Bestuursrecht overig

Bij besluit van 27 februari 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een verzoek…

Raad van State, 4 september 2026

Zaakgegevens

Op 4 september 2026 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
4 september 2026
Datum publicatie
4 september 2026
Zaaknummer
202602605/3/A3
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5238
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 27 februari 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een verzoek om handhaving van de stichting afgewezen. De stichting heeft zich het bestrijden van een overdaad aan reclame-uitingen die gericht zijn op, of zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, alsmede het zich inzetten voor een reclameregelgeving passend bij de schoonheid van onze steden en landschappen ten doel gesteld. Zij heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen digitale wisselende reclamebeelden in abri’s die JCDecaux Nederland commercieel exploiteert. Het college heeft het verzoek afgewezen omdat er geen overtreding is. De rechtbank is het daarmee eens. De stichting heeft de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat in de abri’s geen periodiek wisselende, maar alleen statische reclamebeelden worden vertoond, totdat op het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

202602605/3/A3.

Datum uitspraak: 4 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:

Stichting Werkgroep Buitenreclame, gevestigd in Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 juli 2026 in zaak nr. 25/5358 in het geding tussen:

de stichting

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2025 heeft het college een verzoek om handhaving van de stichting afgewezen.

Bij besluit van 21 augustus 2025 heeft het college het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 juli 2026 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.

Ook heeft de stichting de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1.       De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.

2.       De stichting heeft zich het bestrijden van een overdaad aan reclame-uitingen die gericht zijn op, of zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, alsmede het zich inzetten voor een reclameregelgeving passend bij de schoonheid van onze steden en landschappen ten doel gesteld. Zij heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen digitale wisselende reclamebeelden in abri’s die JCDecaux Nederland commercieel exploiteert.

Het college heeft het verzoek afgewezen omdat er geen overtreding is. De rechtbank is het daarmee eens.

3.       De stichting heeft de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat in de abri’s geen periodiek wisselende, maar alleen statische reclamebeelden worden vertoond, totdat op het hoger beroep is beslist.

4.       De voorzieningenrechter is na afweging van alle betrokken belangen van oordeel dat er geen zodanig spoedeisend belang bestaat dat dat het oordeel in de bodemzaak niet kan worden afgewacht. In 2012 hebben het college en JCDecaux Nederland een overeenkomst gesloten over de exploitatie van onder meer abri’s in de gemeente Amsterdam. In 2021 hebben zij een aanvullende overeenkomst gesloten, op grond waarvan sindsdien in 41 abri’s op vijf locaties op digitale schermen wisselende reclamebeelden worden vertoond. Het straatbeeld ter plaatse is dus al sinds 2021 zo. Deze situatie is niet onomkeerbaar, terwijl aannemelijk is dat het college en JCDecaux Nederland belang hebben bij een blijvende uitvoering van hun overeenkomst. Daarbij komt dat een schorsing van het besluit van 27 februari 2025 niet zinvol is, omdat dan nog niet handhavend wordt opgetreden. De voorzieningenrechter acht een voorziening waarin het college wordt opgedragen handhavend op te treden, daargelaten of daarvoor grond bestaat, gelet op de betrokken belangen te verstrekkend.

5.       Het verzoek moet worden afgewezen.

6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.

w.g. Willems

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Konings

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026

612