Vreemdelingenrecht

Het betrft een verzoek om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) van de…

Zaakgegevens

Op 22 december 2025 heeft de Raad van State in een herzieningsprocedure uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22 december 2025
Datum publicatie
22 december 2025
Zaaknummer
202504527/1/V3
Procedure
Herziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:6270
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Het betrft een verzoek om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) van de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, in zaak nr. 202503120/1/V3, ECLI:NL:RVS:2025:3367.

Uitspraak

202504527/1/V3.

Datum uitspraak: 22 december 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoekster],

verzoekster,

om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) van de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, in zaak nr. 202503120/1/V3, ECLI:NL:RVS:2025:3367.

Procesverloop

De Afdeling heeft met de hiervoor genoemde uitspraak van 23 juli 2025 het verzoek om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2272, afgewezen.

Bij brief van 24 juli 2025 heeft verzoekster, vertegenwoordigd door mr. S. Jankie, advocaat in Hoofddorp, de Afdeling verzocht om herziening van de uitspraak van 23 juli 2025.

Verzoekster heeft nadere stukken ingediend.

Overwegingen

1.       Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 2 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1407) wordt een verzoek om herziening van een uitspraak waarbij een verzoek om herziening is afgewezen, opgevat als een nieuw verzoek om herziening van de oorspronkelijke uitspraak. De Afdeling zal het verzoek om herziening daarom opvatten als een nieuw verzoek om herziening van de uitspraak van 21 mei 2025.

2.       De Afdeling kan onder omstandigheden een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van nieuwe feiten en omstandigheden (artikel 8:119, eerste lid, van de Awb). Dat kan alleen maar als er feiten of omstandigheden zijn van vóór de uitspraak, waar een verzoeker pas ná de uitspraak achter is gekomen. En dan hadden die omstandigheden ook nog tot een andere uitspraak moeten kunnen leiden, als de Afdeling er op tijd van had geweten. De redenen die verzoekster geeft in het herzieningsverzoek, namelijk dat zij wel bezwaar zou hebben gehad tegen een schriftelijke afdoening als zij had geweten dat haar beroep als eerste beroep moest worden aangemerkt, zijn niet zulke feiten of omstandigheden.

3.       De Afdeling wijst het verzoek af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Weber

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025

846-1122