Strafrecht overig

Veroordeling 27-jarige verdachte voor seksuele handelingen met een minderjarige, een poging tot aanranding…

Gerechtshof Den Haag, 5 november 2026

Zaakgegevens

Op 5 november 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
5 november 2026
Datum publicatie
5 november 2026
Zaaknummer
22-003246-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:3178
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling 27-jarige verdachte voor seksuele handelingen met een minderjarige, een poging tot aanranding van een minderjarige en het maken en voorhanden hebben van kinderporno. Het hof legt hem een gevangenisstraf van 36 maanden op, waarvan 6 voorwaardelijk en onder bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

Procesgang

  1. Rechtbank Rotterdam · 17 oktober 2025

    ECLI:NL:RBROT:2025:13295
  2. Gerechtshof Den Haag · 5 november 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2026:3178

Uitspraak

Rolnummer: 22-003246-25

Parketnummer: 10-035983-25

Datum uitspraak: 5 november 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 oktober 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1999,

adres: [adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in [naam penitentiaire inrichting] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 3 jaren, onder de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep, welke dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard. Voorts zijn er beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 31 januari 2025 te Oud-Beijerland, gemeente Hoeksche Waard

met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019, een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het meermalen, althans eenmaal brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 2] en

- het brengen en/of houden van zijn, verdachtes, vinger tussen de schaamlippen van de vagina, in elk geval het betasten van de vagina van die [slachtoffer 2] ;

2.
hij op of omstreeks 24 januari 2025 te Oud-Beijerland, gemeente Hoeksche Waard ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2013, een of meer seksuele handelingen te verrichten,

aan die [slachtoffer 1] heeft gevraagd of hij, verdachte, in [slachtoffer 1] onderbroek mocht voelen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 januari 2025 te Oud-Beijerland, gemeente Hoeksche Waard

een kind beneden de leeftijd van zestien jaren en/of een persoon die zich voordeed als een kind beneden de leeftijd van zestien jaren,

te weten [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2013, indringend mondeling en/of schriftelijk seksueel heeft benaderd op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door die [slachtoffer 1] te volgen naar een steegje en die [slachtoffer 1] aldaar aan te spreken en de woorden toe te voegen: "Mag ik in je onderbroekje voelen? en/of "Je krijgt er geld voor", althans telkens woorden van gelijke aard en/of strekking;

3.
hij in of omstreeks de periode 31 januari 2025 tot en met 6 februari 2025 te Oud-Beijerland en/of te Zuid-Beijerland, gemeente Hoeksche Waard, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer 2] ( [geboortedatum 2] -2019), was betrokken of schijnbaar was betrokken heeft vervaardigd en/of in bezit heeft gehad en/of zich daartoe de toegang heeft verschaft,

te weten afbeeldingen, - filmpjes - en/of een gegevensdrager bevattende

afbeeldingen, - een mobiele telefoon (merk/type Samsung A54) -, waarop te zien is dat:

- die persoon oraal, vaginaal en/of anaal wordt gepenetreerd met een penis; [bestandsnaam 1]

en/of

- het geslachtsdeel van verdachte met de hand en/of mond wordt aangeraakt door die persoon;

- [bestandsnaam 2]

- [bestandsnaam 3]

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met uitzondering van de straf en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren en onder de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Daarnaast vordert de advocaat-generaal dat er aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (in de zin van artikel 38z Sr) zal worden opgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op of omstreeks 31 januari 2025 te Oud-Beijerland, gemeente Hoeksche Waard

met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019, een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het meermalen, althans eenmaal brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 2] en

- het brengen en/of houden van zijn, verdachtes, vinger tussen de schaamlippen van de vagina, in elk geval het betasten van de vagina van die [slachtoffer 2] ;

2.
hij op of omstreeks 24 januari 2025 te Oud-Beijerland, gemeente Hoeksche Waard ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2013, een of meer seksuele handelingen te verrichten,

aan die [slachtoffer 1] heeft gevraagd of hij, verdachte, in [slachtoffer 1] onderbroek mocht voelen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


3.
hij in of omstreeks de periode 31 januari 2025 tot en met 6 februari 2025 te Oud-Beijerland en/of te Zuid-Beijerland, gemeente Hoeksche Waard, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer 2] ( [geboortedatum 2] -2019), was betrokken of schijnbaar was betrokken heeft vervaardigd en/of in bezit heeft gehad en/of zich daartoe de toegang heeft verschaft,

te weten afbeeldingen, - filmpjes - en/of een gegevensdrager bevattende

afbeeldingen, - een mobiele telefoon (merk/type Samsung A54) -, waarop te zien is dat:

- die persoon oraal, vaginaal en/of anaal wordt gepenetreerd met een penis; [bestandsnaam 1]

en/of

- het geslachtsdeel van verdachte met de hand en/of mond wordt aangeraakt door die persoon;

- [bestandsnaam 2]

- [bestandsnaam 3]

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

verkrachting in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren

Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

een visuele weergave van seksuele aard of met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft op 24 januari 2025 geprobeerd om een elfjarig meisje aan te randen op straat door haar te vragen of hij in haar onderbroek mocht voelen. Een week later, op 31 januari 2025, heeft hij een vijfjarig meisje seksueel misbruikt door zijn penis in haar mond te brengen en met zijn vingers haar vagina te betasten. Doordat de verdachte deze seksuele handelingen met het vijfjarige slachtoffer met zijn mobiele telefoon heeft gefilmd en de opnames heeft bewaard op zijn telefoon, heeft hij ook kinderporno gemaakt en in zijn bezit gehad. Uit deze filmpjes komt onder andere naar voren dat de verdachte een sturende rol heeft gehad bij de seksuele handelingen bij het vijfjarige meisje. Door op deze wijze te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en persoonlijke integriteit van het slachtoffertje.

Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik van minderjarigen veelal op korte of lange termijn tot psychische schade leidt. Met zijn handelen heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de geestelijke integriteit van beide slachtoffers en geen oog gehad voor de verstrekkende gevolgen van zijn handelen, gelet op hun jonge leeftijd.

De ouders van het vijfjarige slachtoffer hebben zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep op indringende wijze verwoord welke gevolgen het misbruik van hun dochter voor haarzelf en voor hun gezin heeft gehad en nog altijd heeft. Hun dochter is sinds het bewezenverklaarde angstig, kampt met trauma’s en moest haar eigen vader weer opnieuw leren vertrouwen. De ouders van het slachtoffer en haar broer merken de gevolgen van de gebeurtenissen nog iedere dag en zijn angstiger en alerter. Door zijn handelen heeft de verdachte veel schade toegebracht aan het gevoel van veiligheid en vertrouwen dat een kind in een volwassene zou moeten kunnen hebben. Omdat het voorval dicht bij de woning, een plek waar een jong kind zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen, plaatsvond, worden de slachtoffers en hun gezinnen nog vaak met die herinnering geconfronteerd.

De persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Het hof heeft daarnaast acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 oktober 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van een Pro-Justitia onderzoek d.d. 22 mei 2025, opgemaakt door drs. M.H. Keppel, GZ-psycholoog, waaruit onder meer naar voren komt dat er bij de verdachte sprake is van een persisterende depressieve stoornis met angstige spanning en een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline en vermijdende trekken. Een parafiele stoornis die ook invloed op het gedrag van de verdachte zou kunnen hebben gehad, kan door de psycholoog niet worden vastgesteld, maar ook niet worden uitgesloten. De verdachte functioneert op beneden gemiddeld tot laagbegaafd intelligentieniveau. Zijn sociaal-economische ontwikkeling loopt achter op zijn leeftijdsgenoten. Hij is een emotioneel kwetsbare man, bij wie sprake is van een nog niet uitgerijpte persoonlijkheidsontwikkeling. De stoornissen waren ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig. De psycholoog adviseert dan ook om de verdachte het ten laste gelegde in een verminderde mate toe te rekenen. Het risico op herhaling wordt matig tot hoog ingeschat. Om de kans op recidive te verkleinen, maar ook vanuit zorg, wordt een klinische behandeling bij de Van der Hoevenkliniek, of een soortgelijke instelling geadviseerd.

Het hof neemt de conclusies van de deskundigen over en stelt vast dat tijdens het begaan van de feiten bij de verdachte de hiervoor genoemde psychische stoornissen bestonden en dat deze zijn gedrag beïnvloedden tijdens de bewezenverklaarde feiten. De feiten worden daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend. Het hof zal deze omstandigheid in strafmatigende zin betrekken bij de straftoemeting.

Daarnaast heeft het hof acht geslagen op een Reclasseringsadvies d.d. 3 juni 2025, een Reclasseringsadvies d.d. 24 september 2025 en een Reclasseringsadvies d.d. 20 oktober 2026. In dat laatste advies komt onder meer naar voren dat de verdachte momenteel op de wachtlijst staat voor een klinische zedenbehandeling binnen de Van der Hoeven Kliniek. De verdachte is bereid om zich te conformeren aan deze behandeling en de overige geadviseerde bijzondere voorwaarden. De reclassering schrijft onder meer dat de verdachte in detentie een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt aangaande het aanleren van adequate copingvaardigheden. De verdachte was in het verleden veelal somber, ervoer negatieve emoties en was hier gesloten over. Mede dankzij de inzet van (re-integratie)trainingen en een pre-behandeling bij forensische polikliniek Kairos lukt het de verdachte om zich meer open te stellen waardoor zijn sociaal netwerk is uitgebreid en versterkt. Op langere termijn kan dit als een beschermende factor dienen, aldus de reclassering. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld-hoog. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod met de slachtoffers, een locatieverbod, het vermijden van contact met minderjarigen en het vermijden van digitale omgevingen seksueel kindermisbruik. De reclassering adviseert de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte evenals in eerste aanleg spijt betuigd en inzicht getoond in zijn handelen en de schade die hij de slachtoffers heeft berokkend. De verdachte erkent dat hij behandeling nodig heeft en wil begrijpen waarom hij tot zijn handelingen is gekomen omdat hij niet wil dat dit nog een keer gebeurt. Hij heeft zich ter zitting opnieuw bereid verklaard mee te werken aan de door de reclassering geformuleerde bijzondere voorwaarden. Gelet op de houding van de verdachte ter terechtzitting en het beeld dat uit de rapporten over de verdachte naar voren komt, lijkt de verdachte een hoge intrinsieke motivatie te hebben voor een behandeling om te voorkomen dat de door hem gepleegde feiten nogmaals kunnen gebeuren. Het hof ziet geen aanleiding om te denken dat deze intrinsieke motivatie van de verdachte zal verminderen.

Conclusie

Gezien de aard en de ernst van de feiten kan naar het oordeel van het hof niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Daarbij heeft het hof meegewogen dat er in deze zaak sprake is van kwetsbare slachtoffers – jonge meisjes – die in het openbaar en vlakbij hun ouderlijk huis, door de verdachte seksueel zijn benaderd, waarbij de verdachte het vijfjarige slachtoffer instructies heeft gegeven over en beeldopnames heeft gemaakt van de seksuele handelingen. Deze omstandigheden rechtvaardigen in beginsel een hogere gevangenisstraf. Tegelijkertijd realiseert het hof zich dat de gevolgen van het gepleegde feit vanuit het perspectief van de slachtoffers en hun directe familieleden door geen enkele straf of maatregel ongedaan gemaakt kan worden.

Bij de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf heeft het hof gelet op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd en gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten. Mede gelet daarop legt het hof een lagere straf op dan door het openbaar ministerie is geëist. Vanwege de jongvolwassen leeftijd, het blanco-strafblad, de verminderde toerekenbaarheid van de verdachte en het belang van een noodzakelijke klinische behandeling op zo kort mogelijke termijn zal de gevangenisstraf deels voorwaardelijk worden opgelegd met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Gelet op de aard van de feiten en de problematiek van de verdachte acht het hof het van belang dat het niet te lang duurt voor gestart wordt met de noodzakelijke behandeling. De verdachte staat inmiddels op een wachtlijst bij de Van der Hoeven kliniek. Daarnaast overweegt het hof dat de verdachte in het strafrechtelijk onderzoek openheid van zaken heeft gegeven, verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft willen nemen en dat hij zichzelf gemotiveerd heeft getoond voor gedragsverandering. Blijkens de adviezen van de deskundigen is een klinische behandeling noodzakelijk om tot de kern van de problematiek te komen. Die behandeling is in het belang van de verdachte maar ook van de samenleving, omdat hiermee perspectief wordt geboden op gedragsverandering en het voorkomen van slachtoffers in de toekomst, wat bijdraagt aan bescherming van de maatschappij.

Het hof acht het gezien de ernst en complexiteit van de problematiek van de verdachte noodzakelijk dat de verdachte voor een langere periode begeleid zal worden door de reclassering en stelt de proeftijd op drie jaar. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw strafbare feiten pleegt.

Alles afwegend acht het hof – met de rechtbank – een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk passend en geboden.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Het hof zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht bevelen. Gelet op de omstandigheid dat de bewezenverklaarde misdrijven zijn gericht tegen en gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, de geconstateerde problematiek bij de verdachte en het recidiverisico moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom zo een misdrijf zal kunnen begaan.

38z Sr maatregel

Gelet op de opgelegde straf in combinatie met de verwachte duur van de behandeling en de

langere proeftijd, ziet het hof geen aanleiding om een maatregel strekkende tot

gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 6 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren onder bijzondere voorwaarden een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 700,00 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Zij is daarbij wettelijk vertegenwoordigd door haar moeder [naam moeder] .

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot € 700,00 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De advocaat-generaal heeft gerefereerd aan het oordeel van het hof.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Ten aanzien van de immateriële schade overweegt het hof als volgt. Artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) brengt mee dat de benadeelde partijen recht hebben op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel hebben opgelopen, in hun eer of goede naam zijn geschaad of op andere wijze in hun persoon zijn aangetast.

De benadeelde partij heeft gesteld dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon 'op andere wijze' is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon 'op andere wijze' sprake is. In zo’n geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon 'op andere wijze' als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

Het hof stelt vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde feit schade heeft geleden die is aan te merken als ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit de toelichting van de vordering blijkt dat [slachtoffer 1] als gevolg van de poging tot aanranding psychische klachten ondervindt. De aard en ernst van het handelen van de verdachte alsmede de jonge leeftijd van het slachtoffer maken dat de door hen gestelde nadelige psychische gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing met stukken kan worden aangenomen dat zij hierdoor op andere wijze in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106 BW.

Het hof is derhalve van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezenverklaarde. Het hof is van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.

De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 700,00 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] .

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 17.225,00 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Zij is daarbij wettelijk vertegenwoordigd door haar ouders [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] .

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat van de benadeelde partij de materiële schade ter hoogte van een bedrag van € 7.725,00 ingetrokken. In hoger beroep is de vordering dan ook nog aan de orde tot een bedrag van € 9.500,00, bestaande uit immateriële schade.

De advocaat-generaal heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

De benadeelde partij heeft gesteld dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Het hof is van oordeel dat in dit geval voldoende concrete gegevens zijn aangevoerd waaruit volgt dat psychische schade is ontstaan. Onder meer blijkt dit uit de diverse behandelverslagen van de psycholoog, die bij de vordering zijn overgelegd. Het hof stelt dan ook – verwijzend naar het beoordelingskader zoals hiervoor weergegeven - vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde feit schade heeft geleden die is aan te merken als ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 onder b van het BW.

Het hof is derhalve van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde. In de Rotterdamse schaal is een categorisering gemaakt per normschending. Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 2] is er sprake van misbruik en ververvaardigen van kinderporno. Het hof acht het van belang om te benadrukken – gelet op de kennelijke verschrijving van de rechtbank in het vonnis waarvan beroep – dat uit het dossier niet blijkt dat er ook sprake is geweest van verspreiding van deze beelden. Het hof gaat daarom bij het begroten van de schade uit van het misbruik als meest ernstige normschending en vult dit bedrag aan in verband met het maken en bezitten van kinderporno. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en de Rotterdamse schaal is het hof van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. Het hof wijst vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.

De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 9.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] .

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces hebben [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] , de ouders van [slachtoffer 2] , zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het onder 1 en 3 aan de verdachte tenlastegelegde. Voordat het hof deze vorderingen per schadepost zal bespreken, zal het hof eerst enkele overwegingen wijden aan zowel de vordering van [benadeelde partij 2] als de vordering van [benadeelde partij 1] .

De post “Nader te onderbouwen schade”

[benadeelde partij 2] heeft in haar vordering in eerste aanleg een post “Nader te onderbouwen schade” van € 5.000,00 opgenomen. In de toelichting bij deze post staat:

“Voor een eventuele hoger beroep procedure vordert [benadeelde partij 2] een vergoeding voor de nader te onderbouwen schade een bedrag van € 5.000.00. Dit is schade die nog niet is onderbouwd, dan wel niet bekend is, dan wel toekomstig is. Het betreft zowel materiële- als immateriële schade.”

In hoger beroep heeft de advocaat van [benadeelde partij 2] aangegeven dat zij die post nader wilde specificeren/invullen met aanvullende schadeposten ter hoogte van € 7.362,50. Dit ziet op kosten, gemaakt ten behoeve van haar dochter, te weten de posten “aanvullende kosten therapie dochter” (van in totaal € 2.662,50), “aanvullende kosten medicatie dochter” (van in totaal € 160,83), “aanvullende kosten mantelzorg” (van in totaal € 408,00), “reis- en parkeerkosten” (van in totaal € 419,10). Ten behoeve van haarzelf is dit het geval met de posten “therapiekosten” (van in totaal € 3.712,50) en “medicatie” (van in totaal € 37,72). Deze posten worden in hoger beroep gevorderd, naast de andere in eerste aanleg al gevorderde posten.

Het hof wordt verzocht om de schade onder te brengen onder de post: ‘nader te onderbouwen schade’ van € 5.000,00, waarbij de benadeelde partij voor het restant, te weten (€ 7.362,50 -/- € 5.000,00 =) € 2.362,50 niet-ontvankelijk kan worden verklaard, aangezien dat deel de vordering in eerste aanleg overschrijdt. Wel wordt verzocht de benadeelde partijen voor het gehele bedrag de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Ook [benadeelde partij 1] heeft een post “Nader te onderbouwen schade” met dezelfde toelichting in zijn vordering opgenomen, voor een bedrag van € 5.000,00. In hoger beroep heeft de advocaat van [benadeelde partij 1] aangegeven dat hij die post nader wilde specificeren/invullen met aanvullende schadeposten, ten behoeve van hemzelf met de post “therapiekosten” (van in totaal € 1.065,00). Deze posten worden daarmee in hoger beroep gevorderd, naast de andere in eerste aanleg al gevorderde posten.

Het hof overweegt als volgt.

Deze post is in eerste aanleg onvoldoende geconcretiseerd. De omschrijving – “zowel materiële- als immateriële schade” en “schade die nog niet is onderbouwd, dan wel niet bekend is, dan wel toekomstig is” – is zeer breed en algemeen. In zijn arrest van 29 mei 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AB1819) heeft de Hoge Raad overwogen dat het “eerst in hoger beroep opgeven van een bedrag ter zake van een pro memorie post heeft te gelden als verhoging van het bedrag van de in eerste aanleg opgevoerde schadepost tengevolge waarvan de grenzen van de eerste vordering in strijd met art. 421, derde lid, Sv worden overschreden.” Het hof is van oordeel dat door de algemene omschrijving bij de post “Nader te onderbouwen schade” deze post enkel van een pro memorie post verschilt, doordat er een (tot op zekere hoogte willekeurig) bedrag bij genoemd is. Dat is echter niet voldoende.

Naar het oordeel van het hof dient de nadere invulling van de posten “nader te onderbouwen schade” te worden aangemerkt als een verhoging van de vordering ten opzichte van het in eerste aanleg gevorderde, hetgeen in strijd is met artikel 421 lid 3 Sv. Om die reden zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 10.781,14 (ter zitting in eerste aanleg is dit bedrag verminderd) te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is in hoger beroep gehandhaafd, zodat deze tot een bedrag van € 10.781,14 aan het hof voorligt. Deze vordering is opgebouwd uit een bedrag van € 1.913,65 aan materiële schade voor haarzelf, een bedrag van € 1.867,49 materiële schade voor haar minderjarige dochter [slachtoffer 2] , een bedrag van € 2.000,00 aan immateriële schade en een bedrag van € 5.000,00 nader te onderbouwen schade. Het hof verwijst ten aanzien van de post ‘nader te onderbouwen schade’ naar hetgeen daarover hiervoor is opgemerkt.

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich ook als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 8.462,50, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is in hoger beroep gehandhaafd, zodat deze tot een bedrag van € 8.462,50 aan het hof voorligt. Deze vordering is opgebouwd uit een bedrag van € 97,50 aan materiele schade voor hemzelf, een bedrag van € 1.365,00 aan materiële schade voor zijn minderjarige dochter [slachtoffer 2] , een bedrag van € 2.000,00 aan immateriële schade en een bedrag van € 5.000,00 nader te onderbouwen schade. Het hof verwijst ten aanzien van de post ‘nader te onderbouwen schade’ naar hetgeen daarover hiervoor is opgemerkt.

De advocaat-generaal heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

De vorderingen van de benadeelde partij zijn namens de verdachte niet betwist.

Immateriële schade en materiële schade voor henzelf

Ten aanzien van de verzochte vergoeding van immateriële en materiële schade ten behoeve van henzelf overweegt het hof het volgende. De benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor de beantwoording van de vraag of zodanig verband bestaat zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend.

De door de ouders gevorderde immateriële schade, de door de moeder gevorderde materiële schadeposten bestaande uit therapie (€ 1.515,00), medicatie (€ 69,37) en verlies aan verdienvermogen van (€ 329,28) en de door vader gevorderde materiële schadepost bestaande uit therapiekosten (97,50) komen naar het oordeel van het hof niet voor vergoeding in aanmerken. Onvoldoende is gebleken dat er sprake is van rechtstreekse schade zoals hiervoor bedoeld.

Anders dan de rechtbank, ziet het hof wel voldoende rechtstreeks verband ten aanzien van de door de moeder gevorderde post mantelzorg (€ 1.140,00). Deze kosten hebben rechtstreeks betrekking op de kosten die hun minderjarige dochter heeft moeten maken als gevolg van het bewezenverklaarde. Nu het immers gaat om een vijfjarig slachtoffer die niet zelf naar afspraken in het ziekenhuis, de psycholoog en andere hulpverleners toe kan gaan, vloeit daaruit voort dat met het plegen van deze feiten ook deze schade ontstaat.

Verplaatste schade

De door moeder als verplaatste schade gevorderde materiële schadeposten bestaande uit vergoeding van de kleding (€ 66,32), de kosten voor therapie (€ 97,50) en medicatie (€ 6,18) voor haar dochter zijn voldoende onderbouwd en niet weersproken en komen voor vergoeding in aanmerking. Ook de door vader gevorderde materiële schadepost bestaande uit kosten voor therapie van zijn dochter (€ 1.365,00) komt voor vergoeding in aanmerking. Op grond van de overgelegde stukken is voldoende aannemelijk gemaakt dat deze kosten kunnen worden gekwalificeerd als verplaatste schade.

De opgevoerde reis- en parkeerkosten voor bezoeken aan het [ziekenhuis] en de afspraken bij de behandelaren [behandelaren] zijn voldoende onderbouwd en staan in rechtstreeks verband met de bewezenverklaarde feiten. Het hof zal dit deel van de gevorderde reiskosten (€ 408,54) en de parkeerkosten (€ 69,75) ter hoogte van een totaalbedrag van € 478,29 toewijzen.

De reis- en parkeerkosten voor bezoeken aan de politie en Slachtofferhulp zijn niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door de bewezenverklaarde feiten zoals bedoeld in artikel 51f lid 1 Sv. De kosten zijn gemaakt in het kader van de strafrechtelijke opsporing en zijn om die reden niet toewijsbaar. Deze kosten ter hoogte van (240 x € 0,33) € 79,20 komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking en zullen worden afgewezen.

Betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.788,29 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [benadeelde partij 2] . Ook ziet het hof aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor het bedrag van € 5.000,00 nu de verdachte naar burgerlijk recht hiervoor aansprakelijk is jegens [benadeelde partij 2] . Het hof bepaalt voor laatstgenoemd bedrag de datum voor de wettelijke rente op de datum van de middelste factuur van de psycholoog, te weten 31 maart 2026. Voor het meer gevorderde ad € 2.362,50 bestaat daartoe geen grond.

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.365,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [benadeelde partij 1] . Ook ziet het hof aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor een bedrag van € 1.065,00 nu de verdachte naar burgerlijk recht hiervoor aansprakelijk is jegens [benadeelde partij 1] . Het hof bepaalt voor laatstgenoemd bedrag de datum voor de wettelijke rente op de datum van de middelste factuur, te weten 31 maart 2026.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 249, 250 en 252 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 primair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden bij de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de verdachte zich binnen 1 dag na het ingaan van de proeftijd zal melden bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2 te Utrecht, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

2. dat de verdachte zich gedurende twee jaar of zoveel korter als de kliniek in overleg met de reclassering noodzakelijk vindt, klinisch laat opnemen in en behandelen door de Van der Hoeven Kliniek (afdeling KKB) of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is ingegaan en zodra plaatsing mogelijk is. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Onderdeel van de behandeling kan zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal innemen. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang noodzakelijk vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

3. dat de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat noodzakelijk vindt, verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend op de klinische opname. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem opstelt;

4. dat de verdachte op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met de slachtoffers: [slachtoffer 2] geboren op [geboortedatum 2] 2019 en [slachtoffer 1] geboren op [geboortedatum 3] 2013;

5. dat de verdachte gedurende de proeftijd het hebben van contact met minderjarigen zoveel mogelijk vermijdt;

6. dat de verdachte zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in Oud-Beijerland. De politie ziet toe op dit verbod;

7. dat de verdachte

a. digitale omgevingen vermijdt waarin hij in aanraking kan komen met kinderpornografisch materiaal;

b. digitale omgevingen vermijdt waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd;

c. geen gebruik maakt van virtuele machines, versleutelprogramma's (zoals Bitlocker, Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor bankzaken);

d. inzicht geeft in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder a en b zal vermijden en bespreekt hoe dit verlopen is voor het verstreken deel van de proeftijd.

Het toezicht op de naleving van de onderdelen a. tot en met c. beperkt zich tot geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices, USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden opgeslagen en/of waarmee internet kan worden benaderd en die de verdachte in gebruik heeft.

De verdachte werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die de verdachte in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past de verdachte de instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet.

De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen. De controles mogen gedurende de proeftijd maximaal 9 (driemaal per jaar) keer worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controles strekken er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de verdachte.

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.788,29 (duizend zevenhonderdachtentachtig euro en negenentwintig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 1.992,65 (duizend negenhonderdtweeënnegentig euro en vijfenzestig cent) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.788,29 (zesduizend zevenhonderdachtentachtig euro en negenentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 58 (achtenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
- 31 januari 2025 over een bedrag van € 1.140,00 ter zake van Mantelzorg
- 31 januari 2025 over een bedrag van € 478,29 ter zake van Reis- en parkeerkosten
- 31 januari 2025 over een bedrag van € 66,32 ter zake van Kleding
- 7 augustus 2025 over een bedrag van € 6,18 ter zake van Medicatie
- 14 augustus 2025 over een bedrag van € 97,50 ter zake van Therapie

- 31 maart 2026 over een bedrag van € 5.000,00 ter zake van Nader te onderbouwen schade.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 9.500,00 (negenduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 9.500,00 (negenduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 72 (tweeënzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 31 januari 2025.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.365,00 (duizend driehonderdvijfenzestig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.430,00 (tweeduizend vierhonderddertig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 24 (vierentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
- 13 mei 2025 over een bedrag van € 195,00 Therapie
- 31 mei 2025 over een bedrag van € 390,00 Therapie
- 30 juni 2025 over een bedrag van € 390,00 Therapie
- 30 juli 2025 over een bedrag van € 390,00 Therapie

- 31 maart 2026 over een bedrag van € 1.065,00 Nader te onderbouwen schade.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 24 januari 2025.

Dit arrest is gewezen door mr. R. van der Hoeven, als voorzitter, mr. L.C. van Walree en mr. L.A. Pit, leden, in bijzijn van de griffier mr. L.R.A. Besteman.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 november 2026.

Mr. L.C. van Walree is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.