Strafrecht overig
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het overtreden van een aan hem uitgereikte gedragsaanwijzing…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 november 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:7150 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 6 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-7150
Zaakgegevens
Op 6 november 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 6 november 2026
- Datum publicatie
- 6 november 2026
- Zaaknummer
- 21-005131-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:7150
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het overtreden van een aan hem uitgereikte gedragsaanwijzing, vernieling van een camera en lokaalvredebreuk. Verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 80 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis. Daarnaast wordt een contact- en locatieverbod opgelegd.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005131-25
Uitspraakdatum: 6 november 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Utrecht gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van
5 december 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 05-295516-25 en 05-253860-25, tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 oktober 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.C.H. Pronk, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter heeft verdachte veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, vernieling en lokaalvredebreuk tot een voorwaardelijke taakstraf van 100 uren, wanneer niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen hechtenis, met een proeftijd van drie jaren. De politierechter heeft aan deze voorwaardelijke straf de volgende bijzondere voorwaarden verbonden: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en begeleiding en een contact- en locatieverbod. De politierechter heeft daarbij bepaald dat deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs en de strafoplegging dan de politierechter in de rechtbank Gelderland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 05-295516-25:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 september 2025 tot en met 30 oktober 2025 te [plaats 1] , althans in Nederland (telkens) opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing
d.d. 28 september 2025, gegeven door de officier van justitie te arrondissement Oost-Nederland, door
- een of meerdere malen te bellen naar [slachtoffer1] en/of [horecazaak] en/of
- een of meerdere e-mails te sturen naar [slachtoffer2] en/of
- een pakket te sturen naar [horecazaak] , althans af te laten leveren bij [horecazaak] .
Zaak met parketnummer 05-253860-25 (gevoegd):
1.
hij op of omstreeks 28 september 2025 te [plaats 2] opzettelijk en wederrechtelijk een camera, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer1] en/of [horecazaak] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2.
hij op of omstreeks 28 september 2025 te [plaats 2] het besloten lokaal gelegen op/aan de [adres 2] , bij een ander, te weten bij [slachtoffer1] en/of [horecazaak] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Zaak met parketnummer 05-295516-25 (overtreding gedragsaanwijzing)
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daartoe heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat het versturen van een pakket ten behoeve van de hulphond moet worden aangemerkt als een wijze van contact zoeken, wat verdachte op grond van de aan hem opgelegde gedragsaanwijzing niet was toegestaan. Verdachte was op de hoogte van de gedragsaanwijzing en wist dus dat dit contact niet was toegestaan.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte niet de intentie heeft gehad om de gedragsaanwijzing te overtreden. Ten aanzien van de ten laste gelegde telefonische contactpogingen en het versturen van e-mails heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat deze handelingen door verdachte zijn verricht. Verder heeft de raadsvrouw vraagtekens geplaatst bij de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring van [getuige] , nu deze getuige een goede bekende is van het slachtoffer [slachtoffer2] .
Oordeel van het hof
In het dossier bevindt zich een gedragsaanwijzing van 28 september 2025 voor de duur van 90 dagen, onder meer inhoudende:
’beveelt de verdachte:
Gebiedsverbod
-
zich niet op te houden en/of te bevinden in/op/aan de gehele [adres 2] te [plaats 2]
-
zich niet op te houden en/of te bevinden in/op/aan het gedeelte van de [adres 3] gelegen tussen de huisnummers [huisnummers] , te [plaats 1]
-
zich niet op te houden en/of te bevinden in/op/aan de gehele [adres 4] te [plaats 3] , gemeente [gemeente]
Contactverbod
-
zich te onthouden van contact met de volgende persoon: [slachtoffer2] (geb. [geboortedatum 1] ); bepaalt dat zulks met zich brengt dat verdachte noch direct (zelf), noch indirect (middels anderen) op enigerlei wijze contact (niet middels telefoon, niet middels internet, niet via enig ander communicatiemiddel, noch middels direct persoonlijk contact, noch middels schriftelijke middelen) zal hebben met genoemde persoon
-
zich te onthouden van contact met de volgende persoon: [slachtoffer1] .; bepaalt dat zulks met zich brengt dat verdachte noch direct (zelf), noch indirect (middels anderen) op enigerlei wijze contact (niet middels telefoon, niet middels internet, niet via enig ander communicatiemiddel, noch middels direct persoonlijk contact, noch middels schriftelijke middelen) zal hebben met genoemde persoon
Deze gedragsaanwijzing is op 28 september 2025 aan verdachte in persoon uitgereikt en betekend.
Uit de aangifte van [slachtoffer1] volgt dat hij in de periode van 28 september 2025 tot en met
30 oktober 2025 meerdere malen anoniem is gebeld. Aangever heeft verklaard dat hij de stem van verdachte duidelijk herkende.
Getuige [getuige] heeft verklaard dat de persoon die herhaaldelijk contact zocht, verdachte betrof. Getuige [getuige] heeft de geluidsopnamen beluisterd en heeft verklaard dat hij de stem van verdachte herkende aan zijn manier van spreken en intonatie. De getuige heeft verklaard dat hij verdachte kent en zijn stem daarom heeft kunnen herkennen. Verder heeft getuige [getuige] verklaard dat verdachte op verschillende manieren contact heeft gezocht door verschillende telefonische belpogingen te doen en valse bestellingen te plaatsen via Thuisbezorgd.
Verdachte heeft erkend dat hij op de hoogte was van de aan hem opgelegde gedragsaanwijzing.
Uit de aangifte van [slachtoffer2] volgt dat zij tussen 10 en 20 oktober 2025 een aantal
e-mails heeft ontvangen. Zij kende de mailadressen waar de e-mails van werden verzonden niet, maar door de inhoud van de berichten die verwezen naar de voorbije relatie met verdachte, wist zij zeker dat deze afkomstig waren van verdachte. Zo ontving zij mails die verwezen naar een hond en een verstuurd pakket voor een hond. Ook ontving zij op
12 oktober 2025 een mail van het mailadres [e-mailadres] met daarin spijtbetuigingen en daarna op 13 oktober 2025 van dit adres een mail met foto’s van haar, verdachte en zijn zoon, gevolgd door een mail van hetzelfde mailadres met de tekst: “ [voornaam] , het spijt mij echt. [verdachte] ”. Gezien de inhoud van deze berichten, in samenhang met het feit dat de voornaam van verdachte [verdachte] is, staat voor het hof vast dat de mails afkomstig waren van verdachte.
Het hof verstaat de gedragsaanwijzing ex artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) in die zin dat verdachte op geen enkele wijze – direct dan wel indirect – contact met [slachtoffer2] en [slachtoffer1] mocht zoeken. Uit het voorgaande blijkt dat verdachte dit wel heeft gedaan. De omstandigheid dat getuige [getuige] een bekende van aangeefster [slachtoffer2] zou zijn, vormt voor het hof geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring te twijfelen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat sprake is van opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens 509hh, eerste lid, onderdeel b, Sv. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.
Wel zal het hof verdachte partieel vrijspreken voor zover het bellen naar [horecazaak] betreft, aangezien – zoals uit de hierboven weergegeven tekst blijkt – de genoemde gedragsaanwijzing de naam van het bedrijf van aangever [slachtoffer1] niet vermeldt.
Het hof is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte, door het versturen van een pakket ten behoeve van de hulphond, heeft gehandeld in strijd met de aan hem opgelegde gedragsaanwijzing. Hoewel verdachte heeft erkend dat hij een dergelijk pakket heeft verstuurd, kan niet uit het dossier worden afgeleid voor wie het pakket bestemd was. Evenmin blijkt uit het dossier dat het pakket was gericht aan
[slachtoffer1] of [slachtoffer2] . Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat verdachte met het versturen van het pakket direct dan wel indirect contact heeft gezocht met laatstgenoemde personen. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Zaak met parketnummer 05-253860-25 (gevoegd): feit 1 vernieling
Op de zitting in hoger beroep op 23 oktober 2026 heeft verdachte het hem ten laste gelegde feit bekend. Door of namens hem is ook geen vrijspraak bepleit. In dit licht zal het hof in overeenstemming met artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Stafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op basis waarvan het hof heeft vastgesteld dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan.
- het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer1] , pagina 8 tot en met 9;
- het proces-verbaal van bevindingen, pagina 22 tot en met 23;
- de bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting van het hof op
23 oktober 2026.
De inhoud van deze bewijsmiddelen leveren op de redengevende feiten en omstandigheden waarop na te melden bewezenverklaring steunt, dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan.
Feit 2 lokaalvredebreuk
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijspraken van de ten laste gelegde lokaalvredebreuk. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte mogelijk de economische eigenaar, althans mede-eigenaar, was van het betreffende pand, zodat hij mogelijk gerechtigd was zich daar te bevinden. Volgens de raadsvrouw kan onder die omstandigheden niet worden vastgesteld dat verdachte opzettelijk wederrechtelijk in het pand aanwezig is geweest, zodat het opzet voor lokaalvredebreuk ontbreekt.
Oordeel van het hof
Uit de aangifte van [slachtoffer1] volgt dat hij via de [app] op zijn telefoon de camerabeelden bij zijn bedrijfspand kon bekijken. Hij zag dat via de camera in de hoek voor de gevel van [horecazaak] een man en herkende deze man direct als verdachte. Vervolgens zag hij via de camera die geregistreerd staat als ‘achter’ dat verdachte de poort van de schutting opende, de achterdeur opentrok en het pand binnenging. Verdachte had daarbij een voorwerp in zijn hand dat leek op een vlaggenmaststandaard.
Aangever heeft verdachte geen toestemming gegeven om zich de toegang van zijn bedrijfspand te verschaffen. Aangever heeft verdachte op 31 augustus 2025 op non-actief gezet en hem mondeling verteld dat hij niet meer welkom was in zijn bedrijfspand gelegen aan de [adres 2] te [plaats 2] . Op 13 september 2025 heeft aangever verdachte op staande voet ontslagen door verdachte een e-mail te sturen. Aangever heeft kunnen zien dat verdachte de e-mail heeft geopend. Later heeft aangever een Whatsapp-bericht van verdachte kregen over het ontslag. Aangever heeft de sleutel teruggevraagd aan verdachte, maar deze weigerde de sleutel af te geven, waarna aangever de sloten heeft laten vervangen.
Uit de ontslagbrief van 13 september 2025 van aangever gericht aan verdachte volgt dat verdachte wegens dringende reden met onmiddellijke ingang is ontslagen. Hierin is vermeld dat verdachte niet langer gerechtigd is om toegang te krijgen tot de bedrijfsmiddelen.
Uit het proces-verbaal van bevindingen betreffende het uitkijken van de camerabeelden volgt dat een persoon in beeld komt. De verbalisant kan de persoon in beeld als volgt beschrijven:
- een man;
- stevig postuur;
- lengte tussen de 160 en 175 centimeter;
De verbalisant zag dat de man een lichte spijkerbroek met daarop een donkergroene jas droeg en lichtgroene/mint kleurige sneakers. De verbalisant zag dat de man een geblokte sjaal om zijn hoofd droeg, waarmee zijn gezicht bedekt was. De man droeg zwarte handschoenen en hield in zijn rechterhand een soort ijzeren staaf vast.
De verbalisant zag dat de man met zijn linkerhand de deur van het witte schuurtje opende en naar binnen ging.
Het hof is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan lokaalvredebreuk. Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte is binnengedrongen. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat verdachte het terrein heeft betreden en vervolgens het pand is binnengegaan. Aangever had verdachte uitdrukkelijk de toegang tot het bedrijfspand ontzegd en hem meegedeeld dat hij daar niet langer welkom was. Verdachte was daarom niet gerechtigd het pand te betreden. Dat verdachte mogelijk meende daartoe wel gerechtigd te zijn, leidt niet tot een ander oordeel.
Voor zover de verdediging heeft betoogd dat het opzet van verdachte ontbrak, wordt dit verweer verworpen.
Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wederrechtelijk is binnengedrongen in het bedrijfsband.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 05-295516-25 en in de zaak met parketnummer 05-253860-25 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Zaak met parketnummer 05-295516-25:
1.
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 september 2025 tot en met 30 oktober 2025 te [plaats 1] , althans in Nederland (telkens) opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing
d.d. 28 september 2025, gegeven door de officier van justitie te arrondissement
Oost-Nederland, door
- een of meerdere malen te bellen naar [slachtoffer1] en/of [horecazaak] en/of
- een of meerdere e-mails te sturen naar [slachtoffer2] en/of
- een pakket te sturen naar [horecazaak] , althans af te laten leveren bij [horecazaak].
Zaak met parketnummer 05-253860-25 (gevoegd):
1.
hij op of omstreeks 28 september 2025 te [plaats 2] opzettelijk en wederrechtelijk een camera, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer1] en/of [horecazaak] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2.
hij op of omstreeks 28 september 2025 te [plaats 2] het besloten lokaal gelegen op/aan de [adres 2] , bij een ander, te weten bij [slachtoffer1] en/of [horecazaak] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaak met parketnummer 05-295516-25 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 05-253860-25 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
Het in de zaak met parketnummer 05-253860-25 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf en maatregel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 80 uren, met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd aan deze voorwaardelijke straf als bijzondere voorwaarden een contact- en locatieverbod te verbinden. De advocaat-generaal heeft daartoe aangevoerd dat de [adres 2] te [plaats 2] kan komen te vervallen en het locatieverbod kan worden beperkt tot de [adres 3] [huisnummers] te [plaats 1] .
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht een lagere voorwaardelijke taakstraf op te leggen en de proeftijd te bepalen op twee jaren.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het overtreden van een aan hem uitgereikt gedragsaanwijzing door contact op te nemen met [slachtoffer1] en [slachtoffer2] . Door zo te handelen heeft verdachte gevoelens van angst en onveiligheid bij hen teweeggebracht en blijk gegeven zich niets aan te trekken van de door de officier van justitie opgelegde gedragsaanwijzing.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van een camera. Door aldus te handelen heeft verdachte aangever financiële schade berokkend en overlast bezorgd.
Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk door zonder toestemming het schuurtje bij het bedrijfspand [horecazaak] binnen te dringen, terwijl hem de toegang daartoe was ontzegd. Daarmee heeft verdachte geen rekening gehouden met de uitdrukkelijke wil van aangever.
Uit de justitiële documentatie van verdachte van 21 september 2026 blijkt dat verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Het hof heeft ook gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze door verdachte naar voren zijn gebracht. Verdachte heeft geen werk, ontvangt een uitkering, heeft schulden en onderhoudt goed contact met zijn zoon. Daarnaast heeft hij een leveraandoening, waarvoor hij meerdere keren per week naar het ziekenhuis moet.
Het hof ziet, mede gelet op het advies van de reclassering, geen aanleiding om naast het contact- en locatieverbod andere bijzondere voorwaarden op te leggen.
Het hof ziet geen aanleiding om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, nu de aard van de bewezenverklaarde feiten geen grond biedt dat ernstig rekening moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Alles afwegende acht het hof een voorwaardelijke taakstraf van 80 uren, als niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis, passend en geboden. Het hof zal aan de voorwaardelijke straf een proeftijd verbinden met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden dat verdachte op geen enkele wijze contact heeft met [slachtoffer2] en [slachtoffer1] en dat verdachte zich niet zal bevinden in de [adres 3] [huisnummers] te [plaats 1] . Omdat de politierechter de dadelijke uitvoerbaarheid heeft bevolen van het in eerste aanleg opgelegde contact- en locatieverbod en deze hierdoor ongeveer een jaar hebben gegolden, zal het hof de proeftijd niet voor de duur van drie jaar, maar voor de duur van twee jaar bevelen.
Wetsartikelen
De straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 138, 184a en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 05-295516-25 en in de zaak met parketnummer 05-253860-25 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 05-295516-25 en in de zaak met parketnummer 05-253860-25 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met [slachtoffer2] geboren op [geboortedatum 1] , [slachtoffer1] geboren op [geboortedatum 2] , adres: [adres 3] Nederland, ook zal er geen contact worden opgenomen met horecazaak [horecazaak] , adres: [adres 2] , [postcode] [plaats 2] , zolang het Openbaar ministerie dit verbod nodig vindt.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in de [adres 3] tussen huisnummers [huisnummers] te [plaats 1] .
Dit arrest is gewezen door mr. C.A. Baardman, mr. O.O. van der Lee en
mr. L.G.J.M. van Ekert, in aanwezigheid van de griffier mr. S. Berendsen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 6 november 2026.