Bestuursrecht overig

In het besluit van 13 maart 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tynaarlo aan [verzoeker…

Raad van State, 22 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 22 oktober 2026 heeft de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22 oktober 2026
Datum publicatie
26 oktober 2026
Zaaknummer
202602853/2/R3
Procedure
Mondelinge uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:6258
E-mail

Samenvatting

In het besluit van 13 maart 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tynaarlo aan [verzoeker A] en [verzoeker B] een last onder dwangsom opgelegd om de grondwal op het perceel behorend bij de [locatie] in Zeijen, te verwijderen en verwijderd te houden.

Uitspraak

202602853/2/R3.

Datum uitspraak: 22 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker A] en [verzoeker B], wonend in Zeijen, gemeente Tynaarlo,

verzoekers,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 28 juli 2026 in zaak nr. 26/980 in het geding tussen:

en

het college van burgemeester en wethouders van Tynaarlo.

Openbare zitting gehouden op 22 oktober 2026 om 13:00 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. A. ten Veen, voorzieningenrechter

griffier: mr. F.R. Schadd

Verschenen:

[verzoeker A] en [verzoeker B], bijgestaan door mr. A. Kwint, advocaat in Groningen;

Het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.F. Nuijens en mr. B.M. Stuart, beiden advocaat in Groningen, vergezeld door mr. H.J. Griede.      

====================================

In het besluit van 13 maart 2025 heeft het college aan [verzoeker A] en [verzoeker B] een last onder dwangsom opgelegd om de grondwal op het perceel behorend bij de [locatie] in Zeijen, te verwijderen en verwijderd te houden.

In het besluit van 26 augustus 2025 heeft het college de opgelegde last onder dwangsom gewijzigd en aanvullend gemotiveerd.

In het besluit van 16 maart 2026 heeft het college het door [verzoeker A] en [verzoeker B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

In de uitspraak van 28 juli 2026 heeft de rechtbank het door [verzoeker A] en [verzoeker B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [verzoeker A] en [verzoeker B] hoger beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter ook gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter:

I.        wijst het verzoek toe;

II.       schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 13 maart 2025, kenmerk 1445032, en het besluit op bezwaar van 16 maart 2026, kenmerk 1664299, beide van het college van burgemeester en wethouders van Tynaarlo;

III.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Tynaarlo tot vergoeding van bij [verzoeker A] en [verzoeker B] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

IV.     gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Tynaarlo aan [verzoeker A] en [verzoeker B] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Gronden:

De voorzieningenrechter beperkt zich tot een belangenafweging.

Naar het oordeel van de vosorzieningenrechter wegen de belangen van [verzoeker A] en [verzoeker B] bij het niet hoeven verwijderen van de grondwal op hun perceel in afwachting van de uitspraak op het hoger beroep, in dit geval zwaarder dan de belangen van het college bij het op korte termijn voldoen aan de last. Het is de voorzieningenrechter verder ook niet gebleken dat andere belangen, waaronder die van de omwonenden, bij het voldoen aan de last zo dringend zijn dat de uitspraak op het hoger beroep niet kan worden afgewacht.

Het college moet de proceskosten vergoeden.

w.g. Ten Veen

voorzieningenrechter

w.g. Schadd

griffier

1076