Vreemdelingenrecht

Terugname Italië Asiel- en Migratiebeheerverordening. De rechtbank heeft verweerder voorafgaand aan de…

Rechtbank Den Haag, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.60626
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31671
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Terugname Italië Asiel- en Migratiebeheerverordening.

De rechtbank heeft verweerder voorafgaand aan de zitting vragen gesteld over het weigeren van verzoeken om overname of terugname door Italië, het annuleren van reeds geplande overdrachten, al dan niet vanuit bewaring en het aantal overdrachten aan Italië dat daadwerkelijk in 2026 heeft plaatsgevonden en of er vóór of vanaf 12 juni 2026 is overgedragen.

De rechtbank stelt in deze procedure vast dat verweerder het overdrachtsbesluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid ondanks dat er geen verplichting tot horen bestaat in een terugname-procedure. De rechtbank stelt ook vast dat verweerder ten onrechte alleen afziet van overdracht als sprake is van ‘structurele tekortkomingen’. Daargelaten dat artikel 4 van het Handvest een algemene regeling is en elk reëel en voorzienbaar risico op een schending van artikel 4 van het Handvest meebrengt dat de overdracht is verboden, heeft de Uniewetgever in Verordening 2024/1351 niet meer vereist dat de 4 Handvest-schending moet voortkomen uit zogenoemde ‘systeemfouten’. De risicotaxatie vereist dus ‘slechts’ een individuele beoordeling.

De rechtbank stelt ook vast dat de overdracht van eiser aan Italië moet worden verboden omdat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat het reële risico op een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie als bedoeld in het arrest Jawo na een overdracht aan Italië is weggenomen.

De rechtbank vernietigt het overdrachtsbesluit. Eiser heeft geen asielaanvraag of aanvraag voor een andere verblijfsvergunning ingediend in Nederland. Verweerder hoeft dus geen besluit op “een aanvraag” te nemen, maar zal moeten nagaan of hij een terugkeerbesluit moet opleggen en eiser moet verplichten om terug te keren naar Tunesië.

Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.60626


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 2001, Tunesische nationaliteit,

(V-nummer: [V-nummer]), eiser,

(gemachtigde: mr. J.P. van Mulken),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Procesverloop

Eiser heeft op 13 juli 2026 een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 ingediend. Eiser heeft deze asielaanvraag op 16 juli 2026 ingetrokken.

Verweerder heeft op 5 oktober 2026 een overdrachtsbesluit vastgesteld en bepaald dat eiser aan Italië zal worden overdragen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het overdrachtsbesluit en heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL26.60627).

De rechtbank heeft op 21 oktober 2026 een bericht in het dossier geplaatst met de volgende vragen voor verweerder:

(…)
De rechtbank verzoekt verweerder om uiterlijk op maandag 26 oktober 2026 om 12:00 uur toe te lichten waarom de overdracht die op 14 oktober 2026 zou plaatsvinden, op 7 oktober 2026 is geannuleerd.

De rechtbank verzoekt u tevens om de navolgende cijfers te verstrekken:

1.Hebben de Italiaanse autoriteiten na 11 juni 2026 verzoeken om overname of kennisgevingen van terugname geweigerd? Zo ja, hoe vaak?

2.Hoeveel overdrachten die reeds waren gepland zijn geannuleerd?

3.Hebben de geannuleerde overdrachten betrekking op claimverzoeken die zowel voor als na 11 juni 2026 tot stand zijn gekomen?

4.Hoeveel van deze geplande en geannuleerde overdrachten hadden betrekking op

derdelanders die ten tijde van het annuleren in vreemdelingenbewaring werden gehouden?

5.Hoeveel overdrachten aan Italië hebben in 2026 plaatsgevonden? Hoeveel van deze feitelijke overdrachten hebben plaatsgevonden na 11 juni 2026?

(…)

Verweerder heeft de gevraagde informatie op 26 oktober 2026 verschaft en tevens een briefverweer uitgebracht en als bijlage onder meer de hoger beroepschriften toegevoegd waarin verweerder is opgekomen tegen gegrondverklaringen door meerdere zittingsplaatsen.

De rechtbank heeft het beroep op 27 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De gemachtigde van verweerder is verschenen.

Overwegingen

1. Eiser heeft in Italië een verzoek om internationale bescherming ingediend voordat hij in Nederland op 13 juli 2026 een asielaanvraag heeft gedaan en vervolgens op 16 juli 2026 weer heeft ingetrokken.

2. Verweerder heeft eiser op 12 september 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000.

3. Verweerder heeft op 15 september 2026 een kennisgeving inzake terugname ingediend bij de Italiaanse autoriteiten. De Italiaanse autoriteiten hebben niet gereageerd op deze kennisgeving, waardoor de verantwoordelijkheid van Italië voor eiser vanaf 30 september 2026 op grond van artikel 41, lid 4, gelezen in samenhang met artikel 41, lid 3, van Verordening 2024/1351 in beginsel vaststaat.

4. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van 24 september 2026 het beroep tegen de oplegging van de maatregel ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBLIM:2026:10131, niet gepubliceerd).

5. Eiser heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

6. Verweerder heeft op 5 oktober 2026 een overdrachtsbesluit vastgesteld en wil eiser overdragen aan Italië.

7. De voorzieningenrechter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bij wijze van voorlopige voorziening de maatregel van vreemdelingenbewaring op 7 oktober 2026 opgeheven omdat, zo is in de uitspraak vermeld, “het hoger beroep van eiser een vraag oproept waarnaar de Afdeling nader onderzoek moet doen en in het licht van artikel 5 van het EVRM aan het belang van eiser bij de opheffing van de maatregel op dit moment meer gewicht toekomt dan aan het belang van verweerder bij het voortduren daarvan” (ECLI:NL:RVS:2026:5938).

8. Op 14 oktober 2026 was de feitelijke overdracht van eiser aan Italië voorzien. Verweerder heeft de Italiaanse autoriteiten op 7 oktober 2026 medegedeeld dat de overdracht is geannuleerd. Verweerder heeft op vragen van de rechtbank toegelicht dat de op 14 oktober 2026 aangekondigde overdracht is geannuleerd omdat “de bewaring moest worden opgeheven en omdat er op dat moment nog geen vluchtakkoord was”.

9. De rechtbank controleert in deze procedure de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit.

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Italië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat de situatie in Italië wezenlijk anders is dan ten tijde van de uitspraken van de Afdeling van 26 april 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1654 en ECLI:NL:RVS:2023:1655).

11. Eiser voert aan dat hij niet is gehoord over een voorgenomen overdracht aan Italië alvorens het overdrachtsbesluit is vastgesteld. Verweerder heeft het overdrachtsbesluit vastgesteld op basis van het gehoor dat diende om na te gaan of eiser in bewaring kon en moest worden gesteld. Dat gehoor was niet gericht op de overdracht, de situatie in Italië of de gezondheid van eiser. Eiser heeft in dat gehoor herhaaldelijk verklaard moe te zijn en pijn te hebben en gemachtigde heeft voorafgaand aan gehoord de vraag opgeworpen of het verstandig was om eiser op dat moment te horen. Verweerder kan eiser niet tegenwerpen dat eiser in dat gehoor niet heeft verklaard over zijn eerdere ervaringen in Italië en dat hij geen medisch documenten heeft overgelegd.

12. Eiser wil niet aan Italië worden overgedragen en stelt dat de overdracht op grond van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet worden verboden. Eiser vindt dat als artikel 4 van het Handvest niet aan de overdracht in de weg staat, verweerder gebruik moet maken van zijn discretionaire bevoegdheid.

13. Eiser heeft gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2023 waarin de Afdeling heeft uitgesproken dat ten aanzien van Italië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ook nu Verordening 2024/1351 van toepassing is, moet een overdracht worden verboden als artikel 4 van het Handvest aan de overdracht in de weg staat. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de destijds door de Italiaanse autoriteiten zelf benoemde opvangproblematiek niet meer aan de orde is. Eiser heeft gewezen op uitspraken van andere zittingsplaatsen en heeft benoemd dat verweerder bij het vaststellen van een overdrachtsbesluit niet alleen moet afgaan op wat eiser aandraagt maar hij ook zelf een vergewisplicht heeft. Eiser heeft verder gewezen op de omstandigheid dat de Italiaanse autoriteiten niet hebben gereageerd op de kennisgeving inzake terugname en dat overdrachten feitelijk niet plaatsvinden. Eiser stelt voorts dat er aanwijzingen zijn dat eisers medische situatie aan de overdracht in de weg staat en verweerder hier nader onderzoek naar had moeten doen. Verweerder heeft de medische situatie van eiser niet onderzocht zodat uit de mededeling dat zijn medische gegevens kunnen worden gedeeld met de Italiaanse autoriteiten geen aanwijzing volgt dat de Italiaanse autoriteiten bereid en in staat zijn om aan eiser noodzakelijke medische zorg en opvang te bieden. Eiser heeft tot slot aangevoerd dat verweerder onvoldoende deugdelijk is ingegaan op de persoonlijke omstandigheden van eiser, zodat ook de motivering ten aanzien van de toepassing van de discretionaire clausule gebrekkig is.

14. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en motiveert dit als volgt.

15. De rechtbank overweegt allereerst dat eiser weliswaar zijn asielaanvraag in Nederland heeft ingetrokken, maar dat eiser in Italië ook een asielaanvraag heeft ingediend. Eiser valt na een mogelijke overdracht daarom onder richtlijn 2024/1346 en de Italiaanse autoriteiten zullen aan eiser opvang en toegang tot de asielprocedure moeten bieden overeenkomstig deze richtlijn. In hoeverre de Italiaanse autoriteiten aan deze verplichtingen zullen voldoen, moet daarom worden betrokken bij de beoordeling van het beroep in de onderhavige procedure. Het niet voldoen aan de Verdragsrechtelijke en Unierechtelijke verplichtingen door de Italiaanse autoriteiten kan immers aan de overdracht door verweerder van eiser in de weg staan.

16. De rechtbank overweegt eiser terecht heeft aangevoerd dat het overdrachtsbesluit onzorgvuldig is voorbereid. Weliswaar is sprake van een zogenoemd ‘kaal overdrachtsbesluit’, verweerder moet echter alvorens een overdrachtsbesluit ook uit eigen beweging nagaan of artikel 4 van het Handvest aan de overdracht in de weg staat. Indien verweerder zich bij het nemen van het overdrachtsbesluit wil baseren op verklaringen die eiser in zijn bewaringsgehoor heeft afgelegd, dient verweerder zich dan ook rekenschap te geven van de inhoud van die verklaringen en na te gaan of hieruit indicaties blijken die relevant zijn voor de risicobeoordeling die hij moet verrichten alvorens een overdrachtsbesluit vast te stellen. Zowel uit de verklaringen van eiser, als uit de mededeling van de advocaat voorafgaande aan de vaststelling van het overdrachtsbesluit blijkt dat eiser kampt met medische problematiek. Verweerder heeft eiser op 12 september 2026 in bewaring gesteld en op 5 oktober 2026 een overdrachtsbesluit vastgesteld. Verweerder heeft dus tijd genoeg gehad om zich rekenschap te geven van deze verklaringen en, zo nodig in overleg met de gemachtigde van eiser, na te gaan of deze medische problematiek aan de overdracht in de weg staat. Weliswaar moet eiser ook objectieve gegevens aandragen over deze problematiek, maar op verweerder rust de plicht om elke twijfel weg te nemen dat zijn besluitvorming een reëel en voorzienbaar 4 Handvest-risico meebrengt. Dit betekent in ieder geval dat verweerder deze verklaringen niet zonder meer buiten beschouwing kan laten. In het besluit is het juridische beoordelingskader voor het betrekken van medische problematiek in de overdrachtsprocedure benoemd, maar is verzuimd om inhoudelijk in te gaan op de medische klachten. Het alleen vermelden dat ‘eiser geen documenten heeft overgelegd’ acht de rechtbank in de onderhavige procedure onvoldoende. Verweerder heeft ter zitting weliswaar terecht benoemd dat hij nu Verordening 2024/1351 van toepassing is niet verplicht was om eiser te horen omdat de onderhavige procedure een terugname betreft. Dat laat echter onverlet dat indien verweerder over mogelijk relevante informatie beschikt, in dit geval omdat verweerder eiser in zijn bewaringsprocedure heeft gehoord, verweerder ook uit eigen beweging moet nagaan of deze informatie aan een mogelijke overdracht in de weg staat dan wel nader onderzoek behoeft.

17. De Uniewetgever heeft in artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 beoogd om de omvang van het rechtsmiddel te beperken. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 18 en 21 september 2026 prejudiciële vragen gesteld en het Hof onder meer gevraagd om te beoordelen of deze beperking geldig is (ECLI:NL:RBDHA:2026:27252, C-1023/26, Midsen en ECLI:NL:RBDHA:2026:27492, C-1028/26, Gradijk). De Vierde kamer van het Hof heeft het verzoek van de rechtbank om beide verwijzingen in de prejudiciële spoedprocedure te behandelen afgewezen op 30 september 2026. De griffier van het Hof heeft de rechtbank op 22 oktober 2026 geïnformeerd dat de President van het Hof heeft besloten de beide verwijzingen te voegen voor de schriftelijke en mondelinge behandeling alsmede het arrest en dat de President heeft besloten om deze zaken met voorrang te behandelen. De rechtbank ziet in de onderhavige procedure evenwel geen aanleiding om de uitspraak op het beroep aan te houden in afwachting van het arrest. De beroepsgrond van eiser die ziet op het gebrek aan zorgvuldigheid waarmee verweerder het overdrachtsbesluit heeft voorbereid, staat immers in rechtstreeks verband met de beoordeling van het refoulementrisico en de Uniewetgever heeft bepaald dat ten minste moet kunnen worden opgekomen tegen het overdrachtsbesluit met de beroepsgrond dat artikel 4 van het Handvest aan de overdracht in de weg staat. De rechtbank overweegt dat reeds doordat deze beroepsgrond slaagt, het overdrachtsbesluit moet worden vernietigd.

18. De rechtbank overweegt voorts dat de Afdeling in haar uitspraak van 19 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:669) het navolgende heeft overwogen:

(…)

1. De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van de vreemdeling niet in behandeling genomen, omdat Italië ingevolge de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

2. In de uitspraken van 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1654, onder 4.3.2 en 4.3.3, en ECLI:NL:RVS:2023:1655, onder 3.3.2 en 3.3.3, heeft de Afdeling uit de berichtgeving van de Italiaanse autoriteiten afgeleid dat er voor Dublinclaimanten in Italië geen opvangfaciliteiten beschikbaar zijn. Hoewel uit de berichtgeving volgens de Afdeling niet zonder meer volgt dat de Italiaanse autoriteiten onverschillig staan tegenover de situatie van vreemdelingen, bestaat er daarmee een reëel risico dat vreemdelingen buiten hun eigen wil en keuzes om bij overdracht aan Italië terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, als bedoeld in punt 92 van het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, waardoor zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals onderdak, eten en stromend water. De staatssecretaris is er vooralsnog niet in geslaagd om in weerwil van de berichtgeving deugdelijk te motiveren dat hij nog altijd van het vermoeden mag uitgaan dat Italië zal voldoen aan zijn internationale verplichtingen. De Afdeling concludeert daarom dat de staatssecretaris voor Italië onder deze omstandigheden niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan en dat het overdrachtsbesluit dat de staatssecretaris voor de vreemdeling heeft genomen, onrechtmatig is. Alleen al daarom is het hoger beroep gegrond.

(…)

19. De rechtbank overweegt dat de risicotaxatie in Dublin- en AMBV-procedures in beginsel wordt ingekleurd door het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder mag doorgaans uitgaan van dit beginsel, waarbij hij wel uit eigen beweging rekening moet houden met relevante informatie waarvan hij niet onkundig kan zijn met betrekking tot mogelijke structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, zoals volgt uit het arrest van het Hof van 29 februari 2024 in de zaak X (arrest van 29 februari 2024 in de zaak X, ECLI:EU:C:2024:195, C-392/22, punten 76-78). Indien verweerder zich heeft vergewist van informatie waarvan hij niet onkundig kan zijn, is het aan de vreemdeling die opkomt tegen een overdrachtsbesluit om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

20. Het bovengenoemde arrest X is gewezen in een procedure die werd beheerst door Verordening 604/2013. De rechtbank overweegt dat er echter geen enkele aanleiding bestaat om aan verweerder een geringere vergewisplicht toe te kennen indien de verantwoordelijkheidsvaststelling op grond van Verordening 2024/1351 plaatsvindt. Het refoulementverbod is absoluut en dit betekent dat verweerder -ook uit eigen beweging- moet nagaan of dit verbod in de weg staat aan het vaststellen en uitvoeren van een overdrachtsbesluit. Verweerder dient zich hiervan te vergewissen alvorens hij een terugkeerbesluit vaststelt en niet pas als er gronden worden aangevoerd die betrekking hebben op het beginsel van non-refoulement.

21. De rechtbank merkt hierbij op dat verweerder in zijn overdrachtsbesluit ten onrechte heeft vermeld dat eiser aannemelijk moet maken dat sprake is van “structurele” tekortkomingen. Daargelaten dat artikel 4 van het Handvest een algemene regeling is en elk reëel en voorzienbaar risico op een schending van artikel 4 van het Handvest meebrengt dat de overdracht is verboden, heeft de Uniewetgever in Verordening 2024/1351 niet meer vereist dat de 4 Handvest-schending moet voortkomen uit zogenoemde ‘systeemfouten’. De risicotaxatie vereist dus ‘slechts’ een individuele beoordeling. Verweerder heeft daardoor in zijn besluit een verkeerde maatstaf gehanteerd en een te hoge drempel aangelegd bij het beoordelen of ten aanzien van eiser ook te gelden heeft dat kan worden uitgegaan van interstatelijk vertrouwen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 oktober 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:29424, overwegingen 11-13). Dit gebrek is ook een zelfstandige reden om het overdrachtsbesluit te vernietigen.

22. De Afdeling heeft op 19 februari 2024 nog steeds geoordeeld dat verweerder niet zonder meer kan uitgaan van het vermoeden dat Italië aan zijn internationale verplichtingen zal voldoen. Verweerder stelt dat de situatie in Italië voor asielzoekers die worden overgedragen vanuit de andere lidstaten inmiddels wezenlijk is gewijzigd.

23. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen genoegzame onderbouwing heeft weten te geven voor die aanname. Voor zover verweerder stelt dat de Italiaanse autoriteiten thans een andere houding aannemen ten aanzien van het toestaan van overdrachten, overtuigt dit niet. Bepalend is immers niet wat op politiek niveau wenselijk wordt geacht of wordt afgesproken. Bepalend is of Italië feitelijk thans wel voldoet aan zijn verplichtingen jegens asielzoekers die vanuit de andere lidstaten worden overgedragen. Verweerder kan dit thans onvoldoende onderbouwen. Er is onvoldoende algemene informatie over Italië die dit standpunt van verweerder ondersteunt en de overdrachtsbesluiten worden niet steeds uitgevoerd.

24. Verweerder heeft in dit verband de navolgende informatie verschaft:

(…)

1.Hebben de Italiaanse autoriteiten na 11 juni 2026 verzoeken om overname of kennisgevingen van terugname geweigerd? Zo ja, hoe vaak?

Ja, tussen 12 juni 2026 en 30 september 2026 (peildatum laatste cijfers) hebben de Italiaanse autoriteiten 23 kennisgevingen tot terugname geweigerd (niet bevestigd) en 3 verzoeken tot overname geweigerd. Hiertegenover staat dat Italië tussen 12 juni en 30 september 134 kennisgevingen van terugname geaccordeerd (bevestigd) en 79 overnameverzoeken geaccordeerd.

2.Hoeveel overdrachten die reeds waren gepland zijn geannuleerd?

Sinds 11 juni 2026 zijn er 9 overdrachten aan Italië die reeds waren gepland geannuleerd. Hiervan zijn er 6 geannuleerd vanwege een weigering van Italië en 3 om andere redenen. Het gaat hierbij om 7 vreemdelingen, waarvan er bij 2 vreemdelingen tweemaal een geplande overdracht is geannuleerd.

3.Hebben de geannuleerde overdrachten betrekking op claimverzoeken die zowel voor als na 11 juni 2026 tot stand zijn gekomen?

Deze 9 geannuleerde overdrachten hebben allemaal betrekking op claimverzoeken die na 11 juni 2026 tot stand zijn gekomen.

4.Hoeveel van deze geplande en geannuleerde overdrachten hadden betrekking op derdelanders die ten tijde van het annuleren in vreemdelingenbewaring werden gehouden?

Van deze 9 geplande en geannuleerde overdrachten hebben er 3 betrekking op derdelanders die ten tijde van het annuleren in vreemdelingenbewaring werden gehouden.

5.Hoeveel overdrachten aan Italië hebben in 2026 plaatsgevonden? Hoeveel van deze feitelijke overdrachten hebben plaatsgevonden na 11 juni 2026.

In 2026 hebben er 2 overdrachten aan Italië plaatsgevonden, allebei na 12 juni 2026. In aanvulling hierop vindt vandaag, 26 oktober 2026, een derde overdracht plaats. Italië heeft deze overdracht geaccepteerd.

(…)

25. De rechtbank constateert dat er meerdere overdrachten worden geannuleerd, waarbij dit ook geschiedt omdat de Italiaanse autoriteiten de overdracht niet toestaan. Er vinden thans nauwelijks overdrachten plaats, 3 in 2026, terwijl verweerder wel overdrachtsbesluiten vaststelt. De rechtbank merkt hierbij op dat indien beroep wordt ingesteld tegen een overdrachtsbesluit, dit doorgaans leidt tot een gegrond beroep. Verweerder plaatst echter derdelanders wel in bewaring om de overdracht aan Italië te verzekeren en op grond van de Afdelingsjurisprudentie is het voor eerstelijns bewaringsrechters verboden om in dat geval de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit te betrekken bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel. De vanuit bewaring geplande overdrachten vinden evenwel niet altijd doorgang. Verweerder kan zijn standpunt dat de situatie in Italië ‘wezenlijk is veranderd’ dus niet genoegzaam onderbouwen, met uitzondering van de mededeling dat de Italiaanse autoriteiten stellen nu wel opvang te bieden en nu wel in te stemmen met overdrachten vanuit Nederland.

26. Eiser heeft in dit verband terecht aangevoerd dat het beroep van verweerder op de arresten van het Hof van 19 december 2024 in de zaak Tudmur (gevoegde zaken C-185/24 en C-189/24, ECLI:EU:C:2024:1036) en van 5 maart 2026 in de zaak Daraa (C-458/24, ECLI:EU:C:2026:146) verweerder niet baten. Het oordeel dat verweerder niet kan onderbouwen dat thans wel van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, berust immers niet uitsluitend op een eenzijdige opschorting van overdrachten door de Italiaanse autoriteiten, maar op de onduidelijkheid over de opvangvoorzieningen voor terugkeerders en het gebrek aan onderbouwing voor het standpunt van verweerder.

27. Verweerder heeft in zijn aanbiedingsbrief onder meer gewezen op een rapport van de Europese Commissie van 15 juli 2026, informatie van EUAA over de opvangfaciliteiten in 2025 en het rapport van juli 2026 van EMN European Migration Network), dat overigens ook betrekking heeft op 2025. Uit de informatie waarop verweerder zich beroept kan worden afgeleid dat Italië de intentie heeft uitgesproken om overdrachten toe te staan en dat er initiatieven zijn om de opvangcapaciteiten uit te breiden. Op dit moment ontbreekt voldoende concrete informatie over de vraag in hoeverre Italië feitelijk zal voldoen aan zijn verplichtingen uit hoofde van richtlijn 2024/1346 en onderdak zal (kunnen) bieden aan eiser indien hij zou worden overgedragen. Verweerder heeft zich hiervan in enige mate vergewist maar heeft onvoldoende voldaan aan het motiveringsvereiste dat de Afdeling heeft gesteld in de uitspraken van 26 april 2023 en heeft herhaald in haar uitspraak van 19 februari 2024. De stelling in dit verband van verweerder dat vanuit Europa of de UNHCR niet is gerapporteerd over misstanden in Italië betreffende de opvangvoorzieningen en asielprocedure, acht de rechtbank onvoldoende om de overdracht van eiser toe te staan. De rechtbank betrekt hierbij het buitengewoon geringe aantal overdrachten dat in 2026 heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft zich grotendeels beroepen op informatie die ook de periode vóór 12 juni 2026 betreft, maar heeft vóór 12 juni 2026 geen overdrachtsbesluiten vastgesteld. Tenzij verweerder zou mededelen dat het van toepassing worden van het Pact de directe aanleiding is om “wéér overdrachtsbesluiten Italië” vast te stellen, valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom verweerder de thans overgelegde informatie vóór 12 juni 2026 -kennelijk- onvoldoende basis daarvoor achtte en nu op grond van deze zelfde informatie stelt dat de situatie wezenlijk is gewijzigd.

28. De rechtbank stelt in deze uitspraak in de procedure van eiser vast dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat het reële risico op een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie als bedoeld in punt 92 van het arrest Jawo (arrest van het Hof in de zaak Jawo, C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218) na een overdracht aan Italië is weggenomen.

29. Deze rechtbank en zittingsplaats concludeert dus dat op dit moment de overdracht aan Italië absoluut verboden is. Dit betekent dat deze zittingsplaats in deze uitspraak ten aanzien van Italië tot dezelfde conclusie komt als zittingsplaatsen Den Bosch (ECLI:NL:RBDHA:2026:25113), Middelburg (ECLI:NL:RBDHA:2026:30270), Utrecht (ECLI:NL:RBDHA:2026:30171), Arnhem (ECLI:NL:RBDHA:2026:930341) en Haarlem (ECLI:NL:RBDHA:2026:302560).

30. De rechtbank zal het overdrachtsbesluit vernietigen en de overdracht verbieden. Eiser heeft geen asielaanvraag of aanvraag voor een andere verblijfsvergunning ingediend in Nederland. Verweerder hoeft dus geen besluit op een aanvraag te nemen maar zal moeten nagaan of hij een terugkeerbesluit moet opleggen en eiser moet verplichten om terug te keren naar Tunesië.

31. De rechtbank zal een proceskostenveroordeling uitspreken omdat het beroep gegrond is en zal hierbij de standaardmatig toegekende punten en bedragen hanteren.

32. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het overdrachtsbesluit dat is vastgesteld op 5 oktober 2026;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.A.E. van de Venne, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 28 oktober 2026.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 2 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.