Ambtenarenrecht
Arubaanse zak. Verzoek om herziening. Naar het oordeel van de Raad biedt artikel 135, tweede lid, van de…
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 30 mei 2017
ECLI:NL:ORBAACM:2017:7 · Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba · 30 mei 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-beroep-in-ambtenarenzaken-van-aruba-curacao-sint-maarten-en-van-bonaire-sint-eustatius-en-saba/bestuursrecht/ambtenarenrecht/herziening/ecli-nl-orbaacm-2017-7
Zaakgegevens
Op 30 mei 2017 heeft de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in een herzieningsprocedure uitspraak gedaan in een zaak over ambtenarenrecht.
- Datum uitspraak
- 30 mei 2017
- Datum publicatie
- 4 januari 2018
- Zaaknummer
- RvBAz 2017/60877
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Ambtenarenrecht
- Procedure
- HerzieningHerzieningEen onherroepelijke uitspraak wordt opnieuw bekeken, omdat er nieuwe feiten zijn die de rechter niet kende.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:ORBAACM:2017:7
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Arubaanse zak. Verzoek om herziening. Naar het oordeel van de Raad biedt artikel 135, tweede lid, van de Landsverordening ambtenarenrecht geen grondslag voor herziening in het geval van een vermeende misslag van de Raad, of die nu de uitleg van het recht of de vaststelling van de feiten zou betreffen. Op grond van die bepaling kan uitsluitend een omstandigheid die de Raad niet bij zijn eerdere beoordeling heeft kunnen betrekken aanleiding vormen voor een herziening.
Uitspraak
Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)
Uitspraakdatum: 30 mei 2017
Zaaknummer: RvBAz 2017/60877
RAAD VAN BEROEP
IN AMBTENARENZAKEN
Zittingsplaats Aruba
Uitspraak op het verzoek om herziening van:
[…]
allen wonend in Aruba,
verzoekers,
gemachtigde: mr. M.M.M.C. Ecury,
betreffende de uitspraak van de Raad van 9 april 2014, zaaknr. 2012/60877 (de uitspraak), in de zaak tussen:
verzoekers,
en
de Gouverneur van Aruba,
verweerder.
Procesverloop
Bij schrijven van 14 mei 2014 hebben verzoekers de Raad verzocht om de uitspraak te herzien.
Bij schrijven van 29 juli 2016 heeft verweerder zich over dat verzoek uitgelaten.
De Raad heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 april 2017. Verzoekers werden daar vertegenwoordigd door mr. A.F.J. Caster, kantoorgenoot van hun gemachtigde. Voor de Gouverneur was daar aanwezig mr. V.M. Emerencia, werkzaam bij de Dienst Wetgeving en Juridische Zaken.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 135, eerste lid, van de La is ieder die partij was in een geding bevoegd binnen drie maanden nadat van enige omstandigheid als in het tweede lid bedoeld is gebleken de herziening van een onherroepelijke of onherroepelijk geworden uitspraak te verzoeken. Op grond van het tweede lid wordt de herziening verzocht op grond dat gebleken is van enige omstandigheid die bij de behandeling van het beroep aan de Raad niet bekend was, en die op zichzelf of in verband met andere feiten of omstandigheden ernstige twijfel doet ontstaan aan de juistheid van de uitspraak van de Raad.
2. Verzoekers hebben aangevoerd dat de Raad er bij de uitspraak ten onrechte vanuit is gegaan dat zij tegen een nieuwe beslissing van de Minister van Algemene Zaken van 5 april 2012 (betreffende de intrekking door verweerder van zijn besluit tot toekenning aan verzoekers van gratificaties) in rechte zijn opgekomen, waardoor het daarop gebaseerde oordeel van de Raad, dat hun beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk is, onjuist zou zijn.
3. Naar het oordeel van de Raad biedt artikel 135, tweede lid, van de La geen grondslag voor herziening in het geval van een vermeende misslag van de Raad, of die nu de uitleg van het recht of de vaststelling van de feiten zou betreffen. Op grond van die bepaling kan uitsluitend een omstandigheid die de Raad niet bij zijn eerdere beoordeling heeft kunnen betrekken aanleiding vormen voor een herziening.
Of verzoekers al dan niet bezwaar zouden hebben gemaakt tegen de beslissing van 5 april 2012 bij het Gerecht, waarop ten tijde van de uitspraak nog moest worden beslist, betreft een omstandigheid die de Raad bij zijn eerdere beoordeling heeft betrokken, zij het volgens verzoekers op ondeugdelijke feitelijke grondslag. Nieuwe feiten daarover, die niet eerder bekend konden zijn, hebben verzoekers echter niet aangedragen. Het betreft aldus een vermeende misslag, die geen grond kan vormen voor de gevraagde herziening.
4. De slotsom is dat het herzieningsverzoek moet worden afgewezen.
Beslissing
De Raad wijst het verzoek om herziening af.
Aldus gegeven door mr. D. Haan, voorzitter, en mrs. L.C. Hoefdraad en A.H.M. van de Leur, leden, en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.