Strafrecht overig
Vrijspraak. Geslaagd beroep op noodweer. Aangeefster heeft verdachte en de dochter van verdachte geduwd en…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 november 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:7032 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 6 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-7032
Zaakgegevens
Op 6 november 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 6 november 2026
- Datum publicatie
- 2 november 2026
- Zaaknummer
- 21-004644-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:7032
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vrijspraak. Geslaagd beroep op noodweer. Aangeefster heeft verdachte en de dochter van verdachte geduwd en bij de arm vastgepakt. Verdachte heeft een duwende (tegen)beweging gemaakt, welke naar het oordeel van het hof proportioneel is geweest.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004644-25
Uitspraakdatum: 6 november 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Utrecht , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht , van 30 oktober 2025 met parketnummer 16-062651-25 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1970 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 oktober 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. B. van Elst, hebben aangevoerd.
Ook heeft het hof kennisgenomen van wat de advocaat van de benadeelde partij,
mr. T.S.G. Joemman, heeft aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter heeft de strafbeschikking vernietigd en verdachte veroordeeld voor mishandeling tegen zijn echtgenote tot een taakstraf van 60 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] deels toegewezen tot een bedrag van € 1.755,03 aan materiële schade en een bedrag van € 1.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 26 februari 2025 te [plaats] zijn echtgenote, [benadeelde] , heeft mishandeld door die [benadeelde] tegen het lichaam te duwen, waardoor zij ten val kwam.
Vrijspraak
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daarnaast heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een noodweersituatie. De noodweersituatie vindt geen steun in de eerste verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd. Voor zover er toch sprake zou zijn geweest van een noodweersituatie, is volgens de advocaat-generaal niet voldaan aan het proportionaliteitsvereiste, nu verdachte te vroeg en te hard heeft geduwd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte uit noodweer heeft gehandeld en daarom moet worden vrijgesproken. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat aangeefster onder invloed van alcohol verkeerde. De dochter van verdachte was overstuur geraakt door een opmerking van aangeefster en was daarop naar de gang gerend. Aangeefster is haar daar gevolgd en heeft haar vervolgens vastgepakt en geduwd. Verdachte heeft aangeefster meermaals verzocht weg te gaan, maar aangeefster heeft daaraan geen gehoor gegeven. Daarop heeft verdachte aangeefster een duw gegeven. Volgens de raadsman was sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen verdachte zich mocht verdedigen en voldeed het handelen van verdachte aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Oordeel van het hof
Vooropgesteld wordt dat van noodweer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht sprake is, als het strafbare handelen van de verdachte geboden was door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of de onmiddellijke dreiging daarvan. Hierin ligt besloten dat de verdedigingshandeling moet voldoen aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan wanneer er geen noodzaak tot verdediging bestond. De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn als zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.
In het begrip ‘mishandeling’ als bedoeld in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht ligt de wederrechtelijkheid van die gedraging besloten. Als een beroep op noodweer, een rechtvaardigingsgrond, slaagt, ontvalt de wederrechtelijkheid aan de ten laste gelegde gedragingen en moet verdachte daarom in zoverre van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Voor de beoordeling van een noodweerverweer is onder meer van belang of de aan het verweer ten grondslag liggende feiten en omstandigheden voor het hof aannemelijk zijn geworden. Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop het beroep op noodweer steunt, geldt – anders dan voor de beslissing over de bewezenverklaring – niet als maatstaf dat deze feiten en omstandigheden zich ‘buiten redelijke twijfel’ hebben voorgedaan. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er slechts om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg. Bovendien mag de rechter de last tot het aannemelijk maken van de feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte leggen.
Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij een duw heeft gegeven, waardoor aangeefster ten val is gekomen. Het hof komt tot een vaststelling van deze gedraging, nu verdachte zelf heeft verklaard dat hij heeft geduwd en aangeefster in haar aangifte heeft aangegeven zich niet meer goed te kunnen herinneren wat er is gebeurd.
Verdachte heeft aangegeven dat hij heeft geduwd omdat aangeefster in dronken toestand zijn dochter agressief vast heeft gepakt en geduwd. Dit gebeurde in de gang, terwijl verdachte zijn dochter knuffelde, nadat deze eerder geëmotioneerd door een opmerking van aangeefster, naar de gang was gegaan. Aangeefster was haar en verdachte nagelopen.
Het hof is van oordeel dat de feitelijke grondslag van het noodweerverweer voldoende aannemelijk is geworden, nu dit wordt bevestigd door de verklaring van de dochter van verdachte. De dochter van verdachte heeft bij de politie verklaard dat aangeefster haar en verdachte heeft geduwd en haar bij de arm heeft vastgepakt. Bij de rechter-commissaris heeft zij nader verklaard dat aangeefster op hen af kwam rennen, haar bij de arm vastpakte en aan haar trok, waarna verdachte aangeefster van zich af heeft geduwd.
Het vastpakken en duwen van de dochter en verdachte wordt door het hof beoordeeld als een wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte mocht optreden met een, gezien de aard van de aanranding, proportionele reactie. De duwende (tegen)beweging van verdachte is, naar het oordeel van het hof, terughoudend beoordeeld, proportioneel geweest. Daarbij is voldoende aannemelijk geworden dat er op dat moment voor verdachte en zijn dochter geen reële mogelijkheid was om zich te onttrekken aan de situatie, nu aangeefster de dochter had vastgepakt.
Verdachte komt hierdoor een geslaagd beroep op noodweer toe. Dit maakt dat de als mishandeling ten laste gelegde gedraging niet wederrechtelijk is. Verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.860,91 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 3.255,03, bestaande uit € 1.755, 03 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Verdachte wordt niet schuldig verklaard aan het bewezenverklaarde tenlastegelegde handelen waardoor de schade zou zijn ontstaan. Daarom is de benadeelde partij
niet-ontvankelijk in de vordering.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 7 mei 2025 onder
[nummer] .
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. L.G.J.M. van Ekert, mr. C.A. Baardman en
mr. O.O. van der Lee, in aanwezigheid van de griffier mr. S. Berendsen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 6 november 2026.