Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 11 maart 2020 is aan de vreemdeling een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd.

Zaakgegevens

Op 8 april 2020 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
8 april 2020
Datum publicatie
8 april 2020
Zaaknummer
202002222/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2020:1008
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 11 maart 2020 is aan de vreemdeling een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 27 maart 2020

    ECLI:NL:RBDHA:2020:2772
  2. Raad van State · 8 april 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2020:1008

    Niet bevoegd

Uitspraak

202002222/1/V3.

Datum uitspraak: 8 april 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 27 maart 2020 in zaak nr. NL20.6468 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2020 is aan de vreemdeling een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd.

Bij uitspraak van 27 maart 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.E. Groenenberg, advocaat te Nieuw-Vennep, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.    De uitspraak van de rechtbank gaat over een vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 56 van de Vw 2000). Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000). Dat onder de uitspraak ten onrechte staat dat wel hoger beroep kan worden ingesteld, verandert dat niet.

2.    De Afdeling is onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen;

II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Annen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2020

765.