Vreemdelingenrecht
Bij besluit van 12 juni 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om opheffing van het…
ECLI:NL:RVS:2019:3613 · Raad van State · 28 oktober 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2019-3613
Zaakgegevens
Op 28 oktober 2019 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2019
- Datum publicatie
- 28 oktober 2019
- Zaaknummer
- 201902613/1/V3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2019:3613
Samenvatting
Bij besluit van 12 juni 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om opheffing van het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod afgewezen en de duur ervan verkort naar twee jaar.
Procesgang
Raad van State · 28 oktober 2019deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2019:3613
Uitspraak · 2019
ECLI:NL:RBDHA:2019:1793Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Uitspraak · 2019
ECLI:NL:RBDHA:2019:1794Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Uitspraak
201902613/1/V3.
Datum uitspraak: 28 oktober 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2019 in zaak nr. 18/5143 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 12 juni 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om opheffing van het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod afgewezen en de duur ervan verkort naar twee jaar.
Bij uitspraak van 27 februari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.K. Bhadai, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Het hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. De vreemdeling legt namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vreemdelingenwet 2000).
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Steendijk w.g. Van Meurs-Heuvel
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2019
47-888.