Bestuursrecht overig

Bij besluit van 23 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het…

Raad van State, 22 februari 2006

Zaakgegevens

Op 22 februari 2006 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22 februari 2006
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
200600560/2
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2006:AV2930
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 23 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) verzoekers onder aanzegging van bestuursdwang gelast binnen twee maanden na de verzending van dit besluit het [vaartuig] uit de wateren van de gemeente Amsterdam te verwijderen en verwijderd te houden.

Uitspraak

200600560/2.

Datum uitspraak: 22 februari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoekers], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/4948 en AWB 05/5193 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 28 december 2005 in het geding tussen:

verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) verzoekers onder aanzegging van bestuursdwang gelast binnen twee maanden na de verzending van dit besluit het [vaartuig] uit de wateren van de gemeente Amsterdam te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 1 juli 2005 heeft het college geweigerd verzoekers een ligplaatsvergunning als bedoeld in artikel 2.7 van de Verordening op de haven en het binnenwater 1995 (hierna: de verordening) te verlenen voor de "Bakvis".

Bij besluit van 4 oktober 2005 heeft het college de tegen voormelde besluiten door verzoekers gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 december 2005, verzonden op 2 januari 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam het daartegen door verzoekers ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben verzoekers bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 januari 2006, hoger beroep ingesteld.

Bij separate brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 januari 2006, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 februari 2006, waar [verzoeker] in persoon, bijgestaan door mr. A.E.F. Diemer, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Weijenberg, ambtenaar bij de dienst binnenwaterbeheer Amsterdam, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Het verzoek strekt ertoe dat het [vaartuig] niet hoeft te worden verwijderd tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing van de Afdeling op het door verzoekers ingestelde hoger beroep.

2.3.    De Voorzitter stelt voorop dat besluiten in het algemeen uitvoerbaar zijn, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Dit geldt temeer indien, zoals in dit geval, de rechter in eerste aanleg het besluit heeft getoetst en de aanschrijving in stand heeft gelaten.

2.4.    In hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht, is geen grond gelegen voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak, ertoe strekkende dat niet sprake is van watergebonden werkzaamheden of activiteiten als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, van de verordening, in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat verzoekers niet mochten worden aangeschreven.

2.5.    Gelet hierop dient het verzoek te worden afgewezen.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.I.M. Peute, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Peute

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2006

391.