Strafrecht overig
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 3,4 kilogram lachgas. Het hof…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 november 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:7151 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 6 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-7151
Zaakgegevens
Op 6 november 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 6 november 2026
- Datum publicatie
- 6 november 2026
- Zaaknummer
- 21-004831-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:7151
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 3,4 kilogram lachgas. Het hof passeert verweer dat verdachte sliep op basis van een waarneming van een verbalisant dat bestuurder en overige inzittenden een ballon aan hun mond hadden en het verweer geen steun vindt in het dossier en derhalve niet aannemelijk is. Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004831-25
Uitspraakdatum: 6 november 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Utrecht gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 7 november 2025 met parketnummer 16-174663-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging, parketnummers
96-031629-23, 96-044200-24, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 oktober 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R. van den Hemel, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter heeft verdachte veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, namelijk het aanwezig hebben van lachgas, tot een taakstraf van 100 uren, wanneer niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de politierechter de vorderingen tot tenuitvoerlegging afgewezen.
In het proces-verbaal van de zitting van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland zijn de gebruikte bewijsmiddelen niet uitgewerkt. Hierdoor kan het hof het vonnis niet bevestigen. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 8 juni 2025 te [plaats] , gemeente [gemeente] opzettelijk aanwezig heeft gehad 3,4 kilogram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daartoe heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat de lachgasfles zichtbaar uitstak uit de doos die zich bij de voeten van verdachte bevond. Verder heeft de advocaat-generaal gewezen op de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] die hebben verklaard dat die nacht nog nieuwe lachgasflessen zijn gehaald. Daarnaast heeft een collega verbalisant verklaard dat hij heeft gezien dat de bestuurder en de overige inzittenden een ballon aan hun mond hadden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het lachgas in het voertuig. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte die avond lag te slapen in het voertuig. Verder hebben de medeverdachten niets verklaard over enige betrokkenheid van verdachte bij het lachgas. Evenmin hebben zij verklaard dat verdachte aanwezig was toen de nieuwe lachgasflessen werden gehaald.
Oordeel van het hof
Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat verbalisant [verbalisant 1] op 8 juni 2025 omstreeks 5.35 uur naast een Peugeot [merk] stond waarin zich op dat moment drie personen bevonden. De positie en identiteit van de personen in het voertuig betroffen:
- bestuurder: [medeverdachte 2] ;
- bijrijder voorin: [medeverdachte 1] ;
- bijrijder achterin: [verdachte] .
De verbalisant zag voor de voeten van verdachte een langwerpige doos liggen. Uit deze doos stak een zwartkleurige lachgasfles. Daarnaast zag de verbalisant meerdere zwartkleurige ballonnen liggen. Hij nam verder waar dat diverse ballonnen in het middenconsole vochtig waren. De verbalisant hoorde vervolgens medeverdachte [medeverdachte 1] verklaren dat in het voertuig twee lachgastanks lagen. Vervolgens heeft de verbalisant samen met verbalisant [verbalisant 2] het voertuig doorzocht waarna zij twee lachgastanks aantroffen. De verbalisant voelde dat één lachgastank koud was en zag dat zich ijsvorming op de tank had gevormd. Volgens de verbalisant waren dit indicaties voor het gebruik van lachgas.
Op het politiebureau heeft verbalisant [verbalisant 3] de aangetroffen cilinders onderzocht. De verbalisant zag dat op de cilinders de vermelding NON-STOP GAS en Nitrious Oxide UN1070 Food Grade stond. Na raadpleging van Google kwam de verbalisant tot de conclusie dat het om cilinders met lachgas ging. Verder zag de verbalisant op de cilinders de vermelding netto 2000 gram (twee kilogram). De verbalisant heeft de cilinder gewogen met behulp van een niet geijkte kofferweegschaal. Beide cilinders wogen 5,2 kilogram. Nadat de verbalisant één van de cilinders had laten leeglopen, woog deze lege cilinder 3,5 kilogram. Op basis van deze weging heeft de verbalisant vastgesteld dat de huidige inhoud van het lachgas van de betreffende cilinder 1,7 kilogram bevatte, in totaal 3,4 kilogram voor beide cilinders tezamen.
Verbalisant [verbalisant 4] had eerder in de nacht, omstreeks 5.18 uur, het verzoek gekregen om naar de Peugeot te gaan, naar aanleiding van een melding van een verbalisant in vrije tijd die had waargenomen dat de bestuurder en de overige inzittenden een ballon aan hun mond hadden.
De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij die nacht nieuwe lachgasflessen hebben gehaald.
Het hof is, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, van oordeel dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het lachgas in het voertuig. Daarbij betrekt het hof dat de lachgasflessen zijn aangetroffen in een doos die zich bij de voeten van verdachte bevond, waarbij een van de flessen zichtbaar uit de doos stak.
De verklaring van verdachte dat hij in de auto lag te slapen en niet op de hoogte was van de aanwezigheid van het lachgas, vindt naar het oordeel van het hof op geen enkele wijze steun in het dossier. Het hof acht de verklaring van verdachte daarom niet aannemelijk en verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsvrouw.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 8 juni 2025 te [plaats] , gemeente [gemeente] opzettelijk aanwezig heeft gehad 3,4 kilogram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter in eerste aanleg opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de aan verdachte opgelegde taakstraf van 100 uren in onvoldoende mate is gemotiveerd, nu aan medeverdachte [medeverdachte 2] een taakstraf van 80 uren is opgelegd. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat medeverdachte [medeverdachte 2] bestuurder van het voertuig was. De raadsvrouw heeft verder betoogd dat de door de politierechter in aanmerking genomen omstandigheid dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, geen passend argument vormt voor het opleggen van een hogere straf aan verdachte.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van
3,4 kilogram lachgas. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van lachgas een gevaar oplevert voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Bovendien gaat het gebruik van dergelijke verdovende middelen vaak gepaard met verschillende vormen van criminaliteit waarvan anderen overlast ondervinden en waardoor de samenleving schade wordt toegebracht. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van deze problematiek.
Uit de justitiële documentatie van 21 september 2026 blijkt dat verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
Het hof heeft ook gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze door verdachte naar voren zijn gebracht. Verdachte lijkt de goede weg ingeslagen te zijn. Verdachte is werkzaam als begeleider in de zorg.
Alles afwegende acht het hof een taakstraf voor de duur van 80 uren, als niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis, passend en geboden is.
Vordering tot tenuitvoerlegging
In de zaak met parketnummer 96-031629-23 is verdachte op 20 maart 2024 door de politierechter in de rechtbank veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd van vijf maanden, met een proeftijd van twee jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
Zowel de advocaat-generaal als de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen.
Het hof wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af, nu toewijzing daarvan in dit geval niet op zijn plaats is, gelet op de aard van het onderhavige feit in verhouding tot de feiten waarvoor de voorwaardelijke straf is opgelegd.
Vordering tot tenuitvoerlegging
In de zaak met parketnummer 96-044200-24 is verdachte op 10 september 2024 door de politierechter in de rechtbank veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd van tien maanden, met een proeftijd van twee jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
Zowel de advocaat-generaal als de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen.
Het hof wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af, nu toewijzing daarvan in dit geval niet op zijn plaats is, gelet op de aard van het onderhavige feit in verhouding tot de feiten waarvoor de voorwaardelijke straf is opgelegd.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket Midden-Nederland van
8 juni 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 20 maart 2024, parketnummer 96-031629-23, voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179 Wegenverkeerswet 1994 en een proeftijd van 2 jaren.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket Zeeland-West-Brabant van
8 juni 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 september 2024, parketnummer 96-044200-24, voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
Dit arrest is gewezen door mr. C.A. Baardman, mr. O.O. van der Lee en
mr. L.G.J.M. van Ekert, in aanwezigheid van de griffier mr. S. Berendsen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 6 november 2026.