Bestuursrecht overig

Het beroep richt zich tegen het besluit van de raad van de gemeente Maashorst van 27 juni 2024, waarbij het…

Raad van State, 19 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 19 augustus 2026 heeft de Raad van State in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19 augustus 2026
Datum publicatie
21 augustus 2026
Zaaknummer
202405427/1/R2
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4915
E-mail

Samenvatting

Het beroep richt zich tegen het besluit van de raad van de gemeente Maashorst van 27 juni 2024, waarbij het bestemmingsplan ‘[locatie] te Zeeland’ is vastgesteld. Wat [appellant] in beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan in strijd met het recht is vastgesteld. In deze procedure gaat het over het vastgestelde bestemmingsplan ‘[locatie] te Zeeland’. Dat er voorafgaand hieraan een poging is gedaan om de duivenhokken te legaliseren via een omgevingsvergunningsprocedure en wat daar toen is gebeurd of nagelaten, staat in deze procedure dus niet ter beoordeling. Het bestemmingsplan is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. In overeenstemming met deze procedure is [appellant] in de gelegenheid gesteld om een zienswijze op het ontwerpplan naar voren te brengen. Dat heeft [appellant] ook gedaan. De raad heeft deze zienswijze betrokken bij de vaststelling van het plan en heeft in de nota van zienswijze behorende bij dit plan uiteengezet waarom dit niet tot een ander besluit heeft geleid. Daarmee heeft de raad voor dit plan de juiste procedure gevolgd.

Uitspraak

202405427/1/R2.

Datum uitspraak: 19 augustus 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[appellant], gevestigd in Zeeland, gemeente Maashorst,

appellant,

en

de raad van de gemeente Maashorst,

verweerder.

Openbare zitting gehouden op 19 augustus 2026 om 14:00 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. A. Kuijer, voorzitter

griffier: mr. R.M. Ahmady-Pikart

Verschenen:

[appellant], vertegenwoordigd door mr. W.A. Verbeek, advocaat in Groningen en de raad, vertegenwoordigd door J. Staps.

Het beroep richt zich tegen het besluit van de raad van 27 juni 2024, waarbij het bestemmingsplan ‘[locatie] te Zeeland’ is vastgesteld.

De Afdeling

I.        verklaart het beroep ongegrond;

II.       wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Gronden:

Wat [appellant] in beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan in strijd met het recht is vastgesteld. In deze procedure gaat het over het vastgestelde bestemmingsplan ‘[locatie] te Zeeland’. Dat er voorafgaand hieraan een poging is gedaan om de duivenhokken te legaliseren via een omgevingsvergunningsprocedure en wat daar toen is gebeurd of nagelaten, staat in deze procedure dus niet ter beoordeling. Het bestemmingsplan is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. In overeenstemming met deze procedure is [appellant] in de gelegenheid gesteld om een zienswijze op het ontwerpplan naar voren te brengen. Dat heeft [appellant] ook gedaan. De raad heeft deze zienswijze betrokken bij de vaststelling van het plan en heeft in de nota van zienswijze behorende bij dit plan uiteengezet waarom dit niet tot een ander besluit heeft geleid. Daarmee heeft de raad voor dit plan de juiste procedure gevolgd. De Afdeling ziet dat [appellant] in zijn zienswijze bepaalde concrete problemen met het bestemmingsplan heeft benoemd, maar deze problemen zijn voor het vaststellen van een bestemmingsplan niet relevant. Wellicht heeft [appellant] bedoeld om ook andere problemen aan de orde te stellen, maar nu die zowel in de zienswijze als in het beroepschrift niet duidelijk en onderbouwd naar voren zijn gebracht, had de raad die niet bij zijn beoordeling hoeven te betrekken en kunnen deze ook niet tot een ander oordeel van de Afdeling leiden. Het betoog slaagt niet.

Omdat de Afdeling uitspraak doet op 19 augustus 2026, is de redelijke termijn van twee jaar - die is begonnen op 20 augustus 2024 - niet overschreden.

De raad hoeft de proceskosten niet te vergoeden.

w.g. Kuijer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Ahmady-Pikart

griffier

638-1201