Bestuursrecht overig

[verzoeker] heeft de Afdeling bestuursrechtspraak verzocht om herziening van haar uitspraak van 24 december…

Zaakgegevens

Op 3 maart 2026 heeft de Raad van State in een herzieningsprocedure uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
3 maart 2026
Datum publicatie
6 maart 2026
Zaaknummer
202600206/1/A2
Procedure
Herziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1293
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

[verzoeker] heeft de Afdeling bestuursrechtspraak verzocht om herziening van haar uitspraak van 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6215. In die uitspraak heeft de Afdeling het beroep van [verzoeker] tegen de beslissing van het college van beroep voor de examens van de Technische Universiteit Eindhoven (CBE) van 8 september 2025 ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

202600206/1/A2.

Datum uitspraak: 3 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het verzoek van:

[verzoeker], wonend in [woonplaats],

verzoeker,

om herziening (artikel 8:119 van de Awb) van de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2025, in zaak nr. 202505346/1/A2.

Openbare zitting gehouden op 3 maart 2026 om 14:30 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad: mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: mr. P.A. de Vink

Verschenen:

[verzoeker]

[verzoeker] heeft de Afdeling verzocht om herziening van haar uitspraak van 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6215. In die uitspraak heeft de Afdeling het beroep van [verzoeker] tegen de beslissing van het college van beroep voor de examens van de Technische Universiteit Eindhoven (CBE) van 8 september 2025 ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Beslissing

De Afdeling wijst het verzoek af.

Motivering

Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb luidt:

"De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden."

Het bijzondere rechtsmiddel van herziening kan niet worden gebruikt om het geschil, waarover bij uitspraak is beslist, opnieuw aan de rechter voor te leggen. Ook is dit rechtsmiddel niet bedoeld om een partij de gelegenheid te bieden om argumenten, die in een eerdere procedure naar voren zijn gebracht of hadden kunnen worden gebracht, opnieuw of alsnog naar voren te brengen en daarmee het debat te heropenen, nadat is gebleken dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft [verzoeker] over de uitspraak van 24 december 2025 geen feiten of omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Wat [verzoeker] aanvoert heeft hij ook aangevoerd in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 18 december 2025, in zaak nr. 202505346/3/A2, ECLI:NL:RVS:2025:6231, over zijn wrakingsverzoek in zaak nr. 202505346/1/A2. Het verzoek om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2025 wordt daarom afgewezen.

Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.

w.g. Van Altena

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Vink

griffier

154-1190