Op 29 January 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is LEE 24/4369, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNNE:2026:329.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. E. Berga),
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noardeast-Fryslân
(gemachtigde: E.A. Scheweer).
Samenvatting
1. Eiser heeft een omgevingsvergunning aangevraagd om zijn tuinkamer op het perceel [locatie] te legaliseren. Het college heeft de aanvraag afgewezen. Deze uitspraak gaat daarover. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat de tuinkamer niet in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Het college moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden en een vergoeding van zijn proceskosten aan eiser betalen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
Procesverloop
2. Eiser heeft op 29 januari 2024 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het legaliseren van een tuinkamer op het perceel [locatie]. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 22 maart 2024 afgewezen. Tegen dat besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
2.1.
Op 6 juni 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de adviescommissie voor de bezwaarschriften. Op 24 juli 2024 heeft de adviescommissie het college geadviseerd in de beslissing op bezwaar nader te motiveren waarom op grond van de beleidsuitgangspunten niet kan worden afgeweken van het omgevingsplan.
2.2.
Met het bestreden besluit van 25 september 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. Eiser was niet aanwezig.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
Welke beroepsgronden zijn ingetrokken?
3. Op de zitting heeft eiser de beroepsgrond dat het advies van de adviescommissie niet aan hem is toegestuurd, ingetrokken. Ook heeft eiser de beroepsgrond dat hij erop mocht vertrouwen dat geen vergunning nodig zou zijn voor de tuinkamer ingetrokken. Deze beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.
Wat is het toetsingskader?
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de daarop gebaseerde regelingen in werking getreden. De aanvraag om een omgevingsvergunning is op 29 januari 2024 ingediend, waardoor de Ow van toepassing is.
4.1.
Op het perceel is het Omgevingsplan gemeente Noardeast-Fryslan (het omgevingsplan) van toepassing. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan wordt gevormd door de voorheen vastgestelde bestemmingsplannen en de bruidsschat. (Voetnoot 1) Het Bestemmingsplan Doarpen (het bestemmingsplan) is dus van rechtswege onderdeel van het Omgevingsplan. Het perceel heeft op grond van het bestemmingsplan de bestemming ‘Recreatie – Recreatiewoningen’.
Heeft het college de omgevingsvergunning mogen weigeren?
5. Het college heeft aan de afwijzing van de omgevingsvergunning ten grondslag gelegd dat de tuinkamer niet in overeenstemming is met een etfal. Volgens het college volgt uit het bestemmingsplan dat de opzet van het recreatiepark vrij strak is voor wat betreft het bouwen van recreatiewoningen. De recreatiewoningen beslaan het hele bouwvlak, omdat het beleid erop is gericht om de uitbreiding van de recreatiewoningen te voorkomen. Om de uniformiteit op het recreatiepark te waarborgen wil het college niet van deze beleidsuitgangspunten afwijken door het verlenen van een vergunning voor de tuinkamer buiten het bouwvlak. Daarnaast zou het verlenen van een omgevingsvergunning volgens het college leiden tot onwenselijke precedentwerking. Daarbij wijkt het college af van het advies van de commissie. Volgens het college is, in tegenstelling tot wat de adviescommissie stelt, voor het bepalen of sprake is van precedentwerking niet relevant of andere eigenaren een tuinkamer wensen. Het verlenen van een omgevingsvergunning heeft namelijk direct precedentwerking, mede omdat alle recreatiewoningen op deze locatie dezelfde bouwstijl hebben. Gelet op de aantasting van de uniformiteit vindt het college precedentwerking onwenselijk.
5.1.
Eiser stelt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de tuinkamer in strijd is met een etfal. Volgens eiser heeft het college miskend dat een recreatiewoning een unieke toetsing met zich brengt als het gaat om de beoordeling van een etfal. Daarnaast volgt uit de toelichting van bouwkundig ontwerpbureau Meinsma dat de tuinkamer wel in overeenstemming is met een etfal, omdat de tuinkamer slechts marginaal buiten het bouwvlak is gebouwd en de tuinkamer geen negatieve invloed heeft op het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Verder maakt deze tuinkamer volgens eiser geen inbreuk op de uniformiteit omdat meerdere omwonenden beschikken over een tuinkamer en omdat één enkele tuinkamer geen inbreuk maakt op de uniformiteit. Bovendien stelt eiser dat de vrees voor precedentwerking op zichzelf onvoldoende is om de omgevingsvergunning te weigeren, mede omdat er geen aanwijzingen zijn dat omwonenden ook een tuinkamer willen realiseren, zoals de commissie terecht heeft overwogen. Het college heeft volgens eiser onvoldoende gemotiveerd waarom het ten aanzien van de precedentwerking afwijkt van het advies van de commissie. Eiser stelt verder dat het college had moeten onderzoeken of het alternatieve plan om de tuinkamer te verkleinen zodat die zich binnen het bouwvlak bevindt, mogelijk was.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat de tuinkamer in strijd is met een etfal. Zij overweegt daartoe als volgt.
5.2.1.
Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat de tuinkamer is aan te merken als een aanbouw. (Voetnoot 2) Ook is niet (langer) in geschil dat de aanvraag moet worden getoetst aan de bouwregels voor recreatiewoningen. (Voetnoot 3) Dit is ter zitting met partijen besproken en partijen zijn het hierover eens.
5.2.2.
De rechtbank stelt vast dat de recreatiewoning van eiser het gehele bouwvlak op het perceel beslaat. Dat betekent dat de tuinkamer volledig buiten het bouwvlak is gerealiseerd. Dat is in strijd met van het bestemmingsplan. (Voetnoot 4) Van een marginale overschrijding van het bouwvlak, zoals door eiser gesteld, is dan ook geen sprake.
5.2.3.
Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. (Voetnoot 5) Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een etfal. (Voetnoot 6)
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een etfal. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht, of het voldoende is gemotiveerd en of de nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
5.2.4.
De rechtbank ziet geen grond voor eisers stelling dat voor de beoordeling en toetsing van een etfal in een recreatieve setting een ander, uniek toetsingskader geldt. Een aanvraag moet op zijn eigen merites worden beoordeeld. (Voetnoot 7) Het college moet, ook als het gaat om een recreatiewoning, beoordelen of sprake is van een etfal. Het college moet daarbij op basis van een individuele en inhoudelijke beoordeling afwegen of de betrokken activiteit, in afwijking van het omgevingsplan, aanvaardbaar kan worden geacht. (Voetnoot 8)
5.2.5.
De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het geen omgevingsvergunning wil verlenen, omdat de tuinkamer niet voldoet aan een etfal.
De rechtbank acht van belang dat het in de eerste plaats aan eiser is om de gegevens en bescheiden te overleggen die voor het college nodig zijn om te beoordelen of de gevolgen van de tuinkamer in overeenstemming zijn met een etfal. (Voetnoot 9) Eiser heeft een toelichting van bouwkundig ontwerpbureau Meinsma overgelegd waarin een summiere ruimtelijke onderbouwing van het plan wordt gegeven. Hierin is bovendien ten onrechte gesteld dat de tuinkamer slechts marginaal buiten het bouwvlak is gebouwd.
Het college heeft, mede gelet op deze summiere toelichting en zijn beleidsruimte, voldoende gemotiveerd dat het niet wil afwijken van het bestemmingsplan om de gewenste uniformiteit op het recreatiepark te behouden. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de recreatiewoningen het volledige bouwvlak beslaan en uniform zijn gebouwd, zoals het college in het verweerschrift heeft toegelicht. Hiermee is een bepaalde ruimtelijke uitstraling beoogd die het college wil behouden.
Over de stelling van eiser dat de uniformiteit niet wordt aangetast door één enkele tuinkamer overweegt de rechtbank dat één tuinkamer het uniforme beeld van de recreatiewoningen op het park en daarmee de ruimtelijke uitstraling van het park wel degelijk kan aantasten.
Over de stelling van eiser dat er meerdere recreatiewoningen zijn met een tuinkamer heeft het college op de zitting aannemelijk gemaakt dat het daarbij gaat om overkappingen die zonder vergunning mogen worden gebouwd en niet om tuinkamers zoals eiser die heeft gebouwd. Voor zover eiser heeft willen verwijzen naar de omgevingsvergunningen voor de percelen [locatie] en [locatie] die in bezwaar door hem zijn overgelegd, overweegt de rechtbank dat uit de omgevingsvergunningen volgt dat het in die situaties ook niet om tuinkamers ging zoals eiser die heeft gebouwd.
Het college heeft tot slot terecht gesteld dat het bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid geen rekening hoeft te houden met de omstandigheid dat de tuinkamer al is gebouwd. Gelet op het voorgaande, heeft het college de ruimtelijke ongewenstheid van de tuinkamer deugdelijk gemotiveerd.
5.2.6.
De rechtbank is verder van oordeel dat het college de vrees voor precedentwerking, en de afwijking op dit punt van het advies van de adviescommissie, voldoende heeft gemotiveerd. (Voetnoot 10) Het college heeft zich namelijk terecht op het standpunt gesteld dat het enkele feit dat een omgevingsvergunning is verleend precedentwerking kan hebben. Het gaat om een recreatiepark met uniforme recreatiewoningen die binnen het volledige bouwvlak zijn gebouwd. Dat betekent dat de verschillende recreatiewoningen in beginsel geen onderscheidende kenmerken hebben. Op voorhand kan daarom niet worden uitgesloten dat vergunningverlening kan leiden tot precedentwerking.
Omdat het college de ruimtelijke ongewenstheid deugdelijk heeft gemotiveerd mocht het college ook de vrees voor precedentwerking aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag leggen. (Voetnoot 11)
5.2.7.
Ten aanzien van de stelling van eiser dat het college had moeten onderzoeken of er een alternatieve mogelijkheid was om de tuinkamer te legaliseren overweegt de rechtbank dat het college moet beslissen op een aanvraag zoals die is ingediend. Verder kan, als een plan op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot het onthouden van medewerking dwingen, als op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. (Voetnoot 12) Het college vindt de legalisatie van de tuinkamer echter niet aanvaardbaar en was daarom niet gehouden alternatieven te onderzoeken. Bovendien heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat er geen alternatieven zijn voor een tuinkamer binnen het bouwvlak, omdat de recreatiewoning al het volledige bouwvlak beslaat.
Heeft het college voldaan aan het advies van de adviescommissie?
6. Eiser stelt dat het college niet heeft voldaan aan het advies van de adviescommissie om nader te onderzoeken waarom in het geval van eiser niet kan worden afgeweken van de beleidsuitgangspunten. Het college heeft er volgens eiser in het bestreden besluit geen blijk van gegeven dat nader onderzoek is uitgevoerd waardoor sprake is van een motiveringsgebrek.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het voldoende heeft gemotiveerd waarom het niet wil afwijken van het bestemmingsplan. Op de zitting heeft het college toegelicht dat de adviescommissie uit de hoorzitting heeft opgemaakt dat er een beleidsdocument is op grond waarvan het college niet wil afwijken van het bestemmingsplan. Volgens het college is dat beleidsdocument er echter niet omdat de beleidsuitgangspunten al concreet zijn uitgewerkt in het bestemmingsplan. Het college heeft in het bestreden besluit opnieuw en gemotiveerd overwogen dat het niet wil afwijken van het bestemmingsplan. Volgens het college wil het feit dat de uitkomst hetzelfde is niet zeggen dat geen nader onderzoek heeft plaatsgevonden.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
6.2.1.
Op de zitting is duidelijk geworden dat tussen partijen niet in geschil is dat het college ter motivering van een besluit kan volstaan met een verwijzing naar een met het oog op dat besluit uitgebracht advies, als het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. (Voetnoot 13) Ook is tussen partijen niet in geschil dat het advies van de adviescommissie zorgvuldig tot stand is gekomen.
6.2.2.
Het college heeft in het bestreden besluit opnieuw beoordeeld of het in het geval van eiser wil afwijken van het bestemmingsplan. Het college heeft besloten dat het dat niet wil omdat daarmee inbreuk wordt gemaakt op de bestaande uniformiteit en daarnaast sprake is van onwenselijke precedentwerking. Het college heeft toegelicht dat er naast het bestemmingsplan geen beleidsdocument bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daarom voldoende nader gemotiveerd waarom het niet wil afwijken van het bestemmingsplan, mede gelet op overwegingen 5.2.5 en 5.2.6.
Is het bestreden besluit in strijd met het vertrouwensbeginsel?
7. Eiser stelt dat het college bij hem de overtuiging heeft gewekt dat het de kruimelgevallenlijst nog steeds hanteert, omdat het college de legeskosten in het primaire besluit heeft gebaseerd op de kruimelgevallenlijst. Volgens eiser is dat een toezegging waaraan hij het vertrouwen mocht ontlenen dat het college de kruimelgevallenlijst zou toepassen, ondanks dat deze wettelijk gezien niet meer toegepast hoeft te worden.
7.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de kruimelgevallenlijst is komen te vervallen met de invoering van de Ow, waardoor er geen wettelijke basis is om deze toe te passen. Dat de kruimelgevallenlijst nog wordt genoemd in de legesverordening doet daar niet aan af. Op de zitting heeft het college toegelicht dat dit waarschijnlijk komt omdat de legesverordening op dat moment nog niet was aangepast aan de nieuwe wetgeving, mede omdat er nog aanvragen van voor 1 januari 2024 werden behandeld.
7.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
7.2.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel als eerst vereist is dat sprake is van een toezegging. Om aan te nemen dat een toezegging is gedaan, dient degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk te maken dat sprake is van uitlatingen en/of gedragingen van ambtenaren die bij de betrokkene redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend. (Voetnoot 14)
7.2.2.
De rechtbank stelt vast dat het college in het primaire besluit de kruimelgevallenlijst heeft genoemd in het kader van de hoogte van de legeskosten. Naar het oordeel van de rechtbank is dat geen uitlating op basis waarvan eiser erop mocht vertrouwen dat de bevoegdheid om op zijn bezwaar te beslissen op een bepaalde manier zou worden uitgeoefend. De kruimelgevallenlijst wordt namelijk enkel genoemd in het kader van het vaststellen van de legeskosten, terwijl het college in de rest van het primaire besluit verwijst naar (regelgeving op grond van) de Ow. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat eiser ook in bezwaar werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Op de zitting is duidelijk geworden dat de gemachtigde bekend was met het gegeven dat de kruimelgevallenlijst door de inwerkingtreding van de Ow op 1 januari 2024 is komen te vervallen. Gelet op het voorgaande is er geen sprake van een toezegging die bij eiser redelijkerwijs de indruk heeft gewekt van een welbewuste standpuntbepaling van het college over de manier waarop op zijn bezwaar zou worden beslist.
Zijn de (persoonlijke) belangen van eiser voldoende meegewogen?
8. Eiser stelt dat het college zijn belangen onvoldoende heeft meegewogen bij het nemen van het bestreden besluit. Het college heeft niet gereageerd op de toelichting van bouwkundig ontwerpbureau Meinsma. Eiser wenst de tuinkamer, omdat de tuinkamer de leefruimte van de recreatiewoning vergroot en het wooncomfort verhoogt. Daarnaast zal het verwijderen van de tuinkamer kosten met zich meebrengen. Volgens eiser moeten deze belangen zwaarder wegen dan de publieke belangen die het college stelt te dienen.
8.1.
Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat eiser voor eigen risico een tuinkamer heeft gebouwd zonder de benodigde omgevingsvergunning. Dat de weigering van de omgevingsvergunning mogelijk tot gevolg heeft dat de tuinkamer gesloopt moet worden valt onder dat risico. Op de zitting heeft het college zich verder op het standpunt gesteld dat een belangenafweging is gemaakt tussen het algemeen belang, te weten het beschermen van de uniformiteit op het park en het individuele belang van eiser bij het realiseren van de tuinkamer, ook al is deze niet opgenomen in het besluit. Het college heeft een zwaarder gewicht toegekend aan het algemeen belang dan aan het belang van eiser bij meer leefruimte en wooncomfort. Volgens het college zijn de recreatiewoningen namelijk gericht op een bepaalde doelgroep en moet het daarom niet uitmaken dat de leefruimte beperkt is. De recreatiewoningen zijn daarop gebouwd.
8.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
8.2.1.
Uit het toetsingskader dat is opgenomen in overweging 5.2.3 volgt dat het college bij het nemen van het besluit een belangenafweging moet maken. De nadelige gevolgen van het besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dat in het bestreden besluit onvoldoende kenbaar gedaan. Uit het besluit volgt namelijk niet dat het college een afweging heeft gemaakt tussen het algemeen belang en de belangen van eiser. In het verweerschrift en op de zitting heeft het college de gemaakte belangenafweging alsnog toegelicht.
Het college heeft hierin de belangen van eiser voldoende meegewogen. Het college heeft het belang van uniformiteit en het voorkomen van ongewenste precedentwerking in redelijkheid zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiser bij het vergroten van zijn leefruimte en het verhogen van zijn wooncomfort.
Verder zijn de kosten die eiser mogelijk moet maken voor het verwijderen van de tuinkamer niet een direct gevolg van de weigering om een omgevingsvergunning te verlenen. Eventueel kan dit belang in een mogelijke procedure over handhaving aan de orde komen. Het college heeft dit belang daarom terecht niet meegewogen.
Gelet op het voorgaande, zijn de nadelige gevolgen van het bestreden besluit voor eiser niet onevenredig in verhouding tot het algemeen belang dat met de weigering van de omgevingsvergunning wordt gediend.
8.2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd, omdat het bestreden besluit pas in beroep is voorzien van de onder overweging 8.1 genoemde belangenafweging. (Voetnoot 15) De rechtbank passeert dit gebrek (Voetnoot 16), omdat aannemelijk is dat geen ander besluit zou zijn genomen, als het college de belangenafweging had opgenomen in het besluit. Verder is aannemelijk dat eiser door dit gebrek niet is benadeeld. De gemachtigde van eiser is op de zitting in de gelegenheid gesteld op de nadere toelichting van het college te reageren en heeft dat ook gedaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd.
9.1.
Het college moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden, omdat artikel 6:22 van de Awb is toegepast. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond.;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Lok, rechter, in aanwezigheid van E.D.M. Nijbroek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:49
Ter motivering van een besluit of een onderdeel daarvan kan worden volstaan met een verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht advies, indien het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven.
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Artikel 7:12
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. (…)
Artikel 7:13
1. Dit artikel is van toepassing indien ten behoeve van de beslissing op het bezwaar een adviescommissie is ingesteld:
(…)
7. Indien de beslissing op het bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, wordt in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld en wordt het advies met de beslissing meegezonden.
Artikel 5.1. (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
(…)
Bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet:
(…)
omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende:
een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,
een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan;
(…)
Besluit kwaliteit leefomgeving
Artikel 8.0a (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen)
(…)
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Artikel 1 Begrippen
5. aanbouw:
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
67. recreatiewoning:
een gebouw of een ruimte in een gebouw dat naar de aard en inrichting is bedoeld voor recreatieve bewoning;
Voor het bouwen van recreatiewoningen gelden de volgende regels: 19.2.1.
de gebouwen dienen binnen een bouwvlak te worden gebouwd.
indien een gevellijn is aangegeven, dientten minste één gevel van een recreatiewoning in de gevellijn te worden gebouwd;
de minimale en maximale goot- en bouwhoogte, alsmede de minimale en maximale dakhelling van een recreatiewoning dient te voldoen aan de in de aanduiding “minimale-maximale goot-, bouwhoogte (m) en dakhelling (graden)” aangegeven minimale en maximale goot- en bouwhoogte en dakhelling;
e bouwhoogte van een aan- of uitbouw mag ten hoogste 4,00 m bedragen.
Voetnoot
Voetnoot 1
Artikel 22.1 van de Ow.
Voetnoot 2
In de zin van artikel 1, onder 5, van het bestemmingsplan.
Voetnoot 3
Zoals opgenomen in artikel 19.2.1 van het bestemmingsplan.
Voetnoot 4
Artikel 19.2.1, onder a, van het bestemmingsplan.
Voetnoot 5
Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow.
Voetnoot 6
Artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Voetnoot 7
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:175, r.o. 4.2.
Voetnoot 8
Zie de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet (stb. 2020, 400), p. 1613-1614.
Voetnoot 9
Artikel 7.207b, tweede lid, van de Omgevingsregeling.
Voetnoot 10
Overeenkomstig artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Voetnoot 11
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1921, r.o. 7.2.
Voetnoot 12
Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1148, r.o. 8.2.
Voetnoot 13
Artikel 3:49 van de Awb.
Voetnoot 14
Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, r.o. 11 en 11.2.
Voetnoot 15
Dit is in strijd met artikel 7:12 van de Awb.
Voetnoot 16
Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.