Vreemdelingenrecht
Regulier, medische behandeling, ongegrond.
Rechtbank Den Haag, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31693 · Rechtbank Den Haag · 28 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-31693
Zaakgegevens
Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL25.44407
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31693
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Regulier, medische behandeling, ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.44407
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [datum]
van Sierra Leeonse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. J.W.F. Noot),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van 13 augustus 2024 van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft 13 augustus 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met het verblijfsdoel ‘medische behandeling’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 1 november 2024 afgewezen. Aan eiser is wel uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw van 7 december 2024 tot 7 december 2025. Op 17 juni 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Met het bestreden besluit van 18 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Bij het bestreden besluit is eiser wederom uitstel van vertrek verleend van 7 december 2024 tot 7 december 2026.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. Iemand komt in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd voor het ondergaan van een medische behandeling als Nederland het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een medische behandeling. Nederland wordt als meest
aangewezen land voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling aangemerkt als voldaan wordt aan een aantal voorwaarden. Eén van die voorwaarden is dat stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie veroorzaakt. Of in dit geval aan deze voorwaarde is voldaan staat hier ter discussie.
Standpunt verweerder
4. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat aan de brieven van Lentis van 1 april 2022 en 5 april 2023, waaruit volgens eiser blijkt dat de suïcidaliteit ook een reëel gevaar is bij het stoppen van de traumabehandeling, niet het door eiser gewenste gewicht is toegekend, omdat de stukken verouderd zijn. Er ligt een BMA-advies van 28 juli 2025 op basis van de meest actuele medische stukken van de behandelaars. Er is geen onderzoek gedaan of eiser de zorg in Sierra Leone ook daadwerkelijk zal ontvangen, omdat het BMA heeft geconcludeerd dat er geen medische noodsituatie zal ontstaan binnen de indicatieve termijn.
Uit het BMA-advies volgt dat eiser wordt behandeld voor zijn medische klachten, maar dat stopzetting daarvan geen medische noodsituatie zal veroorzaken binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden. Dat betekent dat Nederland niet het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling. Wel is een fysieke overdracht naar een behandelaar ter plaatse noodzakelijk. Ook tijdens de reis is begeleiding door een psychiatrisch verpleegkundige noodzakelijk.
Dat aan eiser inmiddels een aantal jaren uitstel van vertrek is verleend, is gelegen in het feit dat in zijn geval de reisvoorwaarde van een fysieke overdracht niet geregeld kan worden. De reden daarvan is dat informatie over een instelling in Sierra Leone niet is uit te zoeken, omdat de behandelmogelijkheden onbekend zijn. Uit het BMA-advies blijkt dat dit onveranderd is. Eiser heeft thans uitstel van vertrek en hoeft Nederland dus niet te verlaten. Van een dreigende uitzetting is geen sprake. Artikel 64 van de Vw geeft recht op voorzieningen en een adequate behandeling zodat, volgens verweerder, een succesvolle traumabehandeling mogelijk zou moeten zijn. Daarmee wordt voorzien in eisers medische situatie en is van een mensonwaardige situatie dan ook geen sprake.
BMA-advies onvoldoende inzichtelijk en schending vergewisplicht
5. Eiser stelt dat dat verweerder zich ten onrechte heeft gebaseerd op het BMA-advies van 28 juli 2025, omdat het onvoldoende inzichtelijk en onvoldoende concludent is waardoor niet aan de vergewisplicht is voldaan. Eiser wijst op een recente brief van 27 juni 2025 van zijn behandelaar, inmiddels werkzaam bij de forensisch psychiatrische zorginstelling Mesdag. Uit deze brief blijkt volgens eiser dat de suïcidaliteit uit het ziektebeeld voortkomt. Eiser wijst op jurisprudentie van de Afdeling waaruit volgt dat het enkele feit dat een suiïcidepoging samenhangt met een afwijzend besluit onvoldoende is en op een uitspraak van 27 januari 2022 waarin een BMA-conclusie over het uitblijven van een medische noodsituatie onvoldoende inzichtelijk kan zijn als die onvoldoende aansluit op de informatie van behandelaars. Eiser stelt dat het BMA beter moet onderbouwen waarom er geen medische noodsituatie zal ontstaan bij het uitblijven van behandeling en het wegvallen van het sociale netwerk.
De rechtbank is van oordeel dat het BMA-advies van 28 juli 2025 voldoende inzichtelijk en concludent is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat alle aanwezige informatie is benoemd en meegewogen. Er zijn geen aanwijzingen dat relevante medische gegevens buiten beschouwing zijn gelaten, noch dat het advies innerlijk tegenstrijdig of onvolledig is. Evenmin bestond aanleiding om nadere vragen aan het BMA te stellen of aanvullend advies in te winnen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat hij van het BMA-advies mocht uitgaan.
Onjuiste beoordeling van het risico op een medische noodsituatie
6. Eiser stelt ook dat het BMA onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bij het uitblijven van behandeling geen medische noodsituatie zal ontstaan. Uit de brief van zijn behandelaar van 27 juni 2025 blijkt immers dat de suïcidaliteit voortkomt uit het ziektebeeld. Volgens eiser heeft het BMA zich verder ten onrechte beperkt tot de vraag of een medische noodsituatie ontstaat wanneer uitsluitend de medische behandeling wordt gestaakt. Er had ook gekeken moeten worden naar de gevolgen van het wegvallen van het sociale netwerk. Dit volgt ook uit het arrest van het Hof van Justitie van 22 november 2022 (zaak C-69/21). Ook wijst eiser op Paposhvili en Savran van het EHRM. Uit deze rechtspraak volgt dat niet alleen moet worden gekeken naar de vraag of behandeling beschikbaar is, maar ook naar de concrete gevolgen van terugkeer voor de gezondheid van betrokkene.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende inzichtelijk is gemotiveerd waarom er geen medische noodsituatie zal ontstaan als de behandeling wordt stopgezet. In het BMA-advies wordt overwogen dat als de behandeling uitblijft, psychische klachten zoals angsten, somberheid en slaapproblematiek kunnen toenemen, maar ook dat uit de ontvangen informatie niet naar voren komt dat er in de voorgeschiedenis sprake is geweest van een tentamen suïcide. En dat er ook geen sprake geweest van psychotische ontregeling of (gedwongen) opname in de GGZ. Onder die omstandigheden volgt het BMA dus niet de inschatting van de behandelaar. Anders dan door eiser wordt verondersteld is de door INLIA geboden structuur en begeleiding wel in het BMA betrokken. Dat eiser gebaat is bij die structuur en begeleiding betekent echter niet dat de conclusie dat geen sprake is van een medische noodsituatie als met die begeleiding gestopt wordt onvoldoende is gemotiveerd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de informatie van de behandelaar en INLIA volgt dat het verblijf van eiser bij INLIA klaarblijkelijk tegemoet komt aan de behoeftes van eiser, en ook dat stopzetten van dat verblijf tot een toename aan klachten leidt maar dat niet blijkt dat in het verleden sprake is geweest van een psychotische ontregeling of opname in de GGZ op het moment dat die behandeling en begeleiding achterwege bleef.
Had toepassing moeten worden gegeven aan artikel 4:84 van de Awb?
7. Eiser betoogt dat Nederland in zijn geval moet worden beschouwd als het meest aangewezen land voor het ondergaan van de medische behandeling. Zijn behandeling stagneert al lange tijd en de voortdurende onzekerheid over zijn verblijfsstatus leidt ertoe dat een effectieve behandeling niet kan plaatsvinden. Een succesvolle traumabehandeling kan niet plaatsvinden zolang er slechts uitstel van vertrek is op grond van artikel 64 van de Vw. Het besluit heeft daarom voor eiser onevenredige gevolgen. Er is daarom onvoldoende gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat om op grond van artikel 4:84 van de Awb van het beleid af te wijken.
De rechtbank begrijpt dat eiser last heeft van de onzekere situatie waarin hij zich bevindt. Dat betekent- mede gelet op hetgeen hiervoor onder 6.1 is overwogen - echter niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot toepassing van artikel 4:84 van de Awb.
Artikel 8 EVRM (privéleven)
8. Verweerder verleent hem ten onrechte geen verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM, privéleven. Eiser verblijft inmiddels 11 jaar in Nederland. Een groot deel van die periode heeft eiser een sociaal en persoonlijk netwerk opgebouwd. Hij verblijft al 8 jaar bij INLIA en staat al meer dan vijf jaar onder behandeling van dezelfde psycholoog met wie hij een sterke vertrouwensband heeft opgebouwd. Zijn behandeling, de band met zijn behandelaar en de steun van INLIA, zijn sociaal netwerk vormt een onderdeel van zijn privéleven. Daarnaast heeft eiser een buddy en onderhoudt hij sociale contacten met zijn vrienden. Verweerder heeft onvoldoende meegewogen dat deze banden niet kunnen worden voortgezet in Sierra Leone. Ook is onvoldoende rekening gehouden met het feit dat eiser inmiddels meerdere jaren rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van artikel 64 Vw. In de zaak X tegen Nederland is een verblijfsvergunning verleend op grond van artikel 8 EVRM ondanks het feit dat ook daar geen medische noodsituatie is vastgesteld en net als eiser sprake was van een (niet rechtmatig) verblijf van 10 jaar in Nederland. Zo heeft eiser een verblijfstitel wegens uitstel van vertrek voor 3,5 jaar. De belangen van de Nederlandse staat wegen bovendien niet zwaar. Eiser is vrijgesteld van het middelenvereiste en maakt reeds gebruik van voorzieningen zoals de gezondheidszorg en dat gaat niet veranderen. Stabilisatie van zijn verblijfsstatus zal juist kunnen leiden tot minder zorggebruik omdat een effectieve behandeling dan gestart kan worden.
De rechtbank constateert dat eiser in beroep argumenten aanvoert die door verweerder in de belangenafweging zijn betrokken. Verweerder erkent dat sprake is van een privéleven, maar niet van een privéleven dat moet leiden tot een verblijfsvergunning. Tot die conclusie komt verweerder nadat verschillende omstandigheden zijn gewogen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom het belang van de Nederlandse overheid hier zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiser. Van strijd met artikel 8 EVRM is in die afweging niet gebleken.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van zijn aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.