Omgevingsrecht

Bij besluit van 29 juli 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht een…

Raad van State, 14 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 14 oktober 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Datum publicatie
14 oktober 2026
Zaaknummer
202403895/1/R1
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:6068
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 29 juli 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van de nokhoogte van het bijgebouw aan de [locatie 1]. Het college heeft aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van de nokhoogte met een hoogte van 6,20 meter van een bijgebouw aan de [locatie 1] in Maastricht. [appellant sub 2] woont op het naburige perceel [locatie 2] en [appellante sub 1] was mede-eigenaresse van dit perceel. Volgens de erven van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] is de nokhoogte van het bijgebouw aan de [locatie 1] meermaals verhoogd en zorgt dit voor een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat voor de bewoner(s) van het perceel [locatie 2]. Ook is volgens hen om verschillende redenen niet voldaan aan de redelijke eisen van welstand. te Maastricht.

Uitspraak

202403895/1/R1.

Datum uitspraak: 14 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de erven van [appellante sub 1], wonend in Maastricht,

2. [appellant sub 2], wonend in Maastricht,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 mei 2024 in zaken nrs. 21/1493 en 21/1507 in het geding tussen:

[appellante sub 1] en [appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht.

Procesverloop

Bij besluit van 29 juli 2020 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van de nokhoogte van het bijgebouw aan de [locatie 1] te Maastricht.

Bij afzonderlijke besluiten van 20 april 2021 heeft het college de door [appellante sub 1] en [appellant sub 2] daartegen afzonderlijk gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 mei 2024 heeft de rechtbank de door [appellant sub 2] en [appellant sub 2] daartegen afzonderlijk ingestelde beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en de rechtsgevolgen van de besluiten in stand gelaten.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante sub 1] en [appellant sub 2] afzonderlijk hoger beroep ingesteld. Na het instellen van het hoger beroep is [appellante sub 1] overleden. Dit hoger beroep wordt voortgezet door de erven van [appellante sub 1].

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2026. Het college, vertegenwoordigd door mr. C.M.J.J. Opbroek-Erdkamp en G.E.H. Smeets, heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 5 april 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Het college heeft aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van de nokhoogte met een hoogte van 6,20 meter van een bijgebouw aan de [locatie 1] in Maastricht. [appellant sub 2] woont op het naburige perceel [locatie 2] en [appellante sub 1] was mede-eigenaresse van dit perceel. Volgens de erven van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] is de nokhoogte van het bijgebouw aan de [locatie 1] meermaals verhoogd en zorgt dit voor een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat voor de bewoner(s) van het perceel [locatie 2]. Ook is volgens hen om verschillende redenen niet voldaan aan de redelijke eisen van welstand.

3.       De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, vanwege een tweetal gebreken in de besluitvorming. De rechtbank heeft de besluiten op bezwaar daarom vernietigd, maar zij heeft de rechtsgevolgen van die besluiten in stand gelaten. Ten eerste heeft het college naar het oordeel van de rechtbank niet afdoende gemotiveerd waarom het de hoogte van het aansluitend afgewerkte maaiveld heeft bepaald zoals het dat heeft gedaan. De door het college vastgestelde nokhoogte van 6,20 meter was naar haar oordeel onvoldoende onderbouwd. Volgens de rechtbank mocht het college het bouwplan, ook met een nokhoogte van 6,37 meter zoals door de erven van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] aangegeven, echter ruimtelijk aanvaardbaar achten. Ten tweede heeft het college volgens de rechtbank bij de beoordeling van de vergunningaanvraag ten onrechte niet getoetst aan het Bouwbesluit 2012. De rechtbank heeft evenwel geoordeeld dat het achteraf uitvoeren van een toets er niet toe kan leiden dat aannemelijk wordt dat niet aan het Bouwbesluit 2012 kan worden voldaan. Het Bouwbesluit 2012 kent namelijk geen normen over het verhogen van de nokhoogte. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] kunnen zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank om de rechtsgevolgen in stand te laten en zij hebben daarom hoger beroep ingesteld.

Op de zitting van de Afdeling heeft het college laten weten dat het inmiddels voor juist houdt dat de vergunde nokhoogte 6,37 meter bedraagt. Gelet daarop gaat ook de Afdeling in deze procedure uit van die nokhoogte.

Toetsingskader

4.       Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo is het toetsingskader voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen van een bouwwerk’. Dat is een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Toetsen aan artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo houdt in dat het college uitsluitend moet beoordelen of zich één van de in dat artikel opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dat niet het geval is, dan moet het de gevraagde vergunning verlenen. Als dat wel zo is, dan moet het de gevraagde vergunning weigeren. Het college heeft daarbij dus geen ruimte om een belangenafweging te maken.

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo moet de vergunning onder meer worden geweigerd als het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Het tweede lid van artikel 2.10 van de Wabo bepaalt dat de aanvraag in dat geval ook wordt aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor de activiteit ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’. Dan gaat het dus ook om een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo kan een aanvraag die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking.

Het bestemmingsplan

5.       Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Itteren-Borgharen". Het perceel heeft daarin de bestemming "Wonen".

Artikel 14.2.4, aanhef en onder h, van de planregels luidt: "Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende bepalingen: de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 meter."

Artikel 26, aanhef en onder a, van de planregels luidt: "Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken: van de in deze regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages."

Het beroep van de erven van [appellante sub 1]

- Aantasting woon- en leefklimaat

6.       De erven van [appellante sub 1] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een overschrijding van 37 centimeter van de nokhoogte niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat vanwege schaduwtoename op het naastgelegen perceel. Op de zitting bij de rechtbank is door het college bevestigd dat het uitgevoerde bezonningsonderzoek uitgaat van een verhoging van 20 centimeter en niet van 37 centimeter. Volgens de erven van [appellante sub 1] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat een verdubbeling van de invoerhoogte per definitie niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. Volgens hen kan dit niet worden aangenomen op grond van een onjuist uitgevoerd bezonningsonderzoek.

Ook voeren de erven van [appellante sub 1] aan dat het bezonningsonderzoek ondeugdelijk is. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben de erven van [appellante sub 1] foto’s aangeleverd. Hoewel het volgens hen op de weg van het college ligt om een nieuw bezonningsonderzoek aan te leveren, overwoog [appellante sub 1] ten tijde van het indienen van de gronden van het hoger beroep om zelf een deskundige in te schakelen.

6.1.    De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan ook met een nokhoogte van 6,37 meter ruimtelijk aanvaardbaar is uit een oogpunt van woon- en leefklimaat voor het perceel [locatie 2]. Zoals door de rechtbank met partijen is vastgesteld blijft ook een nokhoogte van 6,37 meter binnen de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid uit artikel 26 van de planregels. Dat het bezonningsonderzoek uitgaat van een verhoging van 20 centimeter en niet van 37 centimeter, betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat het bezonningsonderzoek onvoldoende inzicht geeft in de gevolgen van schaduwhinder op het naburige perceel. De rechtbank heeft terecht overwogen dat een verhoging van maximaal 20 centimeter een zodanig beperkt effect heeft op de bezonning op het naburige perceel, dat zelfs een (bijna) verdubbeling in dit geval geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat oplevert. Hierbij acht de Afdeling van belang dat het bestemmingsplan al een nokhoogte van 6 meter bij recht toestaat en dat enige schaduwvorming op het naburige perceel al inherent is aan deze toegestane nokhoogte.

Verder volgt de Afdeling niet het standpunt van de erven van [appellante sub 1] dat het bezonningsonderzoek anderszins ondeugdelijk is. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het bezonningsonderzoek deugdelijk is uitgevoerd en dat de door de erven van [appellante sub 1] overgelegde foto’s geen voldoende tegenbewijs opleveren. De erven van [appellante sub 1] hebben geen contra-expertise aangeleverd waaruit volgt dat het oordeel van de rechtbank voor onjuist moet worden gehouden. Gelet hierop kan wat de erven van [appellante sub 1] op dit punt aanvoeren niet leiden tot een (gedeeltelijke) vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Het betoog slaagt niet.

- Redelijke eisen van welstand

7.       De erven van [appellante sub 1] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich op de door de Welstands- Monumentencommissie (commissie) uitgebrachte adviezen mocht baseren en tot het oordeel mocht komen dat voldaan is aan de redelijke eisen van welstand. Hiertoe voeren zij aan dat in beide adviezen is uitgegaan van een overschrijding van 16 centimeter van de bij recht toegestane hoogte van 6 meter, terwijl van een overschrijding van 37 centimeter moet worden uitgegaan. Volgens de erven van [appellante sub 1] is dit in strijd met artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Ook kunnen de erven van [appellante sub 1] zich niet vinden in de conclusie uit de adviezen die luidt dat de verhoging van de nokhoogte passend is gelet op het karakter van de omliggende panden en de diversiteit aan bebouwing in de straat. Volgens de erven van [appellante sub 1] komt nergens in de Pasestraat een bijgebouw voor met een vergelijkbare hoogte aan de straatzijde, laat staan met een dusdanig klein verschil tussen het hoofd- en bijgebouw als in dit geval aan de orde is.

Verder betogen de erven van [appellante sub 1] dat niet aan alle relevante criteria die gelden voor het onderhavige "H2 gebied" is getoetst en dat de criteria onjuist zijn getoetst. Ten eerste ontbreekt volgens hen een uit het oogpunt van welstandzorg passend ontwerp, of volgt uit de toetsing niet dat hier sprake van is geweest. Ten tweede staat ten onrechte in het advies dat de karakteristiek van de omliggende panden niet wordt verstoord, terwijl uit de criteria volgt dat de karakteristiek van de bebouwing op elkaar moet aansluiten, wat volgens de erven van [appellante sub 1] een andere toets is.

Bovendien heeft de rechtbank volgens de erven van [appellante sub 1] ten onrechte geconcludeerd dat het bijgebouw in overeenstemming is met de redelijke eisen van welstand, omdat volgens de rechtbank de Afdeling in haar uitspraak van 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2026 heeft geoordeeld dat een bijgebouw aan de [locatie 1] van bijna een halve meter lager dat ook is.

Ten slotte betogen de erven van [appellante sub 1] dat de rechtbank ten onrechte waarde heeft gehecht aan het feit dat de door [appellante sub 1] in de beroepsprocedure overgelegde contra-expertise gaat over het hele bijgebouw en niet alleen over de verhoging.

7.1.    De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college zich heeft mogen baseren op de welstandsadviezen en zich hiermee op standpunt heeft mogen stellen dat voldaan is aan de redelijke eisen van welstand.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen toetst de commissie het bouwplan aan de hand van de criteria in de welstandsnota aan redelijke eisen van welstand en heeft de commissie zich daarbij in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt, dan wel, indien het bouwplan daarvan afwijkt, die waaraan het college planologische medewerking wenst te verlenen. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2026, onder 3.4, die tevens door de rechtbank is aangehaald. In die zaak lag de omgevingsvergunning van 8 juli 2014 voor onder meer het renoveren van het bijgebouw aan de [locatie 1] ter beoordeling. In deze uitspraak heeft de Afdeling onder meer overwogen dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat het bouwplan niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand. De nokhoogte kon hierbij geen aanleiding vormen voor een negatief welstandsadvies.

Gelet op de bereidheid van het college in de onderliggende procedure om voor de nokhoogte een omgevingsvergunning te verlenen dient voor de beoordeling van het aspect "welstand" ook in deze procedure de nokhoogte te worden gerespecteerd en kan dit geen grond vormen voor een negatief welstandsadvies. Voor zover de erven [appellante sub 1] stellen dat in de adviezen van een onjuiste nokhoogte is uitgegaan en dat deze nokhoogte niet is getoetst aan redelijke eisen van welstand, kan dit dan ook niet leiden tot het oordeel dat het college zich niet heeft mogen baseren op de welstandsadviezen en hiermee niet tot het oordeel mocht komen dat aan de redelijke eisen van welstand is voldaan. Wat de erven van [appellante sub 1] voor het overige aanvoeren leidt niet tot een ander oordeel.

Het betoog slaagt niet.

Het hoger beroep van [appellant sub 2]

- Aantasting woon- en leefklimaat

8.       [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank, onder 20.7 van de aangevallen uitspraak, ten onrechte heeft geoordeeld dat, ondanks dat in de besluiten niet de correcte nokhoogte van het bijgebouw is opgenomen, de verleende vergunning in stand kan blijven. Volgens [appellant sub 2] zijn de gevolgen van deze nokhoogte niet onderzocht en kan daarom niet worden geconcludeerd dat deze nokhoogte geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat ten gevolge heeft. Er had volgens [appellant sub 2] en nieuw bezonningsonderzoek moeten worden uitgevoerd en omdat de rechtbank dit niet heeft onderkend, is de uitspraak volgens hem in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

Ten slotte heeft [appellant sub 2] zich in de brief waarmee hij de gronden van zijn hoger beroep heeft ingediend, het recht voorbehouden om zelf een bezonningsonderzoek uit te laten voeren.

8.1.    Onder 6.1 van deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan ook met een nokhoogte van 6,37 meter ruimtelijk aanvaardbaar is. Voor een onderbouwing van dit oordeel verwijst de Afdeling naar wat is overwogen onder 6.1. Wat [appellant sub 2] hierover aanvoert maakt niet dat tot een ander oordeel moet worden gekomen. Hierbij merkt de Afdeling op dat ook [appellant sub 2] geen contra-expertise heeft aangeleverd waaruit volgt dat het oordeel van de rechtbank voor onjuist moet worden gehouden.

Het betoog slaagt niet.

- Onterecht niet getoetst aan Bouwbesluit 2012

9.       [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank, onder 10.1 van de aangevallen uitspraak, niet heeft onderkend dat het ontbreken van een toets aan het Bouwbesluit 2012 een reden vormt om de omgevingsvergunning te herroepen. Volgens [appellant sub 2] heeft de verhoging van de nokhoogte te maken met het aanbrengen van dakisolatie en kent het Bouwbesluit 2012 hier diverse normen voor. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst [appellant sub 2] naar het advies van de Welstands- Monumentencommissie waarin staat dat een minimale ophoging als gevolg van het isoleren van het pand het gevelbeeld niet wijzigt.

9.1.    De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het ontbreken van een toets aan het Bouwbesluit 2012 niet maakt dat de omgevingsvergunning moet worden herroepen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is bij de omgevingsvergunning van 8 juli 2014 voor de renovatie van het bijgebouw getoetst of aan de voorwaarden uit het Bouwbesluit 2012 is voldaan. De Afdeling heeft bij de uitspraak van 20 juli 2016 geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat die vergunning in stand kon blijven. Onder de voorwaarden uit het Bouwbesluit 2012 vallen ook voorwaarden voor isolatie. Naar aanleiding van het door [appellant sub 2] opgestarte handhavingstraject is geconstateerd dat de nokhoogte te hoog is uitgevallen en is dit door middel van een omgevingsvergunning gelegaliseerd. Gelet daarop moet worden aangenomen dat het aanbrengen van de dakisolatie bij de vergunningverlening voor de renovatie op zichzelf al is beoordeeld.

Voor zover de Welstands- en Monumentencommissie heeft aangegeven dat de verhoging is veroorzaakt door het aanbrengen van dakisolatie, maakt dit niet dat deze werkzaamheden niet al waren getoetst bij de vergunningverlening voor de renovatie. Verder heeft de rechtbank er terecht op gewezen dat het Bouwbesluit 2012 in relatie tot de verhoging van de nokhoogte met 37 centimeter geen relevante bepalingen kent. Gelet daarop volgt de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat het alsnog uitvoeren van een toets of aannemelijk is dat aan het Bouwbesluit 2012 kan worden voldaan, niet tot de conclusie kan leiden dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd. Om die reden heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er in dit opzicht geen grond is om het besluit waarbij de vergunning is verleend, te herroepen.

Het betoog slaagt niet.

- Strijd bebouwingsgerichte criteria uit de Welstandsnota

10.     [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met drie bebouwingsgerichte criteria op pagina 29 van de Welstandsnota "Maatwerk in kwaliteit", te weten:

(1) De bestaande bouwmassa is leidend bij veranderingen;

(2) Diversiteit in gevelwanden staat in relatie met de karakteristiek en de ontstaansperiode (van de bebouwing) van de omgeving;

(3) De bebouwingseenheden moeten individueel herkenbaar blijven.

In tegenstelling tot wat de rechtbank, onder 17.1 van de aangevallen uitspraak, heeft overwogen, moet volgens [appellant sub 2] het bijgebouw als geheel worden beoordeeld en niet alleen de verhoging. Volgens [appellant sub 2] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld vanuit juridisch oogpunt en niet vanuit het oogpunt van welstand.

10.1.  Onder 7.1 van deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college zich heeft mogen baseren op de welstandsadviezen en zich hiermee op standpunt heeft mogen stellen dat voldaan is aan de redelijke eisen van welstand. Voor een onderbouwing van dit oordeel verwijst de Afdeling naar wat is overwogen onder 7.1. Wat [appellant sub 2] hierover aanvoert maakt niet dat tot een ander oordeel moet worden gekomen.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

11.     De hoger beroepen zijn ongegrond. De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.

12.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Besselink

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Sparreboom

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026

195-1185