Bestuursrecht overig

[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die primair inhoudt…

Zaakgegevens

Op 24 februari 2022 heeft de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24 februari 2022
Datum publicatie
28 februari 2022
Zaaknummer
202006125/2/A3
Procedure
Mondelinge uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RVS:2022:611
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die primair inhoudt dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wordt verplicht om hem binnen een week inzage te verlenen in de IP-adressen die van hem worden verwerkt. Voorts verzoekt [verzoeker] - indien hem geen inzage binnen een week kan worden gegeven - om het college op te dragen geen logbestanden te vernietigen van systemen waarin zijn gegevens kunnen voorkomen totdat inzage is gegeven.

Uitspraak

202006125/2/A3.

Datum uitspraak: 24 februari 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te Den Haag,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 oktober 2020 in zaak nr. 19/6782 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Openbare zitting gehouden op 24 februari 2022 om 11:00 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. C.H.M. van Altena, voorzieningenrechter

griffier: mr. B. Ley-Nell

Verschenen:

-        [verzoeker];

-        Het college - via videoverbinding- , vertegenwoordigd door mr. G. Broekhuis, jurist, en R. Schoenmaker, security officer, bijgestaan door mr. L. Groeneveld, advocaat te Den Haag.

[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die primair inhoudt dat het college wordt verplicht om hem binnen een week inzage te verlenen in de IP-adressen die van hem worden verwerkt. Voorts verzoekt [verzoeker] - indien hem geen inzage binnen een week kan worden gegeven - om het college op te dragen geen logbestanden te vernietigen van systemen waarin zijn gegevens kunnen voorkomen totdat inzage is gegeven.

De voorzieningenrechter

I.        wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen als volgt toe;

II.       bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat bij de gemeente Den Haag tot 22 maart 2022 geen vernietiging plaatsvindt van logbestanden waarin IP-adressen van [verzoeker] zouden kunnen voorkomen;

III.      wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen voor het overige af.

Daartoe wordt het volgende overwogen.

Gebleken is dat het niet mogelijk is om [verzoeker] binnen een week inzage te verlenen in de IP-adressen die bij de gemeente Den Haag van hem worden verwerkt. Ter zitting is door het college toegezegd dat [verzoeker] vóór 22 maart 2022 inzage zal worden verstrekt in de drie door [verzoeker] aangekruiste systemen van de gemeente Den Haag waarin zijn IP-adressen zijn verwerkt. [verzoeker] heeft daarmee ingestemd.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen 

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

597