Strafrecht overig
De verdachte heeft rijdend in een personenauto met een hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan, rijdend op…
ECLI:NL:GHSHE:2026:2213 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 31 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-2213
Zaakgegevens
Op 31 juli 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Datum uitspraak
- 31 juli 2026
- Datum publicatie
- 11 augustus 2026
- Zaaknummer
- 20-000789-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2213
Samenvatting
De verdachte heeft rijdend in een personenauto met een hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan, rijdend op een voorrangsweg, mede omdat het latere slachtoffer, rijdend in een personenauto, geen voorrang heeft verleend, een verkeerongeluk veroorzaakt waarbij het slachtoffer letsel heeft opgelopen. Het hof stelt vast dat gezien de aard en de ernst van de gedragingen van de verdachte en de overige omstandigheden van het geval, de verdachte weliswaar tekort is geschoten in vergelijking met een gemiddelde andere persoon met een vergelijkbare hoedanigheid in vergelijkbare omstandigheden, maar dat verdachte daarbij niet een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid en/of onachtzaamheid en/of onoplettendheid kan worden verweten, zoals bedoeld in het in de tenlastelegging voorkomende begrip ‘schuld’ en de betekenis die dat begrip heeft in artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.
Door zich onder deze omstandigheden op deze wijze in het verkeer te gedragen, dat wil zeggen, door op de voorrangsweg, op het moment dat een voor hem, verdachte, van rechts komende personenauto reeds dicht was genaderd, het kruispunt op te rijden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de voor hem aldaar geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, en vervolgens niet de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig te verminderen en onvoldoende te anticiperen op die wegsituatie, waardoor een botsing is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die personenauto, heeft verdachte naar het oordeel van het hof een zekere mate van concreet gevaarzettend gedrag of evident gevaarlijk rijgedrag vertoond en daarmee gevaar op die weg veroorzaakt. Dat gevaar heeft blijkens het zich voorgedane ongeval ook daadwerkelijk geleid tot schade en letsel. Door zich op deze wijze te gedragen, heeft verdachte naar het oordeel van het hof het belang van de verkeersveiligheid geschonden, zoals bedoeld in artikel 5 WVW1994.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Parketnummer : 20-000789-25
Uitspraak : 31 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 5 maart 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-357429-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte integraal vrijgesproken.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair tenlastegelegde zal bewezenverklaren en de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte is primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is er een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, nu dat niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 24 maart 2024 in de gemeente Heerlen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de weg, [locatie 1] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, welke gedragingen zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, waren en hieruit hebben bestaan dat hij, verdachte, op het moment dat een voor hem, verdachte, van rechts over de [locatie 2] komende personenauto (Citroën), met als bestuurder voornoemde [slachtoffer] , reeds dicht was genaderd, het kruispunt gevormd door de wegen [locatie 1] en de [locatie 2] is genaderd en (vervolgens) is opgereden met een snelheid van rond of boven 89 kilometer per uur, althans een hogere snelheid dan de voor hem aldaar geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een voor de verkeerssituatie ter plaatse te hoge snelheid, en/of (vervolgens) niet, dan wel niet voldoende de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig heeft verminderd en/of niet voldoende is uitgeweken, in elk geval onvoldoende heeft geanticipeerd op die wegsituatie, waardoor, althans mede waardoor, een aanrijding of botsing is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die personenauto;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 maart 2024 in de gemeente Heerlen als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, [locatie 1] , op het moment dat een voor hem, verdachte, van rechts over de [locatie 2] komende personenauto (Citroën) reeds dicht was genaderd, het kruispunt gevormd door de wegen [locatie 1] en de [locatie 2] is opgereden met een snelheid van rond of boven 89 kilometer per uur, althans een hogere snelheid dan de voor hem aldaar geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een voor de verkeerssituatie ter plaatse te hoge snelheid, en/of (vervolgens) niet, dan wel niet voldoende, de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig heeft verminderd en/of niet voldoende is uitgeweken, in elk geval onvoldoende heeft geanticipeerd op die wegsituatie, waardoor, althans mede waardoor, een aanrijding of botsing is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die personenauto, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak primair tenlastegelegde
In het algemeen geldt dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel in artikel 6 Wegenverkeerwet 1994 een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan. Van schuld in de zin van dit artikel is volgens bestendige rechtspraak pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid en/of onachtzaamheid en/of onoplettendheid. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en hangt verder volgens bestendige rechtspraak af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Meer bepaald komt het in het concrete geval neer op het antwoord op de vraag of de verdachte tekort is geschoten in vergelijking met een gemiddelde andere persoon met een vergelijkbare hoedanigheid in vergelijkbare omstandigheden. Dit brengt mee dat niet in het algemeen valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de genoemde betekenis. Echter, niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het betreffende verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld.
De verdachte heeft rijdend in een personenauto met een hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan, rijdend op een voorrangsweg (de [locatie 1] te Heerlen), mede omdat het latere slachtoffer, rijdend in een personenauto, geen voorrang heeft verleend, een verkeerongeluk veroorzaakt waarbij het slachtoffer letsel heeft opgelopen. Het hof stelt vast dat gezien de aard en de ernst van de gedragingen van de verdachte en de overige omstandigheden van het geval, de verdachte weliswaar tekort is geschoten in vergelijking met een gemiddelde andere persoon met een vergelijkbare hoedanigheid in vergelijkbare omstandigheden, maar dat verdachte daarbij niet een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid en/of onachtzaamheid en/of onoplettendheid kan worden verweten, zoals bedoeld in het in de tenlastelegging voorkomende begrip ‘schuld’ en de betekenis die dat begrip heeft in artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van het dossier derhalve niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:
op 24 maart 2024 in de gemeente Heerlen als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, [locatie 1] , op het moment dat een voor hem, verdachte, van rechts over de [locatie 2] komende personenauto (Citroën) reeds dicht was genaderd, het kruispunt gevormd door de wegen [locatie 1] en de [locatie 2] is opgereden met een hogere snelheid dan de voor hem aldaar geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, en vervolgens niet de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig heeft verminderd en onvoldoende heeft geanticipeerd op die wegsituatie, waardoor een botsing is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die personenauto, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Omwille van de leesbaarheid van dit arrest worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.
De verdediging heeft bepleit dat niet bewezen kan worden dat de verdachte met een snelheid van ongeveer of meer dan 89 kilometer per uur, althans een te hoge snelheid, heeft gereden waar 50 kilometer per uur de maximaal toegestane snelheid was. De verdediging is van oordeel dat de verbalisanten een onbetrouwbare berekening hebben gemaakt van hoe hard de auto van de verdachte op de plaats van het ongeval heeft gereden. De door de verbalisanten gemaakte berekening voldoet volgens de verdediging niet aan de richtlijnen zoals deze zijn ontwikkeld door het NFI. Het voorhanden zijnde beeldmateriaal voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen en er is geen extra onderzoek vanuit andere bronnen verricht. Daar komt bij dat de berekening niet goed is getoetst omdat de verbalisanten niet de noodzaak zagen om een ijk auto te laten rijden.
Daarnaast mocht de verdachte er die dag op vertrouwen dat hij op de [locatie 1] voorrang zou krijgen. De bestuurder van de Citroën had de verdachte voorrang moeten verlenen alvorens hij die weg opreed. De bestuurder van de Citroën heeft dat niet gedaan en is zonder te remmen doorgereden.
Tot slot heeft de verdachte er alles aan gedaan om te voorkomen dat hij de Citroën zou raken. De verdachte heeft geremd vanaf het moment dat hij zag dat de Citroën zomaar de voorrangsweg op reed zonder te stoppen.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 5 Wegenverkeerwet 1994 (WVW 1994) stelt als overtreding strafbaar dat het een ieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Artikel 5 WVW 1994 beoogt het belang van de verkeersveiligheid (middels het bestanddeel ‘gevaar’) respectievelijk de vlotheid van de doorstroming van het verkeer (middels het bestanddeel ‘hinder’) te beschermen. Volgens bestendige jurisprudentie geldt aangaande het vereiste ‘gevaar’ op de weg veroorzaken dat de verdachte een zekere mate van concreet gevaarzettend gedrag of evident gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond, dat de reële mogelijkheid van schade aan goederen of personen op de weg heeft veroorzaakt. Voor een bewezenverklaring van artikel 5 WVW 1994 is derhalve niet vereist dat andere weggebruikers door het rijgedrag van de verdachte concreet gevaar of hinder hebben moeten ondervinden, noch dat zulk gevaar of hinder zich eerder regelmatig heeft verwezenlijkt. Of een verdachte zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt, dient te worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval. Aan het veroorzaken van dat gevaar moet ongeoorloofd gedrag ten grondslag liggen, maar in zijn algemeenheid is een enkele verkeersovertreding onvoldoende om het gevaar aan te nemen waarop in artikel 5 WVW 1994 wordt gedoeld. Hij die zich in het verkeer van een gevaar bewust behoort te zijn, moet zichzelf in de gelegenheid stellen vast te stellen dat dit gevaar zich niet voordoet.
Op 24 maart 2024 heeft er omstreeks 15:30 uur in Heerlen een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij de auto van de verdachte, rijdend op een voorrangsweg (de [locatie 1] ) met een maximum toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, en de auto van het slachtoffer, komend vanaf een zijstraat, zijnde de [locatie 2] , op de kruising van die wegen met elkaar in botsing zijn gekomen.
Het hof is van oordeel dat de indicatieve snelheidsberekening die de politie heeft uitgevoerd en neergelegd in het “proces-verbaal FO Verkeer” voldoet aan de daaraan te stellen eisen. De indicatieve snelheid is weliswaar berekend op basis van videobeelden die bestaan uit 15 frames per seconde, maar in hoger beroep heeft de verbalisant die de berekening heeft gemaakt verklaard dat er nader onderzoek is uitgevoerd door tevens te kijken naar de eerder voorbijkomende auto’s en de impact van het voertuig van de verdachte op het voertuig van het slachtoffer, waarmee de berekende gegevens klopten. Hoewel het gaat om een indicatieve snelheidsberekening, waardoor naar het oordeel van het hof niet kan worden vastgesteld dat de verdachte precies 89 kilometer per uur heeft gereden, geeft het rapport wel een indicatie dat de verdachte veel harder heeft gereden dan de ter plaatse toegestane 50 kilometer per uur.
Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep ook aan de hand van de bewegende beelden vastgesteld dat de auto van de verdachte aanzienlijk harder reed dan de eerder voorbijkomende voertuigen. Ook een getuige heeft waargenomen dat de verdachte harder heeft gereden dan 50 kilometer per uur, hetgeen de verdachte overigens ook zelf heeft verklaard.
Gelet op hetgeen in het forensisch onderzoek is berekend, de eigen waarneming van het hof ter terechtzitting, de verklaring van de getuige, het slachtoffer en de verdachte zelf is het hof van oordeel dat vast is komen te staan dat de verdachte met een aanzienlijk hogere snelheid heeft gereden dan de voor hem aldaar geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur.
Voorts is het hof van oordeel dat ondanks dat de verdachte op een voorrangsweg zat, hij onvoldoende heeft geanticipeerd op de bestande wegsituatie. De [locatie 1] , gelegen binnen de als zodanig aangegeven bebouwde kom van Heerlen, bestaat uit 2 rijbanen, die onderling door middel van een brede middenberm van elkaar gescheiden zijn, waarbij de rijbanen niet verdeeld zijn in rijstroken. De [locatie 1] was door middel van borden conform model Bl aangeduid als voorrangsweg. De verdachte is zeer bekend met de situatie ter plaatse en was aldus bekend dat er aan de rechterzijde van de [locatie 1] meerdere zijstraten zijn die met de genoemde weg kruisen, waaronder die met de [locatie 2] . De verdachte zag diverse voertuigen geparkeerd staan voor de [locatie 2] waardoor het zicht enigszins was beperkt. Doordat de verdachte met een aanzienlijk hogere snelheid heeft gereden dan ter plaatse is toegestaan, kon de verdachte niet alleen zelf minder goed anticiperen op verkeer komend vanuit de zijstraat, maar kon het verkeer uit de zijstraat ook minder goed anticiperen op hem. Daarnaast blijkt uit het onderzoek van de beelden dat de verdachte, anders dan dat hij heeft verklaard, pas op een zeer laat moment, nét voor de botsing heeft geremd, hetgeen blijkt uit de oplichtende remlichten van het voertuig.
Door zich onder deze omstandigheden op deze wijze in het verkeer te gedragen, dat wil zeggen, door op de [locatie 1] , op het moment dat een voor hem, verdachte, van rechts over de [locatie 2] komende personenauto (Citroën) reeds dicht was genaderd, het kruispunt gevormd door de wegen [locatie 1] en de [locatie 2] op te rijden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de voor hem aldaar geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, en vervolgens niet de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig te verminderen en onvoldoende te anticiperen op die wegsituatie, waardoor een botsing is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die personenauto, heeft verdachte naar het oordeel van het hof een zekere mate van concreet gevaarzettend gedrag of evident gevaarlijk rijgedrag vertoond en daarmee gevaar op die weg veroorzaakt. Dat gevaar heeft blijkens het zich voorgedane ongeval ook daadwerkelijk geleid tot schade en letsel. Door zich op deze wijze te gedragen, heeft verdachte naar het oordeel van het hof het belang van de verkeersveiligheid geschonden, zoals bedoeld in artikel 5 WVW1994.
Het hof acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging – indien en voor zover het hof tot een bewezenverklaring komt – gesteld dat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk. Voorts is gewezen op de blanco Justitiële Documentatie van de verdachte voor wat betreft verkeersfeiten en het gegeven dat het voertuig van de verdachte, dat hij pas 9 dagen had, total loss is verklaard.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten aanzien van de verdachte is bewezenverklaard overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 door de geldende maximumsnelheid aanzienlijk te overschrijden en onvoldoende te anticiperen op de wegsituatie waardoor er een botsing is ontstaan door welke gedraging gevaar op de weg is veroorzaakt.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 mei 2026, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Voorts heeft het hof acht geslagen op hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Het hof neemt bij het bepalen van de strafhoogte in aanmerking de ernst van het bewezenverklaarde en het belang van de verkeersveiligheid.
Het hof acht een taakstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen, alsmede een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Met oplegging van een deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis;
ontzegt de verdachte ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar;
bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door:
mr. J.J. Peters, voorzitter,
mr. A.R. Hartmann en mr. N.I.B.M. Buljevic, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,
en op 31 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Peters is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.