Bestuursrecht overig

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West-­Brabant van 3 maart 2023…

Raad van State, 9 oktober 2024

Zaakgegevens

Op 9 oktober 2024 heeft de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
9 oktober 2024
Datum publicatie
17 oktober 2024
Zaaknummer
202302201/1/A3
Procedure
Mondelinge uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:4196
E-mail

Samenvatting

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West-­Brabant van 3 maart 2023, waarin de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van de minister van Defensie van 11 november 2021 ongegrond heeft verklaard. In dat besluit heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 4 juni 2021, waarbij is beslist op het verzoek van [appellant] om inzage van zijn persoonsgegevens, ongegrond verklaard.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 28 augustus 2023

    ECLI:NL:RBZWB:2023:6126
  2. Raad van State · 9 oktober 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2024:4196

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202302201/1/A3.

Datum uitspraak: 9 oktober 2024

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­West­Brabant van 3 maart 2023 in zaak nr. 21/5587 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Defensie.

Openbare zitting gehouden op 9 oktober 2024 om 12:15 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. W. den Ouden, voorzitter

Griffier: mr. F.B. van der Maesen de Sombreff

Jurist: mr. R.F.I de Lange

Verschenen:

De minister, vertegenwoordigd door F. Eftekhari.

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-­West-­Brabant van 3 maart 2023, waarin de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van de minister van 11 november 2021 ongegrond heeft verklaard. In dat besluit heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 4 juni 2021, waarbij is beslist op het verzoek van [appellant] om inzage van zijn persoonsgegevens, ongegrond verklaard.

Beslissing:

De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.

Motivering:

- De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de minister het verzoek van [appellant] heeft mogen aanmerken als een verzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming.

- De rechtbank is er terecht van uitgegaan dat  - anders dan [appellant] betoogt -de minister in het besluit van 4 juni 2021 heeft beslist op het verzoek.

- In wat [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat dat besluit rechtens onjuist zou zijn. De Afdeling volgt hierin de uitspraak van de rechtbank.

- Het hoger beroep is ongegrond.

De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

w.g. Den Ouden

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van der Maesen de Sombreff

griffier

190-1114