Strafrecht overig
Falende bewijsklacht schuld a.b.i. art. 6 WVW 1994. HR herhaalt relevante overwegingen over toetsing in…
ECLI:NL:HR:2014:3105 · Hoge Raad · 4 november 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2014-3105
Zaakgegevens
Op 4 november 2014 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 november 2014
- Datum publicatie
- 4 november 2014
- Zaaknummer
- 12/05177
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2014:3105
Samenvatting
Falende bewijsklacht schuld a.b.i. art. 6 WVW 1994. HR herhaalt relevante overwegingen over toetsing in cassatie uit ECLI:NL:HR:2004:AO5822, NJ 2005/252. ’s Hofs oordeel dat verdachte, mede als gevolg van de door hem ingenomen alcoholhoudende drank, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest, waardoor hij de voetgangster niet heeft gezien en in aanrijding met haar is gekomen, dat sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.
Procesgang
Rechtbank 's-Hertogenbosch · 1 september 2011
ECLI:NL:RBSHE:2011:BR5890Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 25 oktober 2012
ECLI:NL:GHSHE:2012:BY1284(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 2 september 2014
ECLI:NL:PHR:2014:1938Hoge Raad · 4 november 2014deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2014:3105
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
4 november 2014
Strafkamer
nr. 12/05177
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 25 oktober 2012, nummer 20/003508-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het middel
Het middel komt op tegen de bewezenverklaarde "schuld" als bedoeld in art. 6 WVW 1994.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 24 mei 2010 te Lith als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Peugeot type 307), daarmede rijdende over de weg, Mr. van Coothstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te handelen als volgt:
verdachte heeft rijdende over de Mr. van Coothstraat, een vóór zich (aan de, gezien verdachte's rijrichting, rechterzijde) op die Mr. van Coothstraat, zich bevindende voetganger, dan wel een in de berm van die Mr. van Coothstraat, zich bevindende voetganger (genaamd [slachtoffer]) niet opgemerkt en is (vervolgens) niet naar links uitgeweken en heeft niet geremd, waardoor een aanrijding is ontstaan tussen de door verdachte bestuurde personenauto en die voetganger, waardoor een ander (te weten die voetganger, genaamd [slachtoffer]) werd gedood, zulks terwijl hij, verdachte, ten tijde van dit ongeval, zijn personenauto bestuurde na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem, bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 2 ondier a van de Wegenverkeerswet 1994,465 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn".
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsvoering van het Hof zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6 en 7.
Vooropgesteld moet worden dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 - in het onderhavige geval het bewezenverklaarde aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend handelen - uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (vgl. HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822, NJ 2005/252).
Uit de nadere bewijsoverweging van het Hof blijkt dat het Hof voor het bewijs van het aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend handelen in het bijzonder van belang heeft geacht dat de verdachte, rijdend onder invloed van alcohol op een hem bekende rechte, overzichtelijke weg waarvan het hem bekend is dat zich daar mogelijk personen kunnen bevinden, niet heeft geremd of uitgeweken voor een voetgangster die voor hem zichtbaar moet zijn geweest op het rechter weggedeelte van deze weg. Aldus geeft het oordeel van het Hof dat de verdachte, mede als gevolg van de door hem ingenomen alcoholhoudende drank, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest, waardoor hij de voetgangster niet heeft gezien en in aanrijding met haar is gekomen, dat sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Het middel faalt.
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2014.