Bestuursrecht overig

[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 september 2025. Een…

Raad van State, 15 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 15 oktober 2026 heeft de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15 oktober 2026
Datum publicatie
15 oktober 2026
Zaaknummer
202505290/2/R4
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:6116
E-mail

Samenvatting

[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 september 2025. Een hoger beroep wordt ingevolge artikel 8:41, vierde, vijfde en zesde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb niet-ontvankelijk verklaard als betaling van het griffierecht niet heeft plaatsgevonden binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de indiener van een beroepschrift is gewezen op het moeten betalen van het griffierecht, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [appellante] heeft in haar hogerberoepschrift gesteld niet in staat te zijn om het verschuldigde griffierecht te betalen. Naar aanleiding hiervan is haar bij brief van 19 november 2025 de gelegenheid geboden nadere gegevens te verstrekken binnen twee weken na dagtekening van deze brief. Verder is in deze brief vermeld dat als [appellante] van deze gelegenheid geen gebruik maakt, het beroep op betalingsonmacht niet inhoudelijk zal worden beoordeeld en zal worden overgegaan tot heffing van het griffierecht.

Uitspraak

202505290/2/R4.

Datum uitspraak: 15 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) op het hoger beroep van:

[appellante], woonplaats onbekend,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 september 2025 in zaak nr. 24/1039 in het geding tussen:

[partij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel.

Procesverloop

[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 september 2025.

Overwegingen

1.       De bepalingen van de Awb die in deze zaak van toepassing zijn luiden:

Artikel 8:41, eerste lid: "Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven."

Artikel 8:41, vierde lid: "De griffier deelt de indiener van het beroepschrift mede welk griffierecht is verschuldigd en wijst hem daarbij op het bepaalde in het vijfde en zesde lid."

Artikel 8:41, vijfde lid: "Het griffierecht dient binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort."

Artikel 8:41, zesde lid: "Indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest."

Artikel 8:108, eerste lid: "Voor zover in deze titel niet anders is bepaald, zijn op het hoger beroep de titels 8.1 tot en met 8.3 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8:1 tot en met 8:10. 8:41, tweede lid, en 8:74."

2.       Een hoger beroep wordt ingevolge artikel 8:41, vierde, vijfde en zesde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb niet-ontvankelijk verklaard als betaling van het griffierecht niet heeft plaatsgevonden binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de indiener van een beroepschrift is gewezen op het moeten betalen van het griffierecht, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.       [appellante] heeft in haar hogerberoepschrift gesteld niet in staat te zijn om het verschuldigde griffierecht te betalen. Naar aanleiding hiervan is haar bij brief van 19 november 2025 de gelegenheid geboden nadere gegevens te verstrekken binnen twee weken na dagtekening van deze brief. Verder is in deze brief vermeld dat als [appellante] van deze gelegenheid geen gebruik maakt, het beroep op betalingsonmacht niet inhoudelijk zal worden beoordeeld en zal worden overgegaan tot heffing van het griffierecht. [appellante] heeft niet binnen de gestelde termijn gereageerd.

Per aangetekend verzonden brief van 4 februari 2026 is [appellante] medegedeeld dat het te betalen griffierecht uiterlijk op 4 maart 2026 moet zijn betaald. Ook is vermeld dat, als het te betalen griffierecht niet op de vermelde datum is ontvangen, [appellante] ervan moet uitgaan dat alleen al daarom niet-ontvankelijkverklaring zal volgen en dat haar zaak dan niet inhoudelijk wordt behandeld. Deze brief is retour gekomen. Uit onderzoek is gebleken dat [appellante] geen bekend woon- of verblijfadres heeft. De Afdeling is niet in staat om de in de brief van 4 februari 2026 genoemde informatie aan [appellante] te verstrekken.

Het griffierecht is niet betaald. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellante] in verzuim is geweest.

4.       Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

5.       De proceskosten hoeven niet te worden vergoed.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. H. Benek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Klingers, griffier.

w.g. Benek

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Klingers

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026

341

Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van de Awb).

-         Verzet moet schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak worden gedaan.

-         In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met wat er in deze uitspraak staat.

-         Als de indiener over het verzet door de Afdeling wil worden gehoord, moet dit in het verzetschrift worden gevraagd. De zitting gaat dan alleen over de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak waartegen uw verzet is gericht.