Vreemdelingenrecht
Bij besluit van 16 april 2019 is aan de vreemdeling een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Deze…
ECLI:NL:RVS:2019:2421 · Raad van State · 17 juli 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2019-2421
Zaakgegevens
Op 17 juli 2019 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 17 juli 2019
- Datum publicatie
- 17 juli 2019
- Zaaknummer
- 201904684/1/V3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2019:2421
Samenvatting
Bij besluit van 16 april 2019 is aan de vreemdeling een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Deze maatregel is op 17 april 2019 beëindigd.
Uitspraak
201904684/1/V3.
Datum uitspraak: 17 juli 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 7 mei 2019 in zaak nr. NL19.8975 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 16 april 2019 is aan de vreemdeling een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Deze maatregel is op 17 april 2019 beëindigd.
De vreemdeling heeft zijn beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ingetrokken en de rechtbank verzocht de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
Bij uitspraak van 7 mei 2019 heeft de rechtbank het verzoek om proceskostenveroordeling afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Habib-Portier, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De uitspraak van de rechtbank gaat over een vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000; hierna: de Vw 2000). Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000). Dat onder de uitspraak ten onrechte staat dat wel hoger beroep kan worden ingesteld, verandert dat niet.
2. De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Steendijk w.g. Vos
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2019
644.