Vreemdelingenrecht

beroep, asiel, 4e asielaanvraag tijdens ibs, homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig, ongegrond

Rechtbank Den Haag, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.60943
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31691
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

beroep, asiel, 4e asielaanvraag tijdens ibs, homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig, ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.60943


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiser,

geboren op [datum] ,

van Algerijnse nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers opvolgende asielaanvraag. Eiser is het hier niet mee eens en heeft daarom een beroepschrift ingediend. Hij heeft ook een voorlopige voorziening gevraagd. Eiser voert een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 22 september 2026 voor de vierde maal een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 7 oktober 2026 deze aanvraag in de versnelde asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 26 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Wat ging aan het bestreden besluit vooraf?

3. Eiser heeft op 21 augustus 2023 voor de eerste keer in Nederland een asielaanvraag ingediend. Op 20 december 2023 is vastgesteld dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. Om die reden heeft de minister de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld.

3.1.

Op 4 augustus 2024 heeft eiser voor de tweede maal een asielaanvraag ingediend. Omdat eiser op 29 juli 2025 opnieuw met onbekende bestemming was vertrokken, heeft de minister op 9 september 2025 ook de tweede asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld.

3.2.

Eiser heeft op 5 november 2025 voor de derde keer een asielaanvraag ingediend. Bij die aanvraag heeft eiser verklaard dat hij werkzaam was voor een supermarkt en dat hij ervan beschuldigd werd geld van zijn werkgever te hebben gestolen. Bij terugkeer vreesde eiser te worden gedood door de maffia. De minister heeft deze aanvraag op 5 december 2025 afgewezen als ongegrond.

3.3.

Op 10 maart 2026 is eiser in vreemdelingenbewaring gesteld ten behoeve van zijn uitzetting naar Algerije.

3.4.

Eiser heeft vervolgens op 22 september 2026 voor de vierde maal een asielaanvraag ingediend. In deze uitspraak wordt een oordeel gegeven over die aanvraag.

Het asielrelaas

4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij homoseksueel is en dat hij hierdoor problemen heeft ondervonden in Algerije.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst; en

2. eisers gestelde homoseksuele gerichtheid en daaruit voortvloeiende problemen.

De minister heeft overwogen dat de door eiser gestelde homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen niet worden geloofd. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de minister erop gewezen dat eiser het tweede asielmotief niet heeft onderbouwd met objectieve documenten en dat de verklaringen van eiser over dit asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verder heeft de minister aan eiser tegengeworpen dat eiser tegenstrijdig, wisselend en summier heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid. Ook vindt de minister dat eiser in grote lijnen niet geloofwaardig kan worden beschouwd. De minister heeft hierbij betrokken dat eiser in de eerdere asielaanvragen niet eerder over zijn seksuele gerichtheid heeft gesproken en hij dit asielmotief pas naar voren brengt in een asielaanvraag twee dagen voordat hij zou worden uitgezet naar Algerije.

Het feit dat eiser de Algerijnse nationaliteit bezit, is volgens de minister onvoldoende om als vluchteling te worden aangemerkt of om aan te nemen dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister concludeert daarom dat hij de asielaanvraag terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen.

6. Eiser stelt dat de minister ten onrechte zijn homoseksuele gerichtheid niet gelooft en meent dat er een onvoldoende integrale beoordeling heeft plaatsgevonden van eisers seksuele gerichtheid. Eiser voert verder aan dat de minister hem ten onrechte verklaringen tegenwerpt die hij op andere momenten heeft afgelegd dan tijdens het nader gehoor in deze procedure.

De rechtbank overweegt als volgt.

7. In lhbti-zaken ligt het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling bij het persoonlijke en authentieke verhaal dat de vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaring met betrekking tot zijn gestelde seksuele gerichtheid.

7.1.

Niet in geschil is dat eiser zijn seksuele gerichtheid en de problemen die daaruit zijn voortgevloeid niet met documenten heeft onderbouwd. Eiser heeft aangegeven dat hij in Spanje al heeft verklaard over zijn homoseksuele gerichtheid en dat een dossier hierover bij een stichting zou liggen die zich inzet voor diversiteit. Ondanks toezeggingen van de zijde van eiser, is dit dossier niet overgelegd. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat hij het dossier uit Spanje nog niet heeft ontvangen. Dit betekent dat eiser zijn asielmotief aannemelijk moet maken door middel van zijn verklaringen.

7.2.

De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser er niet in is geslaagd zijn (tweede) asielmotief aannemelijk te maken. De rechtbank overweegt in dit verband dat de minister aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het moment waarop hij zijn homoseksuele gerichtheid ontdekte. Enerzijds heeft eiser verklaard dat hij al in Algerije op de hoogte was van zijn homoseksuele gerichtheid. Anderzijds heeft eiser verklaard dat hij in Spanje in een kapsalon werkte van een homoseksuele man, dat die persoon steeds dichter bij kwam en dat hij zo beetje bij beetje homo is geworden. Deze verklaringen zijn door de minister terecht als tegenstrijdig aangemerkt. Verder heeft de minister aan eiser kunnen tegenwerpen dat eiser tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over zijn vriendin. Uit het dossier en de daaraan toegevoegde verslagen van vertrekgesprekken en de aan eiser opgelegde bewaringsmaatregel volgt dat eiser tot aan september 2026 steeds heeft gesproken over [naam 2] als een geliefde. Zo geeft eiser op 1 december 2025 tijdens het aanmeldgehoor bijvoorbeeld aan van plan te zijn te trouwen met [naam 2] en noemt hij haar in het nader gehoor van die datum “mijn vriendin”. Tijdens een videogehoor op 10 maart 2026 verklaart eiser onder andere: “Ik ben niet getrouwd, ik ben wel verloofd.”. Op 12 maart 2026 verklaart hij tijdens een vertrekgesprek “een vriendin in Nederland” te hebben. Vervolgens geeft eiser tijdens een vertrekgesprek op 7 april 2026 aan nog steeds “een relatie” te hebben met [naam 2] . In het verslag van het vertrekgesprek van 11 juni 2026 staat: “Geeft wederom aan dat hij een Nederlandse vriendin heeft.” Op 17 juli 2026 geeft eiser aan dat hij, zodra hij vrij wordt gelaten, direct naar zijn vriendin wil gaan, omdat haar ouders eerder al hebben gezegd eiser te willen helpen. In deze procedure stelt eiser echter dat [naam 2] zijn beste, platonische, vriendin is en dat de minister zijn eerdere verklaringen over [naam 2] waarschijnlijk verkeerd heeft verstaan of begrepen. Gezien zijn eerdere verklaringen over [naam 2] acht de rechtbank deze verklaring van eiser niet geloofwaardig. Verder heeft de minister er ook op kunnen wijzen dat de eerdere verklaringen van eiser over zijn verblijf in Spanje afwijken van het verhaal dat eiser in deze procedure naar voren heeft gebracht. De stelling van eiser dat de minister bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers seksuele gerichtheid alleen mag kijken naar de verklaringen die hij in deze procedure heeft afgelegd, volgt de rechtbank niet. De minister moet immers een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verrichten, waarbij hij alle door de vreemdeling afgelegde verklaringen en overgelegde bewijsmiddelen over de reden waarom hij in Nederland asiel wil, in onderlinge samenhang en in het licht van de overige afgelegde verklaringen, overgelegde bewijsmiddelen en overige omstandigheden moet bezien. Eisers stelling, dat de minister een onvoldoende integrale geloofwaardigheidsbeoordeling zou hebben uitgevoerd, volgt de rechtbank dan ook niet. De rechtbank is tot slot van oordeel dat de minister ook deugdelijk gemotiveerd uiteen heeft gezet dat eiser verder ook summier en oppervlakkig heeft verklaard over de gestelde homoseksuele gerichtheid.

7.3.

Gelet op het voorgaande, heeft de minister de gestelde problemen die voortvloeien uit de gestelde homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig hoeven achten. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende deugdelijk gemotiveerd waarom eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Algerije een reëel risico loopt op ernstige schade. Dat wat in beroep nog naar voren is gebracht door eiser, doet niet af aan deze motivering.

Kennelijk ongegrond

8. Niet in geschil is dat sprake is van een opvolgende aanvraag die inhoudelijk is behandeld. Nu de minister bovendien, zoals hiervoor al is overwogen, voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat de verklaringen van eiser duidelijk niet overtuigend zijn, is voldaan aan het bepaalde in artikel 42, eerste lid, onder g en onder b van de procedurerichtlijn. De minister heeft de aanvraag van eiser daarom als kennelijk ongegrond mogen afwijzen.

9. De rechtbank ziet in hetgeen overigens is aangevoerd evenmin aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag als kennelijk ongegrond mogen afwijzen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat hij dient terug te keren naar Algerije en dat eerder aan eiser opgelegde inreisverbod van twee jaar nog steeds geldt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. de Calonne, rechter, in aanwezigheid van

A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

NL26.60944. Vgl. de uitspraak van de ABRvS van 26 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:300. Volgens de uitspraak van de ABRvS 20 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2459.