Bestuursrecht overig
Bij besluit van 20 april 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders een verzoek van [appellant] om…
ECLI:NL:RVS:2026:3307 · Raad van State · 3 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/mondelinge-uitspraak/ecli-nl-rvs-2026-3307
Zaakgegevens
Op 3 juni 2026 heeft de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 3 juni 2026
- Datum publicatie
- 9 juni 2026
- Zaaknummer
- 202406186/1/A3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Bestuursrecht overig
- Procedure
- Mondelinge uitspraakMondelinge uitspraakDe rechter doet direct aan het eind van de zitting uitspraak; die wordt vastgelegd in een proces-verbaal.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3307
Samenvatting
Bij besluit van 20 april 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders een verzoek van [appellant] om hem in te schreven in de basisregistratie personen afgewezen, omdat [appellant] geen rechtmatig verblijf geniet. Bij besluit van 13 september 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 27 augustus 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De Afdeling is van oordeel dat het college wel aan zijn vergewisplicht heeft voldaan. Het college heeft immers meermaals aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) gevraagd of [appellant] rechtmatig verblijf heeft. Volgens de IND was daarvan steeds geen sprake. De vergewisplicht gaat niet zo ver dat het college naar iedere mogelijke grond voor rechtmatig verblijf moet vragen.
Uitspraak
202406186/1/A3.
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Zwolle,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 27 augustus 2024 in zaak nr. 23/1918 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle.
Openbare zitting gehouden op 3 juni 2026 om 12:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. N. Verheij, voorzitter
Staatsraad mr. M.C. Stoové, lid
Staatsraad mr. J.A.W. Huijben, lid
griffier: mr. A.G.L. Soetens
Verschenen:
[appellant], vertegenwoordigd door mr. Y. Seyran, advocaat in Arnhem;
het college, vertegenwoordigd door A.J. Jaspers en M. van de Streek-van der Linde.
Bij besluit van 20 april 2023 heeft het college een verzoek van [appellant] om hem in te schreven in de basisregistratie personen afgewezen, omdat [appellant] geen rechtmatig verblijf geniet. Bij besluit van 13 september 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 27 augustus 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Beslissing:
De Afdeling
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden:
• Tijdens de zitting van de Afdeling is vastgesteld dat het hoger beroep van [appellant] zich beperkt tot het betoog dat het college niet heeft voldaan aan de vergewisplicht.
• De Afdeling is van oordeel dat het college wel aan zijn vergewisplicht heeft voldaan. Het college heeft immers meermaals aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) gevraagd of [appellant] rechtmatig verblijf heeft. Volgens de IND was daarvan steeds geen sprake. De vergewisplicht gaat niet zo ver dat het college naar iedere mogelijke grond voor rechtmatig verblijf moet vragen.
• Het hoger beroep is ongegrond.
w.g. Verheij
voorzitter
w.g. Soetens
griffier
1072