Strafrecht overig
Zwaar lichamelijk letsel Gelet op de aard en de blijvende duur van dit letsel, de daarmee samenhangende…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 5 november 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:3138 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 5 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-3138
Zaakgegevens
Op 5 november 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 5 november 2026
- Datum publicatie
- 6 november 2026
- Zaaknummer
- 20-000134-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:3138
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Zwaar lichamelijk letsel
Gelet op de aard en de blijvende duur van dit letsel, de daarmee samenhangende langdurige pijnklachten en de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen is het hof van oordeel dat evident sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Het hof is van oordeel dat het door de verdachte uitgeoefende geweld zodanig was dat daaruit kan worden afgeleid dat de verdachte op zijn minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever door dat geweld zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. Immers heeft de verdachte de aangever met dusdanige kracht meermalen met gebruik van een voorwerp, zijnde een fietspomp en een glazen wijnfles op/tegen het gezicht en/of hoofd geslagen, een bij uitstek kwetsbaar onderdeel van het lichaam dat aangever een schedelfactuur en een deuk in zijn voorhoofd heeft opgelopen. Naar het oordeel van het hof moet deze gedraging van de verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het – nu er ook geen contra-indicaties aanwezig zijn – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Procesgang
Rechtbank Oost-Brabant · 19 januari 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:228Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 5 november 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2026:3138
(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Uitspraak
Parketnummer : 20-000134-26
Uitspraak : 5 november 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 19 januari 2026, in de strafzaak met parketnummer 01-320128-24 tegen:
[verdachte 1]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft de verdachte, bij vonnis waarvan beroep, ter zake van ‘zware mishandeling’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 12.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft de verdachte voorts veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot de datum van het vonnis begroot op nihil.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. In zoverre opnieuw rechtdoende, heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht gevorderd in de vorm van een contactverbod met [slachtoffer] . Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze integraal zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tot slot heeft de advocaat-generaal de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen aan de rechthebbende gevorderd.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 primair tenlastegelegde en subsidiair een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de verdediging primair verzocht om de schadevergoeding in zijn geheel af te wijzen. Subsidiair is verzocht het toe te kennen bedrag te matigen tot € 3.000,00. Ten aanzien van het beslag heeft de verdediging zich geschaard achter de vordering van de advocaat-generaal.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met uitzondering van de opgelegde straf, onder aanvulling en verbetering van de gronden waarop het berust, in die zin dat de bewijsmiddelen worden aangevuld en de bewijsoverweging wordt vervangen, een en ander op de wijze als hierna vermeld. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Bijgevolg komt de overweging van de rechtbank met betrekking tot de opgelegde straf te vervallen, en zal deze worden vervangen door hetgeen hierna wordt overwogen.
De rechtbank heeft abusievelijk geen beslissing genomen ten aanzien van de voorwerpen die op de beslaglijst zijn opgenomen. Het hof zal ten aanzien hiervan alsnog een beslissing nemen.
Aanvulling bewijsmiddelen
In aanvulling op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen komt de bewezenverklaring van het bewezenverklaarde feit mede te berusten op het navolgende bewijsmiddel:
- Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 6 oktober 2024 (p. 124-128), voor zover inhoudende:
Op zondag 06 oktober 2024, was ik doende met het bekijken van de camerabeelden die door collega's op straat waren over gefilmd.
(…)
Ik zag linksboven in de telefoon de volgende gegevens: 2024-10-05 15:12:45
(…)
Ik zag dat de man met de blauwe jas (het hof begrijpt telkens: de verdachte) een slaande beweging maakte met een fietspomp richting de man met de bordeauxrode jas (het hof begrijpt telkens: de aangever) en dat deze man zich afweerde. Ik zag dat de man met de blauwe jas met de fietspomp recht op het hoofd van de man met de bordeauxrode jas sloeg. Ik zag dat dit met het uiteinde van de fietspomp was met de uitstekende delen.
(…)
Ik zag dat de man nogmaals met de fietspomp uithaalde en tegen de man met de bordeauxrode jas sloeg.
(…)
Ik zag dat de man met de blauwe jas de fietspomp losliet en dat hij weg liep en een lege fles wijn pakte en daarmee terugliep naar de man met de bordeauxrode jas. Ik zag dat de man met de blauwe jas met de fles wijn uithaalde richting de man met de bordeauxrode jas.
(…)
Ik zag dat de man met de blauwe jas de lege fles wijn vol in het gezicht van de man met de bordeauxrode jas sloeg.
Vervanging bewijsoverweging
De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van de primair tenlastegelegde zware mishandeling dient te worden vrijgesproken. Daartoe is in de kern aangevoerd dat bij gebreke van (recente) medische informatie geen zwaar lichamelijk letsel kan worden vastgesteld.
Het hof overweegt als volgt.
Het Wetboek van Strafrecht bevat geen definitie of omschrijving van zwaar lichamelijk letsel. Artikel 82 Sr strekt ertoe buiten twijfel te stellen dat in de in die bepaling genoemde gevallen sprake is van zwaar lichamelijk letsel en geeft daardoor tot op zekere hoogte invulling aan dat begrip, maar de wetgever heeft niet beoogd met die bepaling een limitatieve opsomming te geven. Het artikel laat de rechter de vrijheid om ook buiten de daarin aangeduide gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen als dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen volgens bestendige jurisprudentie in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
Met betrekking tot botfracturen overwoog de Hoge Raad dat in de regel sprake is van zwaar lichamelijk letsel indien sprake is van operatief ingrijpen waarbij onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen meeweegt. Daarnaast betreft het uitzicht op herstel een (mogelijk) gezichtspunt in de beoordeling of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Daarbij geldt – ook buiten de situatie waarin operatief ingrijpen heeft plaatsgevonden – dat van zwaar lichamelijk letsel niet alleen sprake kan zijn indien het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, doch ook indien het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Voorts kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd.
Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit. De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij de vaststelling ook in aanmerking worden genomen wat algemene ervaringsregels over die gezichtspunten leren. In voorkomende gevallen kan in de beoordeling worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meer littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken – langdurige – pijnklachten (hebben) bestaan.
Uit de aangifte en de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat de verdachte op 5 oktober 2024 naar de aangever uithaalde met (het uiteinde van) een fietspomp en de aangever hiermee meermaals (met kracht) tegen het hoofd sloeg. Daarna pakte de verdachte een wijnfles en sloeg hij de aangever hiermee vol in het gezicht. De aangever is vervolgens met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Daar is vastgesteld dat de aangever als gevolg van de mishandeling een breuk in het voorhoofd heeft opgelopen. Blijkens de geneeskundige verklaring van kaakchirurg [arts] was er sprake van een deuk in het midden van het voorhoofd van ongeveer 7 bij 4 centimeter. Tevens was er sprake van ernstig uitwendig bloedverlies. De duur van genezing werd destijds op ongeveer 6 tot 8 weken geschat.
Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of het geconstateerde letsel gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel.
Blijkens de medische informatie in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de aangever aan de mishandeling (grote) blijvende littekens op het hoofd heeft overgehouden. Voor het zetten van de schedelfactuur was een vier uur durende operatie in het ziekenhuis nodig. Aangever ondervindt – blijkens zijn mondelinge toelichting bij de vordering als benadeelde partij op terechtzitting in hoger beroep – in het dagelijks leven nog altijd (pijn)klachten van het letsel aan zijn hoofd. Zo heeft hij last van zenuwtrekken in zijn gezicht en ernstige migraines. Vanwege het letsel aan de voorhoofdsholte heeft de aangever bovendien ademhalingsproblemen opgelopen, wat zorgt voor kortademigheid.
Gelet op de aard en de blijvende duur van dit letsel, de daarmee samenhangende langdurige pijnklachten en de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen is het hof van oordeel dat evident sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Het hof is van oordeel dat het door de verdachte uitgeoefende geweld zodanig was dat daaruit kan worden afgeleid dat de verdachte op zijn minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever door dat geweld zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. Immers heeft de verdachte de aangever met dusdanige kracht meermalen met gebruik van een voorwerp, zijnde een fietspomp en een glazen wijnfles op/tegen het gezicht en/of hoofd geslagen, een bij uitstek kwetsbaar onderdeel van het lichaam dat aangever een schedelfactuur en een deuk in zijn voorhoofd heeft opgelopen. Naar het oordeel van het hof moet deze gedraging van de verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het – nu er ook geen contra-indicaties aanwezig zijn – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling zoals onder primair is bewezenverklaard.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft het hof verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de omstandigheden waaronder het conflict heeft plaatsgevonden, verdachte zijn psychische gesteldheid en de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer] , door die [slachtoffer] meermalen met een fietspomp en een glazen wijnfles op/tegen het gezicht en/of hoofd te slaan. Als gevolg van de mishandeling heeft het slachtoffer een fractuur in het voorhoofd opgelopen. Het slachtoffer heeft hiervoor een vier uur durende operatie moeten ondergaan. Ten gevolge van dit noodzakelijke medisch ingrijpen moet het slachtoffer met grote en ontsierende littekens op zijn hoofd door het leven. De verdachte heeft met zijn handelen het slachtoffer voor het leven getekend. Het gewelddadig karakter van het door de verdachte gepleegde strafbare feit laat zien dat hij er niet voor terugschrikt om zwaar geweld te gebruiken. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde slachtofferverklaring blijkt dat de zware mishandeling een grote impact op het leven van het slachtoffer heeft gehad. Het slachtoffer heeft nog altijd te kampen met pijnklachten, en ervaart nadelige psychische gevolgen en stress. Het is dan ook algemeen bekend dat een gebeurtenis als deze naast lichamelijke gevolgen, een grote emotionele impact heeft op slachtoffers. Het hof rekent het de verdachte dan ook ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat hij, zoals blijkt uit het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 augustus 2026, niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Voorts is acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Naar het oordeel van het hof kan – gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan – niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van langere duur met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof, conform de eis van de advocaat-generaal, de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Het is het hof niet gebleken dat een contactverbod met [slachtoffer] momenteel nog noodzakelijk is, zodat dit niet zal worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
Ten aanzien van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten, als zijnde de redelijkerwijs als rechthebbende van die voorwerpen aan te merken persoon, nu er geen strafvorderlijk belang meer is bij handhaving van het beslag op die voorwerpen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf, en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
-
Samsung telefoon (PL2100-2024219942-2257593);
-
Kleding (Ondergoed) (PL2100-2024219942-2257746);
-
Kleding (Shirt) (PL2100-2024219942-2257748);
-
Randapparatuur Kingston (PL2100-2024220129-2257840);
-
Randapparatuur Sandisk (PL2100-2024220131-2257854);
-
Computer Google Chromebook (PL2100-2024219942-2258934);
-
Computer HP (PL2100-2024219942-2258936).
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. A.R. Hartmann, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. A.J. Henzen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. Beskers, griffier,
en op 5 november 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.