Vreemdelingenrecht
asiel, Zuid-Korea als veilig derde land, banden met en toegang tot Zuid-Korea, ongegrond
Rechtbank Den Haag, 24 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30513 · Rechtbank Den Haag · 24 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-30513
Zaakgegevens
Op 24 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 24 september 2026
- Datum publicatie
- 16 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.34335
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30513
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
asiel, Zuid-Korea als veilig derde land, banden met en toegang tot Zuid-Korea, ongegrond
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.34335
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J. Wieman).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft Zuid-Korea voor eiser terecht aangemerkt als een veilig derde land. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Het toepasselijke recht staat onder 3. Onder 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5 en verder. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of Zuid-Korea voor eiser kan worden aangemerkt als een veilig derde land. Aan het eind, onder 10, staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 juni 2026 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. Op deze zaak is het recht van toepassing zoals gold vóór 12 juni 2026, tenzij anders aangegeven. Het is besluit is weliswaar genomen ná 12 juni 2026, en daarmee na het van toepassing worden van het Asiel- en migratiepact, uit artikel 79, derde lid, van de Procedureverordening volgt echter dat de Procedureverordening van toepassing is op aanvragen die worden ingediend vanaf 12 juni 2026.
Achtergrond aanvraag en bestreden besluit
4. Eiser is op 3 juni 2026 via een vlucht vanuit Beijing Nederland ingereisd. Vervolgens heeft hij op 4 juni 2026 bij het aanmeldcentrum Schiphol een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. Omdat eiser niet beschikte over een geldig visum of een geldige verblijfsvergunning is hij in grensdetentie geplaatst. De toegangsweigering tot Nederland is daarmee uitgesteld dan wel opgeschort op grond van artikel 6 en artikel 14 van de Schengengrenscode, in samenhang met artikel 3, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
De minister heeft eisers asielaanvraag met het bestreden besluit van 17 juni 2026 niet-ontvankelijk verklaard omdat de minister aanneemt dat Zuid-Korea voor eiser kan worden aangemerkt als een veilig derde land.
Zuid-Korea veilig derde land voor eiser?
Beoordelingskader
5. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, kan de minister een asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaren indien een derde land voor de vreemdeling als veilig derde land wordt beschouwd. In artikel 3.106a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) zijn de toetsingscriteria neergelegd waaraan voldaan moet zijn. Ingevolge vaste rechtspraak dient de minister eerst te beoordelen of een vreemdeling een zodanige band heeft met het derde land, dat het voor hem of haar redelijk is om daar naar toe te gaan. Bij deze beoordeling worden alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het eerdere verblijf in dat land. De minister neemt in ieder geval aan dat de vreemdeling een zodanige band heeft met het derde land als de vreemdeling eerder in dat land heeft verbleven. De minister moet vervolgens beoordelen of het aannemelijk is dat de vreemdeling wordt toegelaten tot dat land. De minister moet aan de hand van informatie uit algemene bronnen of op grond van de verklaringen van eiser motiveren waarom het voor eiser mogelijk moet zijn om (weer) toegang te verkrijgen tot Zuid-Korea.
Tot slot moet de minister beoordelen of Zuid-Korea een veilig derde land voor eiser is. Daartoe dient de minister te beoordelen of de vreemdeling in het betreffende land volgens de beginselen, genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000 zal worden behandeld.
Betoog eiser
6. Eiser betoogt dat de minister Zuid-Korea voor hem ten onrechte heeft aangemerkt als een veilig derde land. Dat eiser twee jaar rechtmatig in Zuid-Korea heeft verbleven zonder dat hij is uitgezet naar Rusland, maakt namelijk niet dat hij veilig terug kan keren naar Zuid-Korea en dat hij daar een asielvergunning kan en zal verkrijgen. Eiser heeft in Zuid-Korea twee jaar in de asielprocedure gezeten zonder dat aan hem een verblijfsvergunning asiel is verleend. Ter onderbouwing verwijst eiser naar Informatiebericht (IB) 2025/46, waaruit volgt dat Zuid-Korea in zijn algemeenheid niet kan worden aangemerkt als veilig derde land. Reden hiervoor is dat er in de verslagperiode gevallen bekend zijn waarbij asielzoekers geen toegang tot de Zuid-Koreaanse asielprocedure is geboden. Ook is het inwilligingspercentage zeer laag. Eiser vreest daarom dat zijn asielaanvraag bij terugkeer naar Zuid-Korea niet inhoudelijk in behandeling zal worden genomen en evenmin zal worden ingewilligd. In de twee jaar dat eiser in Zuid-Korea verbleef is zijn asielaanvraag namelijk ook niet inhoudelijk in behandeling genomen. Daarbij weegt verder mee dat aan eiser is medegedeeld dat zijn rechtmatig verblijf na 19 september 2026 niet verlengd zal worden. Dat maakt dat eiser in Zuid-Korea geen perspectief heeft op het verkrijgen van een verblijfsvergunning. Terugkeer naar Zuid-Korea maakt dan ook dat eiser een reëel risico op indirect refoulement loopt. Hij moet mogelijk terugkeren naar Rusland waar eiser gevaar loopt. Verder stelt de minister zich ten onrechte op het standpunt dat eiser zich in Zuid-Korea staande kan houden omdat hem dit eerder ook is gelukt. In de tijd dat eiser in Zuid-Korea verbleef werkte hij zwart omdat hij niet aan een werkvergunning kon komen.
Banden met Zuid-Korea
7. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser een zodanige band heeft met Zuid-Korea dat het redelijk is om van hem te verlangen dat hij terugkeert naar dit land. Eiser heeft namelijk gewerkt in Zuid-Korea, hij had een woning en hij spreekt (een beetje) Koreaans. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij tijdens zijn volledige verblijf gedurende twee jaar in Zuid-Korea heeft gewerkt, maar dat dit illegaal werk betrof en daarom risico’s met zich meebracht. Dit doet naar het oordeel van de rechtbank geen afbreuk aan het feit dat eiser wel de mogelijkheid had om gedurende zijn verblijf in Zuid-Korea te werken en een woning te huren. Naar het oordeel van de rechtbank concludeert de minister daarom terecht dat eiser in Zuid-Korea bestaansmiddelen heeft opgebouwd en dat hij zelfredzaam was. Het is daarom redelijk dat eiser terugkeert naar Zuid-Korea omdat hij een band met dit land heeft.
Toegang tot Zuid-Korea
8. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser bij terugkeer wederom toegang zal verkrijgen tot Zuid-Korea. De minister stelt terecht dat uit landeninformatie volgt dat eiser als Russische burger het grondgebied van Zuid-Korea kan bereiken en kan worden toegelaten door middel van een K-ETA. Dit is de Koreaanse variant van een elektronisch visum (e-visum). Niet valt in te zien dat eiser niet een K-ETA zou kunnen verkrijgen. Eiser is eerder, in 2024, met een K-ETA Zuid-Korea ingereisd en toegelaten.
Zuid-Korea veilig derde land voor eiser
9. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat Zuid-Korea voor eiser kan worden aangemerkt als een veilig derde land. Zij licht dit hieronder nader toe. In de eerste plaats is tussen partijen niet in geschil dat uit het IB 2025/46 volgt dat Zuid-Korea over het algemeen niet wordt aangemerkt als veilig derde land. Uit dit IB volgt verder dat de beoordeling of Zuid-Korea in een individueel geval wél kan worden aangemerkt als een veilig derde land, afhankelijk is van de individuele merites van een zaak. Daaruit leidt de rechtbank af dat het mogelijk is om op grond van de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling Zuid-Korea alsnog aan te merken als veilig derde land.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat hoewel de Zuid-Koreaanse asielprocedure in zijn algemeenheid niet toegankelijk is, hier in het geval van eiser geen sprake van is. Eiser heeft namelijk toegang verkregen tot de Zuid-Koreaanse asielprocedure toen hij in september 2024 een asielaanvraag heeft ingediend. Ook heeft de minister op de zitting terecht verwezen naar eerder genoemd IB, waaruit volgt dat er door de Zuid-Koreaanse autoriteiten een voorselectie wordt gemaakt welke asielzoekers tot de asielprocedure worden toegelaten. Hoewel onduidelijk is welke criteria hieraan ten grondslag liggen, mag ervan uit worden gegaan dat eiser door de voorselectie is gekomen omdat hij tijdelijk rechtmatig verblijf heeft verkregen en tot de asielprocedure is toegelaten. Er zijn daarom geen concrete zorgen dat eisers asielaanvraag bij terugkeer naar Zuid-Korea niet langer in behandeling zal worden genomen of dat de behandeling die nog loopt niet wordt voortgezet. Zoals hierboven reeds is overwogen, heeft eiser eerder toegang gehad tot de Zuid-Koreaanse asielprocedure. In die procedure heeft eiser een verblijfsrecht gekregen dat geldig was tot 19 september 2026. Daarbij komt dat eiser zijn betoog dat de behandeling van zijn asielaanvraag nooit is gestart en inhoudelijk is vormgegeven, niet heeft onderbouwd. Eiser heeft ook niet onderbouwd dat hem zou zijn medegedeeld dat hij na 19 september 2026 geen rechtmatig verblijf in Zuid-Korea meer heeft en dat zijn asielaanvraag zal worden afgewezen. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft onderbouwd dat hem door de Zuid-Koreaanse autoriteiten is medegedeeld dat zijn asielaanvraag is afgewezen of zal worden afgewezen.
Voor wat betreft eisers betoog dat het inwilligingspercentage in Zuid-Korea zeer laag ligt, volgt de rechtbank het standpunt van de minister en oordeelt zij dat een laag inwilligingspercentage niet direct maakt dat terugkeer naar Zuid-Korea een schending van artikel 3 van het EVRM oplevert. Dat Zuid-Korea een laag inwilligingspercentage heeft betekent ook niet per definitie dat Zuid-Korea eisers asielaanvraag niet overeenkomstig de beginselen als genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000 zal behandelen. De minister heeft zich op de zitting, onder verwijzing naar verschillende uitspraken, terecht op het standpunt gesteld dat een laag inwilligingspercentage op zichzelf niets zegt over de manier waarop een land asielverzoeken van een specifieke groep asielzoekers behandelt. De informatie in de door eiser genoemde rapporten over het lage inwilligingspercentage heeft naar het oordeel van de rechtbank niet tot gevolg dat Zuid-Korea voor eiser niet kan worden aangemerkt als veilig derde land. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij schending van zijn rechten in Zuid-Korea geen klacht zou kunnen indienen bij de Zuid-Koreaanse autoriteiten.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister Zuid-Korea terecht aangemerkt als veilig derde land voor eiser. Eisers betoog dat hij bij terugkeer naar Zuid-Korea een reëel risico loopt op indirect refoulement slaagt om deze reden evenmin. De asielaanvraag mocht niet-ontvankelijk worden verklaard.
Conclusie en gevolgen
10. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.