Bestuursrecht overig
Bij besluit van 29 november 2011 heeft het college aan [vergunninghouder sub 1] en [vergunninghouder sub 2]…
Raad van State, 7 maart 2012
ECLI:NL:RVS:2012:BV9360 · Raad van State · 7 maart 2012
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rvs-2012-bv9360
Zaakgegevens
Op 7 maart 2012 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 maart 2012
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 201200553/2/A4
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2012:BV9360
Samenvatting
Bij besluit van 29 november 2011 heeft het college aan [vergunninghouder sub 1] en [vergunninghouder sub 2] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van de inrichting aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 8 december 2011 ter inzage gelegd.
Uitspraak
201200553/2/A4.
Datum uitspraak: 7 maart 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker] en anderen, allen wonend te [woonplaats], gemeente Bronckhorst,
verzoekers,
en
het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 29 november 2011 heeft het college aan [vergunninghouder sub 1] en [vergunninghouder sub 2] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van de inrichting aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 8 december 2011 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 januari 2012, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 27 januari 2012.
Bij eerstgenoemde brief hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 maart 2012, waar [verzoeker], [gemachtigden], bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. IJsseldijk en ing. R.W.A. te Plate, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij de invoering van de Wabo werden gewijzigd.
2.3. Ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening moet worden afgewezen, omdat geen spoedeisend belang aanwezig is.
2.3.1. De bij het bestreden besluit verleende vergunning ziet onder meer op de bouw van een nieuwe stal voor vleesvarkens en een luchtwasser voor drie bestaande stallen. Voor deze bouwactiviteiten is een vergunning nodig.
2.3.2. Ingevolge artikel 20.8 van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, treedt een besluit als hier aan de orde - waarin de vergunning betrekking heeft op het veranderen van een inrichting, dat tevens is aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet - niet eerder in werking dan nadat de betrokken bouwvergunning is verleend.
2.3.3. Vaststaat dat de voor de bouw van de nieuwe vleesvarkensstal vereiste vergunning nog niet is aangevraagd en dat voor deze bouw tevens een ontheffing van het geldende bestemmingsplan is vereist. Derhalve is het aannemelijk dat het geruime tijd zal duren voordat het bestreden besluit in werking kan treden. Gelet hierop is er geen onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Dat reeds is begonnen met de bouw van de luchtwasser voor de bestaande stallen maakt dit niet anders.
2.4. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van staat.
w.g. Wortmann w.g. Van Grinsven
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2012
462-720.