rov. 2.4-2.7 en HR 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:66, rov. 2.4.1-2.4.8. Vgl. HR 14 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:AC3716, NJ 1993/54; HR 25 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6192 en HR 23 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3902, rov. 4.3. EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16, NJ 2021/93 (Keskin tegen Nederland), § 56: bedoeld is ‘to test the truthfulness and reliability of evidence provided by witnesses which incriminates him or her.’ Vgl. HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362 en HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:585. Vgl. HR 30 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9666/NJ 2005, 69 en HR 28 november 2006, ECLI:NL:HR:AZ0247/NJ 2007, 49. Vgl. HR 19 december 1963, ECLI:NL:HR:1963:2/NJ 1963, 512 en HR 2 mei 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB8000/NJ 1989,719. Vgl. HR 17 juni 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6919/NJ 1980, 580 en HR 25 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6452, rov. 3.4. Vgl. onder meer HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822/NJ 2005, 252; HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2208/NJ 2011, 172; HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3105; HR 2 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:128 en HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398, rov. 2.6.1 en 2.6.2. Zie Kamerstukken II 2001-2002, 28 484, nr. 3, p. 10-12. Zie Kamerstukken II 2018-2019, 35 086, nr. 3, p. 8 en 14-15 en HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1405, rov. 2.7.1-2.7.4. Vgl. HR 14 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:694; HR 11 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:344 en HR 7 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:560. Vgl. Kamerstukken II 1990-1991, 22 030, nr. 3, p. 66 (t.t.v. het wetsvoorstel nog als artikel 4 WVW benoemd): ‘De bepaling strekt er slechts toe evidente vormen van gevaar of hinder aan te pakken’. Vgl. HR 21 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:78, rov. 3.3. Vgl. HR 23 oktober 1962, VR 1963, 21 en HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3998, rov. 3.5. Vgl. HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111-1115; HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831 en HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1068. Vgl. HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111 en HR 16 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:11. B00-CCT-VC006 Roosendaalsebaan _ Blauwhekken-2022-09-02_18h09min09s990ms.mp4