Vreemdelingenrecht

Asiel - Jemen - Aden - ongegrond - relatief hoger niveau van willekeurig geweld - verwijzing naar uitspraak…

Rechtbank Den Haag, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.25272
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31649
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Asiel - Jemen - Aden - ongegrond - relatief hoger niveau van willekeurig geweld - verwijzing naar uitspraak van 10 augustus 2026 - eiser is er niet in geslaagd om op basis van individuele omstandigheden aannemelijk te maken waarom juist hij specifiek een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van de hoge mate van willekeurig geweld ten opzichte van anderen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.25272


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. D. Lut).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 20 december 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft de aanvraag bij besluit van 18 september 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond.

2.1.

Bij uitspraak van 11 februari 2025 heeft deze rechtbank het door eiser tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard. Die uitspraak is bij uitspraak van 6 augustus 2025 in hoger beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bevestigd.

2.2.

Bij besluit van 30 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister, nadat op
16 maart 2026 een nieuw voornemen was uitgebracht waarop door eiser geen zienswijze is ingediend, opnieuw op de aanvraag beslist en deze opnieuw afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is aan eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd.

2.3.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.4.

De rechtbank heeft het beroep op 28 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank


3. In de onder 2.1. aangehaalde procedure heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister voldoende deugdelijk had gemotiveerd dat eisers asielrelaas niet geloofwaardig is. Maar de minister had onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet met de hem persoonlijk betreffende individuele omstandigheden aannemelijk had gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Weliswaar heeft de minister de vrees voor rekrutering door de Houthi’s terecht niet geloofwaardig kunnen achten, maar eiser had ook aangevoerd dat hij een jonge man is en als zodanig ook in Aden het risico loopt om gerekruteerd te worden. De rechtbank heeft in de aangehaalde uitspraak vastgesteld dat in het Algemeen Ambtsbericht Jemen 2023 is gesteld dat alle bij het conflict betrokken strijdende partijen tijdens de rapportageperiode kindsoldaten hebben gerekruteerd, ook al is dat geen formeel beleid; noch in Houthi-gebied, noch in door de regering gecontroleerd gebied. Ook staat in het Ambtsbericht dat er onverminderd een economische drijfveer bestond voor de praktijk van rekrutering van kindsoldaten, omdat gegeven de slechte economische situatie, soldij een welkome aanvulling was voor inkomens van gezinnen. Milities boden vaak de enige beschikbare werkgelegenheid. Ook zou er sprake zijn van sociale druk om kinderen te laten dienen bij de strijdkrachten. De minister had deze omstandigheid volgens de rechtbank ten onrechte niet meegewogen in zijn beoordeling van de vraag of er sprake is van een reëel risico op ernstige schade.

3.1.

In het nu voorliggende bestreden besluit heeft de minister een nieuwe beoordeling gemaakt van de veiligheidssituatie in Jemen en de vraag of er voor eiser persoonlijk sprake is van een reëel risico op ernstige schade.

Juridisch kader

4. Als gevolg van het arrest X en Y van het Hof van Justitie van de Europese Unie, en de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 over dit arrest, neemt de minister in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn verschillende gradaties van willekeurig geweld aan. De drie gradaties zijn:

  • uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;

  • relatief hoger niveau van willekeurig geweld;

  • relatief lager niveau van willekeurig geweld.

4.1.

Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister het hoogste niveau van willekeurig geweld. In het Wijzigingsbesluit Vreemdelingenwet (WBV) 2024/9 heeft de minister dit niet langer aangenomen en is, mede naar aanleiding en met toepassing van het arrest X en Y, bepaald dat voor Jemen de middelste gradatie van willekeurig geweld geldt: een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. In dit beleid werd geen onderscheid per regio gemaakt.

4.2.

De Afdeling is in de uitspraak van 16 juli 2025 ingegaan op dit beleid en heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen niet langer sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15c. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle relevante omstandigheden in zijn beoordeling betrokken, namelijk:

  • slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten;

  • de recente confrontaties;

  • het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen; en

  • de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen.

4.3.

Op het moment van genoemde Afdelingsuitspraak was het Algemeen Ambtsbericht Jemen 2025 al uitgebracht. De Afdeling heeft de minister opgedragen een nieuwe beoordeling te maken met inachtneming van dit nieuwe Ambtsbericht. In de Kamerbrief van 8 oktober 2025 heeft de minister naar aanleiding van het Ambtsbericht 2025 en de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 de wijzigingen in het landenbeleid over Jemen uiteengezet. De wijzigingen zijn opgenomen in WBV 2025/20. De minister heeft daarin wel een onderscheid gemaakt per regio en geeft aan dat onder andere in Aden sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld.

4.4.

De rechtbank stelt vast dat bij de beoordeling van 15c, allereerst moet worden vastgesteld waar eiser zijn normale woon- en verblijfplaats had, zodat duidelijk is waar hij naar terug zal moeten keren. De minister heeft Aden aangewezen als vaste woon- en verblijfsplaats. Eiser heeft dat niet bestreden.

4.5.

De volgende vraag is of de minister voldoende heeft gemotiveerd dat eiser kan terugkeren naar deze vaste woon- en verblijfplaats. De minister heeft erop gewezen dat hij bij zijn beoordeling niet alleen de aantallen dodelijke slachtoffers van geweld in verhouding tot de totale bevolking heeft betrokken, maar ook de humanitaire omstandigheden en op welke wijze deze beïnvloed werden door methoden van oorlogsvoering. De minister stelt zich op het standpunt dat sprake is van het relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Eiser stelt onder verwijzing naar de in beroep overgelegde algemene landeninformatie dat de minister ten onrechte niet uitgaat van het uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Hoewel de informatie niet specifiek iets zegt over Aden, blijkt toch dat de minister de verslechterde situatie en ontwikkelingen na de totstandkoming van het huidige beleid onvoldoende heeft meegewogen.

4.6.

Deze zittingsplaats heeft recent geoordeeld dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zich in Jemen niet de hoogste gradatie van de mate van willekeurig geweld, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw 2000 voordoet. Hierbij heeft de minister inzichtelijk gemaakt hoe de humanitaire omstandigheden zijn betrokken en daarmee in lijn gehandeld met de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. Dat de minister voor Jemen een relatief hoger niveau aanneemt komt de rechtbank niet onjuist voor. Ter onderbouwing van dit oordeel verwijst de rechtbank naar de overwegingen in de uitspraken van deze zittingsplaats van
10 augustus 2026. De rechtbank maakt die overwegingen tot de hare. In hetgeen eiser stelt ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om in de onderhavige zaak van dat oordeel af te wijken. De verwijzingen van eiser naar uitspraken van andere zittingsplaatsen treffen dan ook geen doel.

4.7.

Nu terecht wordt uitgegaan van het relatief hoger niveau van willekeurig geweld, is het aan eiser om op basis van zijn individuele omstandigheden aannemelijk te maken waarom juist hij specifiek een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van de hoge mate van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat eiser daarin niet is geslaagd. Daarbij is allereerst van belang dat de vrees van eiser voor de rekrutering van Houthi’s in de vorige procedure terecht niet geloofwaardig is geacht. Verder is van belang dat in Aden de internationale regering aan de macht is en niet de Houthi’s. Nu de Houthi’s in Aden niet aan de macht zijn, kan daarom ook de gestelde vrees niet worden aangenomen. Het risico dat eiser persoonlijk gerekruteerd kan worden en daardoor meer kans loopt op willekeurig geweld blijkt niet uit de landeninformatie. De Houthi’s rekruteren niet in Aden en de Jemenitische overheid rekruteert meerderjarigen slechts op vrijwillige basis in Aden. Dat uit het Ambtsbericht blijkt dat er door beide partijen kindsoldaten worden gerekruteerd maakt dat niet anders omdat eiser volwassen is en daarmee niet in de categorie kindsoldaat valt. Hiermee is het gestelde persoonlijke risico op ernstige schade dus niet onderbouwd. Dat geldt ook voor het

rekruteren vanuit economische noodzaak. Uit de verklaring van eiser zelf blijkt dat hij in staat is zichzelf te onderhouden zoals hij dat in Egypte deed en daarmee ook zijn familie heeft geholpen. Daaruit blijkt geen risico op rekrutering vanuit economische noodzaak. Ook het feit dat er geen binding is met Jemen maakt het niet anders. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit en in elk geval zijn oom woont daar. Na het vertrek van eiser uit Saoedi-Arabië kon hij zich zelfstandig in Egypte handhaven. Eiser heeft met het door hem gestelde niet aannemelijk gemaakt dat hij dat niet ook in Jemen zou kunnen, het land waarvan hij de nationaliteit bezit. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat juist hij een groter risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld dan anderen.

5. Eiser stelt dat hij door de veiligheidssituatie in Jemen, zijn achtergrond en de door hem geschetste bijzondere omstandigheden bij terugkeer naar Jemen in een situatie van materiële deprivatie terecht zal komen, zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

5.1.

De rechtbank oordeelt dat in rechte vaststaat dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het tweede asielmotief niet geloofwaardig is. Daarnaast heeft eiser niet toegelicht hoe zijn achtergrond en de door hem geschetste bijzondere omstandigheden er bij terugkeer voor zouden zorgen dat hij in een situatie van materiële deprivatie terecht zal komen. De rechtbank verwijst met betrekking tot de achtergrond van eiser en de door hem geschetste bijzondere omstandigheden naar hetgeen daarover is overwogen onder 4.7. en oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen reden is om aan te nemen dat eiser terecht zal komen in een situatie van materiële deprivatie of in slechte humanitaire omstandigheden als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.


6. De aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h van de Vw 2000 (oud), omdat eiser zich niet onverwijld heeft gemeld. Dit volgde uit artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn. De Procedureverordening is op grond van artikel 79 van de procedureverordening van toepassing op aanvragen van ná
12 juni 2026. Voor aanvragen van vóór 12 juni 2026 geldt de Procedurerichtlijn nog. Artikel 32 van de Procedurerichtlijn geldt hier dus nog. Daarin is opgenomen dat in nationale wetgeving bepaald kan worden wanneer een aanvraag als kennelijk ongegrond wordt afgedaan. In dit geval is het oude artikel 30b van de Vw 2000 nog van toepassing waarin in het eerste lid aanhef en onder h is opgenomen dat een aanvraag kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond in het geval een vreemdeling zich zonder gegronde reden niet onverwijld meldt. Niet in geschil is dat eiser in september 2022 Nederland binnen is gekomen en zich pas op 20 december 2022, dus niet onverwijld, heeft gemeld. Eiser heeft hiervoor geen gegronde reden aangedragen. De minister heeft de aanvraag dan ook als kennelijk ongegrond kunnen afwijzen.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiser geen verblijfsvergunning krijgt. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vreemdelingenwet 2000. ECLI:NL:RBDHA:2025:1832. ECLI:NL:RVS:2025:3673. Op 12 juni 2026 is de Kwalificatierichtlijn ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. HvJEU 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843. ECLI:NL:RVS:2024:2927. Artikel 15 van de Kwalificatieverordening komt overeen met ditzelfde artikel in de voormalige Kwalificatierichtlijn en hieraan moet daarom, voor zover voor deze uitspraak relevant, dezelfde uitleg worden gegeven. ECLI:NL:RVS:2025:3153. Kamerstukken II, 19 637, nr. 3489. Uitspraken van 10 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:22370 en ECLI:NL:RBDHA:2026:22376. Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden. Artikel IX, zesde lid, aanhef en onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026.