Vreemdelingenrecht
Bij besluit van 18 mei 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de…
ECLI:NL:RVS:2022:1885 · Raad van State · 6 juli 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2022-1885
Zaakgegevens
Op 6 juli 2022 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 juli 2022
- Datum publicatie
- 6 juli 2022
- Zaaknummer
- 202203667/1/V3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2022:1885
Samenvatting
Bij besluit van 18 mei 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen.
Procesgang
Rechtbank Den Haag · 13 juni 2022
ECLI:NL:RBDHA:2022:12586Raad van State · 6 juli 2022deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2022:1885
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
202203667/1/V3.
Datum uitspraak: 6 juli 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellante], mede voor haar minderjarige kind,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 13 juni 2022 in zaak nr. NL22.9008 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 18 mei 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 13 juni 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C. Lucassen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De in de grieven opgeworpen rechtsvraag over wanneer de staatssecretaris een vreemdeling niet met toepassing van de Dublinverordening mag overdragen aan een andere lidstaat wegens een reëel risico dat die vreemdeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest wordt uitgezet naar het land van herkomst, heeft de Afdeling bij uitspraken van vandaag, ECLI:NL:RVS:2022:1862 en ECLI:NL:RVS:2022:1864, beantwoord. De algemene overwegingen van die uitspraken zijn ook in deze zaak van toepassing. Toepassing van die overwegingen op deze zaak, leidt tot het oordeel dat de rechtbank in dit geval terecht heeft overwogen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat het verschil tussen het Franse en het Nederlandse beschermingsbeleid voor Somalië zo evident en fundamenteel is dat zij door haar overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op refoulement. Uit die uitspraken volgt bovendien dat de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien om de zaak aan te houden in afwachting van de antwoorden op de prejudiciële vragen die over dit onderwerp gesteld zijn.
De grieven falen.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Verheij
voorzitter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2022
846