Bestuursrecht overig

Bij uitspraak van 13 juni 2005, verzonden op 17 juni 2005, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank)…

Raad van State, 15 februari 2006

Zaakgegevens

Op 15 februari 2006 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15 februari 2006
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
200505688/2
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2006:AV2219
E-mail

Samenvatting

Bij uitspraak van 13 juni 2005, verzonden op 17 juni 2005, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door verzoekster tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Epe (hierna: het college) van 23 juli 2004 ingesteld beroep ongegrond verklaard.

Uitspraak

200505688/2.

Datum uitspraak: 15 februari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 04/1174 van de rechtbank Zutphen van 13 juni 2005 in het geding tussen:

verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Epe.

1.    Procesverloop

Bij uitspraak van 13 juni 2005, verzonden op 17 juni 2005, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door verzoekster tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Epe (hierna: het college) van 23 juli 2004 ingesteld beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft verzoekster bij brief van 29 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2005, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 9 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 10 januari 2006, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 januari 2006, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. L.J. Steenbergen, advocaat te Epe, en het college, vertegenwoordigd door A. Oostwoud, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij uitspraak van heden, no. 200505688/1, heeft de Afdeling op het hoger beroep beslist. Derhalve is geen sprake meer van een geding. Het verzoek dient daarom als ongegrond te worden afgewezen.

2.2.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Huijben

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2006

313-499.