Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:27492

Op 21 September 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.51454, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:27492. De plaats van zitting was Roermond.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.51454
Datum uitspraak:
21 September 2026
Datum publicatie:
21 September 2026

Indicatie

Prejudiciële vragen Asiel- en Migratiebeheer Verordening – Terugname / grondrecht op behoorlijk bestuur & omvang rechtsmiddel / motiveren afzien persoonlijk onderhoud in terugnameprocedures bij minderjarigen / belang van het kind / aanvang overdrachtstermijn.

Verzoekster is een alleenstaande moeder die afkomstig is uit Nigeria. Zij heeft mede namens haar drie kinderen, een baby van zes maanden en een tweeling van 4 jaar oud, die in België zijn geboren en net als verzoekster de Nigeriaanse nationaliteit hebben, een verzoek om internationale bescherming in Nederland ingediend. Verweerder heeft een kennisgeving terzake terugname ingediend bij de Belgische autoriteiten en de Belgische autoriteiten hebben deze kennisgeving bevestigd en daarmee erkend verantwoordelijk te zijn voor het verzoek om internationale bescherming van verzoekster en haar kinderen.

De rechtbank moet uitspraak doen op het overdrachtsbesluit en op het verzoek om een voorlopige voorziening.

Verzoekster maakt bezwaar tegen de overdracht aan België en legt hieraan met name ten grondslag dat verweerder essentiële procedurele waarborgen die Verordening 2024/1351 bevat niet heeft nageleefd en dat haar verdedigingsrechten zijn geschonden.

De Uniewetgever lijkt in de regeling van de rechtsmiddelen, die is neergelegd in artikel 43 van Verordening 2024/1351, de draagwijdte van de omvang van het rechtsmiddel te hebben beperkt tot drie concreet opgesomde situaties.

De rechtbank vraagt het Hof of deze beperking geldig is indien de Uniewetgever daadwerkelijk heeft beoogd dat verzoekster geen beroep kan doen op haar grondrecht op behoorlijk bestuur en heeft beoogd dat verzoekster de niet-naleving van essentiële procedurele waarborgen waarin Verordening 2024/1351 voorziet niet kan aanvoeren om het overdrachtsbesluit te betwisten.

De Uniewetgever heeft de lidstaten in Verordening 2024/1351 niet verplicht om in terugnameprocedures een persoonlijk onderhoud te voeren. Verweerder voert beleid dat hij dit daarom ook niet doet, tenzij de verzoeker een niet-begeleide minderjarige is. De rechtbank vraagt het Hof of de verplichting voor de lidstaten om het belang van (elk) minderjarig kind een eerste overweging te laten zijn meebrengt dat de beslissing om af te zien van een persoonlijk onderhoud in een terugnameprocedure moet worden gebaseerd op een beoordeling van de individuele omstandigheden van de verzoeker, indien deze verzoeker, of een van deze verzoekers, minderjarig is en vereist dat deze beslissing moet worden gemotiveerd.

De rechtbank vraagt het Hof voorts om te verduidelijken op welke wijze de rechtbank invulling moet geven aan haar eigen verplichting om het belang van het kind een eerste overweging te laten zijn. De rechtbank vraagt zich af of zij gehouden is om, in dit geval ambtshalve omdat partijen dit niet hebben gedaan, zich nader te vergewissen wat het belang van het kind is en te onderzoeken, op grond van het dossier en mogelijk door het benoemen van een deskundige, of een mogelijke overdracht aan België indruist tegen dit belang.

Tot slot rijst de vraag wanneer in het hoofdgeding de overdrachtstermijn aanvangt.

Verzoekster heeft door het enkele verzoeken om een voorlopige voorziening reeds opschortende werking verkregen en bereikt dat zij en haar kinderen niet kunnen worden overdragen aan België totdat de rechtbank (eind)uitspraak doet. Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet toegewezen door de rechtbank en kan niet worden toegewezen met als doel om de overdrachtstermijn veilig te stellen omdat dit een rechtsmiddel is dat uitsluitend aan verzoekster toekomt.

De rechtbank vraagt het Hof om te verduidelijken of in deze situatie de overdrachtstermijn aanvangt als de rechtbank uitspraak doet op het beroep of dat de overdrachtstermijn verloopt als zes maanden na de bevestiging van de kennisgeving van de terugname verstrijken voordat de rechtbank uitspraak doet. Indien het Hof arrest wijst na deze termijn wordt Nederland mogelijk verantwoordelijk vanwege het enkele tijdsverloop.

De rechtbank stelt het Hof vier prejudiciële vragen en verzoekt het Hof om de vragen in de spoedprocedure te behandelen (PPU).

De rechtbank verzoekt het Hof tevens om deze verwijzing te voegen met de verwijzing van 18 september 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:27252, C-1023/26 (PPU) – Midsen), omdat de vragen in de verwijzingen deels gelijkluidend zijn. In de onderhavige procedure stelt de rechtbank een aanvullende vraag over de beslissing om af te zien van een persoonlijk onderhoud als de verzoeker, of een van de verzoekers, minderjarig is.

De behandeling van het beroep en het verzoek wordt geschorst totdat het Hof de vragen heeft beantwoord.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.51454 Verwijzing

Verwijzingsuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1991 in Nigeria, verzoekster,

mede namens haar minderjarig kinderen,

[kind 1], geboren op [geboortedatum] 2026 in België,

[kind 2], geboren op: [geboortedatum] 2022 in België;

[kind 3], geboren op: [geboortedatum] 2022 in België;

allen de Nigeriaanse nationaliteit,

(gemachtigde: mr. A. Kurt-Gecoglu),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).

Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie tot het beantwoorden van de navolgende vragen in de prejudiciële spoedprocedure (PPU) , conform artikel 23 bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

I Is artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in het licht van artikelen 41, lid 2 onder a) en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, geldig voor zover hierin is bepaald dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de in artikel 43, lid 1, onder a), b) en c) genoemde gronden?

II Dient artikel 22 van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 en met artikelen 24, lid 2, 41, lid 2 onder a), en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat de beslissing om af te zien van een persoonlijk onderhoud in een procedure inzake terugname moet worden gebaseerd op een beoordeling van de individuele omstandigheden van de verzoeker, indien deze verzoeker, of een van deze verzoekers, minderjarig is en vereist dat deze beslissing moet worden gemotiveerd?

III Dient artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikelen 24, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit die wordt aangezocht om de rechtmatigheid van een overdrachtsbesluit te controleren verplicht is om, zo nodig ambtshalve, na te gaan wat het belang van het kind is en dit belang als een eerste overweging bij deze rechterlijke controle te betrekken?

IV Dient artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 43, lid 3, van Verordening 2024/1351, aldus te worden uitgelegd dat de overdrachtstermijn uitsluitend aanvangt vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit, indien de opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3 door een rechterlijke beslissing op het eerste opschortingsverzoek is toegekend of volstaat hiertoe dat om opschortende werking is verzocht?

Motivering van de spoedeisendheid (PPU) , conform het bepaalde in artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Verzoekster is een alleenstaande moeder die afkomstig is uit Nigeria. Zij heeft mede namens haar drie kinderen, een baby van zes maanden en een tweeling van 4 jaar oud, die in België zijn geboren en net als verzoekster de Nigeriaanse nationaliteit hebben, een verzoek om internationale bescherming in Nederland ingediend. Verweerder heeft een kennisgeving terzake terugname ingediend bij de Belgische autoriteiten en de Belgische autoriteiten hebben deze kennisgeving bevestigd en daarmee erkend verantwoordelijk te zijn voor het verzoek om internationale bescherming van verzoekster en haar kinderen.

Verweerder heeft een overdrachtsbesluit vastgesteld en bepaald dat verzoekster en haar drie kinderen aan België zullen worden overgedragen. Verzoekster heeft een rechtsmiddel ingesteld tegen het overdrachtsbesluit en om opschortende werking verzocht.

De rechtbank moet in het hoofdgeding uitspraak doen op het opschortingsverzoek en het beroepen tegen het overdrachtsbesluit. De uitvoering van het overdrachtsbesluit is opgeschort omdat verzoekster (tijdig) om opschortende werking heeft verzocht. De opschortende werking is niet door een beslissing van een rechterlijke instantie toegekend.

De prejudiciële verwijzing heeft betrekking op de geldigheid en uitlegging van bepalingen uit Verordening 2024/1351 en derhalve op bepalingen uit het Unierecht die behoren tot de gebieden bedoeld in titel V van het derde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.

De rechtbank verzoekt het Hof om vier prejudiciële vragen te beantwoorden.

De eerste drie vragen hebben betrekking op de draagwijdte van het rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit, de beslissing om geen persoonlijk onderhoud te houden in een terugnameprocedure, het belang van het kind en de wijze waarop de rechtbank het belang van het kind bij de rechterlijke controle van de overdrachtsbesluiten moet betrekken.

De spoedeisendheid houdt verband met de vierde vraag. Deze vraag ziet op de verkregen opschortende werking en de gevolgen hiervan voor de aanvangsdatum van de overdrachtstermijn. De overdrachtstermijn bedraagt maximaal zes maanden en thans bestaat er geen bevoegdheid voor verweerder om deze termijn te verlengen.

De rechtbank verzoekt het Hof om te verduidelijken of een beslissing van de rechtbank, waarin de opschortende werking is toegekend, is vereist om de ingangsdatum van de overdrachtstermijn te bepalen op het moment dat de rechtbank een definitieve beslissing neemt op het beroep tegen het overdrachtsbesluit.

Het antwoord van het Hof op de vierde vraag is doorslaggevend voor het bepalen van de aanvang van de overdrachtstermijn. Deze vraag is geen louter hypothetische vraag.

Indien het Hof deze vraag namelijk beantwoordt op de wijze zoals de rechtbank die voorstelt, betekent dit dat Nederland verantwoordelijk wordt voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming als de rechtbank niet binnen een termijn van zes maanden vanaf de bevestiging van de kennisgeving terzake de terugname uitspraak doet. De Belgische autoriteiten hebben de ontvangst van de kennisgeving op 21 augustus 2026 bevestigd.

Indien het Hof de vragen niet in de prejudiciële spoedprocedure zal behandelen, kan dit mogelijk betekenen dat het hoofdgeding door het enkele verstrijken van de overdrachtstermijn wordt beslecht doordat Nederland verantwoordelijk wordt, terwijl de Belgische autoriteiten hebben erkend om verantwoordelijk te zijn voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming dat verzoekster mede namens haar drie minderjarige kinderen heeft ingediend.

Verzoekster heeft door het indienen van een opschortingsverzoek reeds bewerkstelligd dat zij en haar kinderen door verweerder niet aan België kunnen worden overgedragen totdat de rechtbank op het opschortingsverzoek beslist. De rechtbank is daartoe echter pas in staat als het Hof het Unierecht nader heeft verduidelijkt.

De rechtbank kan het opschortingsverzoek niet in afwachting van het arrest van het Hof toewijzen met als doel het verstrijken van de overdrachtstermijn te voorkomen. Dit druist naar het oordeel van de rechtbank namelijk in tegen de ratio en strekking van het rechtsmiddel dat -uitsluitend- aan verzoekers toekomt.

De beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof heeft een rechtstreekse invloed op de uitkomst van het hoofdgeding en indien de rechtbank niet binnen een termijn van 6 maanden vanaf 21 augustus 2026 uitspraak kan doen, kan dit bovendien leiden tot de beslechting van het hoofdgeding, zonder dat het overdrachtsbesluit aan een rechterlijke controle is onderworpen. Gelet hierop verzoekt de rechtbank het Hof om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure.

Voorstel beantwoording
De rechtbank wil het Hof conform artikel 107, tweede lid, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie in overweging geven om de gestelde prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:

I Artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in het licht van artikelen 41, lid 2 onder a) en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, is niet geldig voor zover hierin is bepaald dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de in artikel 43, lid 1, onder a), b) en c) genoemde gronden.

II Artikel 22 van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 en met artikelen 24, lid 2, 41, lid 2 onder a), en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dient aldus te worden uitgelegd dat de beslissing om af te zien van een persoonlijk onderhoud in een procedure inzake terugname moet worden gebaseerd op een beoordeling van de individuele omstandigheden van de verzoeker, indien deze verzoeker, of een van deze verzoekers, minderjarig is en vereist dat de beslissing om af te zien van een persoonlijk onderhoud moet worden gemotiveerd.

III Artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dient aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit die wordt aangezocht om de rechtmatigheid van een overdrachtsbesluit te controleren verplicht is om, zo nodig ambtshalve, na te gaan wat het belang van het kind is en dit belang als een eerste overweging bij deze rechterlijke controle te betrekken.

IV Artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 43, lid 3, van Verordening 2024/1351, dient aldus te worden uitgelegd dat de overdrachtstermijn uitsluitend aanvangt vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit, indien de opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3, door een rechterlijke beslissing op het eerste opschortingsverzoek is toegekend.

Verzoek voeging op grond van artikel 54 van het Reglement voor de procesvoering

Deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 18 september 2026 drie prejudiciële vragen aan het Hof gesteld en verzocht om toepassing van de spoedprocedure (PPU), (ECLI:NL:RBDHA:2026:27252). Die procedure is bij het Hof geregistreerd onder C-1023/26 (PPU) – Midsen.

De rechtbank heeft heden vergelijkbare vragen en een aanvullende vraag gesteld. De vragen II en III in procedure C-1023/26 (PPU) – Midsen, zijn identiek aan vragen III en IV in de onderhavige verwijzing en de onderbouwing van deze vragen is gelijkluidend. De eerste vraag in beide verwijzingen is identiek maar heeft betrekking op andere grondrechten. De procedure C-1023/26 (PPU) – Midsen betreft een overnameprocedure en de onderhavige procedure betreft een terugnameprocedure. De ratio en strekking van de vragen komt evenwel overeen, met dien verstande dat de tweede vraag in de onderhavige procedure uitsluitend relevant is voor deze procedure.

De rechtbank verzoekt Het Hof gelet op het bovenstaande om de onderhavige verwijzingsuitspraak op grond van artikel 54 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wegens verknochtheid te voegen met de procedure C-1023/26 (PPU) – Midsen voor de schriftelijke of mondelinge behandeling en het eindarrest en deze beide procedures in de prejudiciële spoedprocedure (PPU) te behandelen.

Procesverloop

Verzoekster heeft op 13 augustus 2026, mede namens haar drie minderjarige kinderen, in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend.

Verweerder heeft op 20 augustus 2026 een kennisgeving inzake terugname ingediend bij de Belgische autoriteiten. De Belgische autoriteiten hebben de ontvangst van de kennisgeving op 21 augustus 2026 bevestigd.

Verweerder heeft op 27 augustus 2026 het verzoek om internationale bescherming niet in behandeling genomen (Voetnoot 1), maar een overdrachtsbesluit vastgesteld en daarin bepaald dat verzoekster en haar minderjarige kinderen aan België zullen worden overgedragen.

Verzoekster heeft op 2 september 2026 beroep ingesteld tegen het overdrachtsbesluit en daarnaast, tevens op 2 september 2026, verzocht om een voorlopige voorziening te treffen om zodoende de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst op haar beroep.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 17 september 2026 op zitting behandeld. Verzoekster en haar gemachtigde zijn niet verschenen. De gemachtigde van verweerder is verschenen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting na afloop van de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening niet gesloten en medegedeeld dat zij zich beraadt over het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

Overwegingen

Inzet van het hoofdgeding en standpunten van partijen

1. Verzoekster is een alleenstaande moeder die afkomstig is uit Nigeria. Zij heeft mede namens haar drie kinderen, een baby van zes maanden en een tweeling van vier jaar oud, die in België zijn geboren en net als verzoekster de Nigeriaanse nationaliteit hebben, een verzoek om internationale bescherming in Nederland ingediend.

2. Het verzoek om internationale bescherming is ingediend op 13 augustus 2026. Verweerder heeft geen persoonlijk onderhoud zoals bedoeld in artikel 22 van Verordening 2024/1351 met verzoekster gevoerd.

3. Verweerder heeft verzoekster op 17 augustus 2026 per brief medegedeeld dat Italië mogelijk verantwoordelijk is voor de behandeling van haar verzoek om internationale bescherming.

4. Verweerder heeft de Belgische autoriteiten op 20 augustus 2026 in kennis gesteld van de terugname, welk verzoek door de Belgische autoriteiten op 21 augustus 2026 is bevestigd.

5. Verweerder heeft verzoekster op 21 augustus 2026 per brief medegedeeld dat niet Italië, maar België waarschijnlijk verantwoordelijk is voor de behandeling van haar verzoek om internationale bescherming. In deze brief is medegedeeld dat verzoekster zelf of via haar advocaat per brief kan aangeven dat zij niet aan België kan worden overgedragen en bewijzen mee kan sturen om haar bezwaren te onderbouwen. In deze brief is niet vermeld binnen welke termijn verzoekster haar bezwaren tegen een overdracht aan België kenbaar moet maken. Verweerder heeft ter zitting op vragen van de rechtbank medegedeeld dat verweerder deze brief in persoon aan verzoekster heeft uitgereikt op 21 augustus 2026.

6. Verweerder heeft verzoekster op 25 augustus 2026 medegedeeld welke advocaat haar in het hoofdgeding zal bijstaan (Voetnoot 2).

7. Verweerder heeft op 27 augustus 2026 een overdrachtsbesluit vastgesteld.

8. Verzoekster heeft een rechtsmiddel aangewend tegen het overdrachtsbesluit en gelijktijdig een verzoek om opschortende werking ingediend. Verzoekster maakt bezwaar tegen de overdracht aan België en voert daartoe onder meer aan dat het overdrachtsbesluit in strijd is genomen met de procedurele waarborgen waarin Verordening 2024/1351 voorziet. Verzoekster heeft gelet op het zeer korte tijdsverloop en de feitelijke gang van zaken geen reële mogelijkheid gehad om bezwaren tegen de overdracht aan België kenbaar te maken. Verzoekster acht het in het bijzonder van belang dat zij niet is gehoord om de gestelde verantwoordelijkheid van de Belgische autoriteiten voor haar verzoek om internationale bescherming te bespreken. Verzoekster stelt dat zij geen reële en effectieve mogelijkheid heeft gehad om juridische bijstand te verkrijgen en om de aan de procedure ten grondslag gelegde informatie met haar gemachtigde te bespreken. Verzoekster had ook de gelegenheid moeten krijgen om verweerder naar behoren gemotiveerde redenen voor te leggen om hem te doen overwegen om de discretionaire clausule toe te passen. Verweerder had dus niet kunnen afzien van het houden van een persoonlijk onderhoud. Verzoekster heeft tevens betwist dat ten aanzien van België kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en verzoekster vreest dat zij na overdracht verstoken zal blijven van opvangvoorzieningen omdat zij in België reeds een asielprocedure volledig heeft doorlopen en haar verzoek om internationale bescherming dat zij in Nederland heeft ingediend, zal worden aangemerkt als een volgend verzoek om internationale bescherming.

9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat Verordening 2024/1351 geen verplichting bevat om een persoonlijk onderhoud te houden als een procedure voor terugname wordt gevoerd. Artikel 22 van Verordening 2024/1351 ziet namelijk op procedures die zijn geregeld in artikel 39 van Verordening 2024/1351 en dat zijn de procedures voor overnameverzoeken. Verweerder voert daarom het beleid dat in terugnameprocedures in de regel geen persoonlijk onderhoud wordt gevoerd. Dit is alleen anders als de verzoeker een niet-begeleide minderjarige is, omdat dan het belang van het kind moet worden getoetst. Ter zitting heeft verweerder op vragen van de rechtbank aangegeven dat verweerder vindt dat hij voldoende rekening heeft gehouden met het belang van het kind. Artikel 36, lid 2, van Verordening 2024/1351 bepaalt dat, kort gezegd, kinderen en ouders bij elkaar moeten blijven en daaraan is voldaan in het overdrachtsbesluit. Daarmee heeft verweerder het belang van het kind voldoende betrokken, aldus verweerder. Het is aan verzoekster om te stellen dat het belang van het kind zich verzet tegen de overdracht en om dit dan ook te onderbouwen. Verweerder heeft toegelicht dat deze verplichting om ouders en kinderen bij elkaar te houden niet aan de orde is bij niet-begeleide minderjarigen en dat verweerder in zijn beleid daarom – bij wijze van uitzondering- heeft bepaald dat met niet-begeleide minderjarigen in terugnameprocedures wel een persoonlijk onderhoud wordt gevoerd om zodoende het belang van het kind te kunnen toetsen. Verweerder heeft zich overigens, op vragen van de rechtbank, op het standpunt gesteld dat het belang van het kind niet aan de orde kan komen bij het beoordelen van het rechtsmiddel omdat de draagwijdte van het rechtsmiddel in artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 is beperkt tot de in artikel 43, lid 1, onder a), b) en c) genoemde gronden. Het belang van het kind kan daarom alleen worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zich verzet tegen de overdracht, aldus verweerder.

10. De rechtbank ziet zich in het hoofdgeding allereerst voor de vraag gesteld of verzoekster haar rechtsmiddel kan onderbouwen door te stellen dat een aantal procedurele waarborgen niet in acht is genomen. De Uniewetgever lijkt namelijk beoogd te hebben dat de draagwijdte van het rechtsmiddel beperkt is en niet alle grondrechten kunnen worden ingeroepen bij het betwisten van het overdrachtsbesluit. De rechtbank ziet zich ook voor de vraag gesteld of verzoekster haar verdedigingsrechten voldoende heeft kunnen uitoefenen en of verweerder in dat verband een persoonlijk onderhoud met verzoekster had moeten voeren. Ook indien de Uniewetgever de lidstaten niet heeft willen verplichten om een persoonlijk onderhoud te voeren in (alle) terugnameprocedures, dient immers toch voldaan te worden aan algemene zorgvuldigheidbeginselen en waarborgen. Verweerder is op grond van artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 verplicht om bij alle procedures waarin deze verordening voorziet, het belang van het kind de eerste overweging te laten vormen. Deze verplichting, die ook volgt uit artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, ziet dus ook op terugnameprocedures. De rechtbank vraagt zich af of deze verplichting meebrengt dat verweerder, zoals artikel 22, lid 1, van richtlijn 2024/1351 ten aanzien van overnameprocedures voorschrijft, ook bij een terugnameprocedure informatie moet verzamelen over de specifieke situatie van de verzoeker(s) door proactief vragen te stellen die kunnen helpen bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, indien de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat en een overdrachtsbesluit ziet op minderjarigen, danwel gevolgen heeft voor minderjarigen. De rechtbank vraagt zich in dat verband tevens af of verweerder als hij in deze situatie geen persoonlijk onderhoud voert, deze beslissing moet motiveren zodat de verzoeker en de rechtbank kunnen controleren hoe verweerder het belang van het kind heeft bepaald en heeft betrokken bij het vaststellen van het overdrachtsbesluit. Ook indien een andere lidstaat verantwoordelijk kan worden gehouden voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten zich niet tegen de overdracht verzet, kan het belang van het kind zich immers verzetten tegen de overdracht. Indien dat het geval is, kan het overdrachtsbesluit niet worden uitgevoerd. Dit is dus een andere situatie dan wanneer de autoriteiten wel bevoegd zouden zijn om een overdrachtsbesluit vast te stellen, maar daarvan afzien omdat zij toepassing willen geven aan de discretionaire clausule.

11. De rechtbank vraagt zich tevens af wat in het hoofdgeding de omvang van haar eigen verplichting is om het belang van het kind te betrekken bij haar beslissing op het rechtsmiddel tegen het overdrachtsbesluit en haar beslissing op het verzoek om opschortende werking. Verzoekster heeft drie zeer jonge kinderen. Verweerder heeft geen enkele informatie over deze kinderen vergaard en weet alleen wanneer en waar deze kinderen zijn geboren en welk geslacht en welke nationaliteit zij hebben. Verzoekster heeft uit eigen beweging geen informatie aan verweerder verschaft over haar kinderen, maar uit het dossier blijkt dat zij zeer kort voor het vaststellen van het overdrachtsbesluit pas op de hoogte is geraakt dat niet de Italiaanse autoriteiten, maar de Belgische autoriteiten door verweerder verantwoordelijk worden geacht voor haar verzoek om internationale bescherming en dat verzoekster pas op 25 augustus 2026 is geïnformeerd wie haar gemachtigde is en op 27 augustus 2026 reeds een overdrachtsbesluit is vastgesteld. De rechtbank stelt echter ook vast dat verzoekster haar bezwaren tegen de overdracht aan België niet heeft onderbouwd door zich te beroepen op het belang van het kind en dat verzoekster niet is verschenen ter zitting om haar bezwaren tegen de overdracht toe te lichten. De rechtbank merkt hierbij wel op dat de gemachtigde van verzoekster de rechtbank op 15 september 2026 heeft medegedeeld dat zij zelf niet aanwezig kan zijn en daarom in overleg met verzoekster is besloten niet ter zitting zullen verschijnen. De rechtbank meent dat de verplichting om het belang van het kind een eerste overweging te laten zijn ook betrekking heeft op de rechterlijke instantie en dat dit volgt uit het Verdragsrecht en het Unierecht. De rechtbank verzoekt het Hof om nader te verduidelijken op welke wijze de rechtbank in het hoofdgeding invulling moet geven aan haar verplichtingen die volgen uit artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

12. De rechtbank twijfelt bovendien of de overdrachtstermijn aanvangt op het moment dat de rechtbank uitspraak doet op het beroep indien de rechtbank deze uitspraak niet doet binnen zes maanden na de bevestiging van de kennisgeving inzake terugname door de Belgische autoriteiten en de rechtbank op dat moment niet heeft beslist op het opschortingsverzoek. De rechtbank vraagt zich af of uitsluitend een door een rechterlijke instantie toegewezen opschortingsverzoek meebrengt dat de overdrachtstermijn aanvangt na de uitspraak op beroep, of dat hiervoor volstaat dat (tijdig) is verzocht om opschorting en het indienen van het opschortingsverzoek tot gevolg heeft gehad dat de uitvoering van het overdrachtsbesluit moest worden opgeschort. Indien het Hof deze vraag aldus beantwoordt dat een toegewezen opschortingsverzoek is vereist binnen een termijn van maximaal zes maanden na de bevestiging van de kennisgeving inzake terugname door de Belgische autoriteiten omdat anders Nederland verantwoordelijk wordt, en indien de rechtbank niet binnen deze termijn uitspraak kan doen als het Hof de vragen beantwoordt na ommekomst van deze zes maanden na de bevestiging van de kennisgeving inzake terugname door de Belgische autoriteiten, komt het belang van de vragen van de rechtbank te vervallen omdat Nederland dan vanwege het tijdsverloop in het hoofdgeding verantwoordelijk zal zijn voor de inhoudelijke behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Dan zal immers de termijn waarbinnen verweerder verzoekster moet overdragen zijn verstreken en is niet langer relevant of de rechtbank het overdrachtsbesluit rechtmatig acht omdat dit besluit in dat geval niet meer kan worden uitgevoerd.

13. De rechtbank stelt daarom de navolgende prejudiciële vragen en verzoekt het Hof om deze vragen in de prejudiciële spoedprocedure (PPU) te behandelen:

(…)

I Is artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in het licht van artikelen 41, lid 2 onder a) en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, geldig voor zover hierin is bepaald dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de in artikel 43, lid 1, onder a), b) en c) genoemde gronden?

II Dient artikel 22 van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 en met artikelen 24, lid 2, 41, lid 2 onder a), en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat de beslissing om af te zien van een persoonlijk onderhoud in een procedure inzake terugname moet worden gebaseerd op een beoordeling van de individuele omstandigheden van de verzoeker, indien deze verzoeker, of een van deze verzoekers, minderjarig is en vereist dat deze beslissing moet worden gemotiveerd?

III Dient artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikelen 24, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit die wordt aangezocht om de rechtmatigheid van een overdrachtsbesluit te controleren verplicht is om, zo nodig ambtshalve, na te gaan wat het belang van het kind is en dit belang als een eerste overweging bij deze rechterlijke controle te betrekken?

IV Dient artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 43, lid 3, van Verordening 2024/1351, aldus te worden uitgelegd dat de overdrachtstermijn uitsluitend aanvangt vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit, indien de opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3 door een rechterlijke beslissing op het eerste opschortingsverzoek is toegekend of volstaat hiertoe dat om opschortende werking is verzocht?

14. Toepasselijke bepalingen

Verdrag inzake de rechten van het Kind

Artikel 3

1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 8 - Recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Artikel 13 – Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel

Een ieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 3

(…)

5. In de betrekkingen met de rest van de wereld handhaaft de Unie haar waarden en belangen en zet zich ervoor in, en draagt zij bij tot de bescherming van haar burgers. Zij draagt bij tot de vrede, de veiligheid, de duurzame ontwikkeling van de aarde, de solidariteit en het wederzijds respect tussen de volkeren, de vrije en eerlijke handel, de uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van het kind, alsook tot de strikte eerbiediging en ontwikkeling van het internationaal recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van de Verenigde Naties.

Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

Artikel 7- De eerbiediging van het privé-leven en van het familie- en gezinsleven

Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.

Artikel 24 – De rechten van het kind

(…)

2. Bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, vormen de belangen van het kind een essentiële overweging.

(…)

Artikel 41 – Recht op een behoorlijk bestuur

1.Eenieder heeft er recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld.

2.Dit recht behelst met name:

a. a) het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen;

(…)

Artikel 47 - Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht

Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.

(…)

Artikel 51 - Toepassingsgebied

1. De bepalingen van dit Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van de grenzen van de bevoegdheden zoals deze in de Verdragen aan de Unie zijn toegedeeld.

(…)

Artikel 52 – Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen

1. Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de

wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2. De door dit Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende rechten die voorkomen in bepalingen van de Verdragen, worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen die door deze Verdragen zijn gesteld.

3. Voor zover dit Handvest van de grondrechten van de Europese Unie rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt.

(…)

7.De toelichting, die is opgesteld om richting te geven aan de uitlegging van dit Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, wordt door de rechterlijke instanties van de Unie en van de lidstaten naar behoren in acht genomen.

Artikel 53 – Beschermingsniveau

Geen van de bepalingen van dit Handvest van de grondrechten van de Europese Unie mag worden uitgelegd als zou zij een beperking vormen van of afbreuk doen aan de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden welke binnen hun respectieve toepassingsgebieden worden erkend door het recht van de Unie, het internationaal recht en de internationale overeenkomsten waarbij de Unie of alle lidstaten partij zijn, met name het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsmede door de grondwetten van de lidstaten.

Verordening 2024/1351

(46) Overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties van 1989 inzake de rechten van het kind en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dient voor de lidstaten bij de toepassing van deze verordening het belang van het kind de eerste overweging te vormen. Bij het beoordelen van het belang van het kind dienen de lidstaten met name het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige op de korte, middellange en lange termijn, overwegingen van veiligheid en de opvattingen van de minderjarige, in overeenstemming met zijn leeftijd en mate van volwassenheid, alsook met diens achtergrond, terdege in aanmerking te nemen. Voorts dienen voor niet-begeleide minderjarigen vanwege hun kwetsbaarheid specifieke procedurele waarborgen te worden vastgelegd, waaronder de aanstelling van een vertegenwoordiger.

(48) Overeenkomstig het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dient voor de lidstaten bij de toepassing van deze verordening de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven een eerste overweging te vormen.

(60) Er dient een persoonlijk onderhoud met de verzoeker plaats te vinden om gemakkelijker te kunnen bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, tenzij de verzoeker is ondergedoken, het persoonlijk onderhoud niet heeft bijgewoond zonder gegronde redenen of de door de verzoeker verstrekte informatie toereikend is om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is. Om er zeker van te zijn dat alle relevante informatie van de verzoeker wordt verkregen om correct vast te kunnen stellen welke lidstaat verantwoordelijk is, moet een lidstaat die het persoonlijk onderhoud achterwege laat de verzoeker de mogelijkheid bieden om alle aanvullende informatie te overleggen, met inbegrip van naar behoren gemotiveerde redenen op basis waarvan de autoriteit de noodzaak van een persoonlijk onderhoud kan overwegen. Zodra het verzoek om internationale bescherming wordt geregistreerd, moet de verzoeker met name in kennis worden gesteld van de toepassing van deze verordening, van het feit dat op basis van objectieve criteria is bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn of haar verzoek om internationale bescherming, van zijn of haar rechten en verplichtingen uit hoofde van deze verordening en van de gevolgen van niet-naleving van de verplichtingen.

(62) Teneinde de grondrechten van verzoekers op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, de rechten van het kind en de bescherming tegen onmenselijke en vernederende behandeling als gevolg van een overdracht daadwerkelijk te beschermen, dienen verzoekers te kunnen beschikken over het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, beperkt tot die rechten, overeenkomstig met name artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

(87) Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en de beginselen die worden gewaarborgd in het Unie- en het internationaal recht, waaronder het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Deze verordening is met name gericht op volledige waarborging van het recht op asiel dat wordt gegarandeerd door artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en van de rechten die worden erkend uit hoofde van de artikelen 1, 4, 7, 24 en 47 daarvan. De lidstaten moeten deze verordening derhalve dienovereenkomstig toepassen, met volledige inachtneming van die grondrechten.

Artikel 23 – Waarborgen voor minderjarigen

1. Bij alle procedures waarin deze verordening voorziet, vormt het belang van het kind de eerste overweging voor de lidstaten. (…)

(…)

Artikel 36 - Verplichtingen van de verantwoordelijke lidstaat

(…)

2. Voor de toepassing van deze verordening is het niet mogelijk de situatie van een minderjarige die de verzoeker vergezelt en onder de definitie van gezinslid valt, te scheiden van de situatie van het gezinslid, en de minderjarige wordt overgenomen of teruggenomen door de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om

internationale bescherming van dat gezinslid, zonder dat daarvoor schriftelijke instemming van de betrokken persoon vereist is, ook al is de minderjarige zelf geen individuele verzoeker, tenzij wordt aangetoond dat dat niet in het belang van het kind is. Hetzelfde geldt voor kinderen die na de aankomst van de verzoeker op het grondgebied van de lidstaten zijn

geboren, zonder dat een nieuwe procedure voor hun overname hoeft te worden ingeleid.

(…)

Artikel 43 – Rechtsmiddelen

1.De verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 36, lid 1, punten b) en c), heeft het recht tegen het overdrachtsbesluit bij een rechterlijke instantie een doeltreffend rechtsmiddel in te stellen, in de vorm van een beroep of een bezwaar ten aanzien van de feiten en het recht.

De draagwijdte van een dergelijk rechtsmiddel is beperkt tot een beoordeling of:

a)De overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van de grondrechten;

b)er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening;

c)inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, lid 1, punt a), overgenomen personen.

(…)

3. De betrokken persoon heeft het recht om binnen een redelijke termijn na de kennisgeving van het overdrachtsbesluit, die in ieder geval niet langer mag zijn dan de door de lidstaten op grond van lid 2 vastgestelde termijn, een rechterlijke instantie te verzoeken de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst van zijn of haar beroep of bezwaar. De lidstaten kunnen in hun nationale recht bepalen dat het verzoek om de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten samen met het beroep op grond van lid 1 moet worden ingediend. De lidstaten zorgen ervoor dat er een doeltreffend rechtsmiddel beschikbaar is door de overdracht op te schorten totdat de beslissing over het

eerste opschortingsverzoek is gegeven. Een beslissing over het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit wordt genomen binnen een maand na de datum waarop de bevoegde rechterlijke instantie dat verzoek heeft ontvangen.

Indien de betrokken persoon zijn of haar recht om om opschortende werking te verzoeken, niet heeft uitgeoefend, schort het beroep of bezwaar tegen het overdrachtsbesluit de uitvoering van het overdrachtsbesluit niet op.

Een beslissing om de uitvoering van het overdrachtsbesluit niet op te schorten wordt gemotiveerd.

Indien opschortende werking wordt toegekend, tracht de rechterlijke instantie binnen een maand na de beslissing om opschortende werking toe te kennen, een beslissing ten gronde te nemen over het beroep of het bezwaar.

Artikel 46 - Gedetailleerde voorschriften en termijnen

1. Een verzoeker of andere persoon als bedoeld in artikel 36, lid 1, punten b) en c), wordt overeenkomstig het nationale recht van de overdragende lidstaat, na overleg tussen de betrokken lidstaten, overgedragen van de overdragende lidstaat aan de verantwoordelijke lidstaat, zodra dat praktisch mogelijk is en binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek of de bevestiging van de kennisgeving inzake terugname door een andere lidstaat, of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit met opschortende werking overeenkomstig

artikel 43, lid 3.(…)

2. Indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de in lid 1, eerste alinea, gestelde termijn, komt de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokken persoon over te nemen of terug te nemen, te vervallen, en gaat de verantwoordelijkheid over op de overdragende lidstaat. Die termijn kan, indien de overdracht niet kon worden uitgevoerd

wegens de gevangenzetting van de betrokken persoon, worden verlengd tot ten hoogste één jaar, of, indien die betrokken persoon, of een gezinslid dat samen met de betrokken persoon moet worden overgedragen, is ondergedoken, zich fysiek tegen de overdracht verzet, er opzettelijk voor zorgt dat hij of zij niet in staat is te worden overgedragen, of niet aan de

medische vereisten voor de overdracht voldoet, tot ten hoogste drie jaar vanaf het moment dat de verzoekende lidstaat de verantwoordelijke lidstaat daarvan in kennis stelt.

Indien de betrokken persoon opnieuw ter beschikking van de autoriteiten komt en de resterende tijd van de in lid 1 bedoelde termijn minder dan drie maanden bedraagt, beschikt de overdragende lidstaat over een termijn van drie maanden om de overdracht uit te voeren.

(…)

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 30

1. Onze Minister neemt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, overeenkomstig artikel 39, eerste lid, onderdeel a, van de Procedureverordening, niet in behandeling wanneer op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

(…)

Artikel 69

(…)

7.Het verzoek om een voorlopige voorziening om de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten, bedoeld in artikel 43, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening, wordt gelijktijdig ingediend met het beroepschrift tegen een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a, of artikel 62b. Overeenkomstig artikel 43, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening wordt de uitvoering van een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a of 62b niet opgeschort indien de vreemdeling geen verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend.

Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 7.3

3. Overeenkomstig artikel 43, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening wordt de uitvoering van het overdrachtsbesluit opgeschort, totdat:

a.de termijn ingevolge artikel 69, zevende lid, van de Wet, waarbinnen een eerste verzoek om een voorlopige voorziening teneinde de overdracht op te schorten moet worden ingediend, is verstreken; of

b. uitspraak is gedaan op het eerste verzoek om een voorlopige voorziening, welk verzoek binnen de termijn, bedoeld in onderdeel a, was ingediend.

Vreemdelingencirculaire 2000 (C)

Paragraaf C2/5.2

De IND stelt een minderjarige in de gelegenheid een gehoor te hebben, tenzij dit niet in het belang van het kind is. In dat geval motiveert de IND, waarom de minderjarige geen gelegenheid is geboden om gehoord te worden.

Begeleide minderjarigen kunnen, als ze dat wensen, hun mening als bedoeld in artikel 12 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) schriftelijk naar voren brengen.

(…)

Paragraaf C2/3.4.2 Persoonlijk onderhoud

Als sprake is van indicaties voor een overnameprocedure, als bedoeld in artikel 39 Asiel- en migratiebeheerverordening, dan houdt de IND in de regel een persoonlijk onderhoud als bedoeld in artikel 22 Asiel- en migratiebeheerverordening. Van het persoonlijk onderhoud wordt een geluidsopname gemaakt. Hierbij wordt aangesloten bij paragraaf C1/5.4 Vc.

In artikel 22, derde lid, Asiel- en migratiebeheerverordening is bepaald, dat het persoonlijk onderhoud moet zijn afgenomen, voordat het overnameverzoek aan een andere lidstaat wordt verzonden.

Het verslag van het persoonlijk onderhoud wordt afgesloten met een samenvatting van het persoonlijk onderhoud. Deze samenvatting wordt aan het eind van het persoonlijk onderhoud voorgelezen aan de vreemdeling, waarna de vreemdeling op grond van artikel 22, zevende lid, Asiel- en migratiebeheerverordening onmiddellijk en mondeling correcties en aanvullingen mag doorgeven.

Als sprake is van een terugnameprocedure dan is een persoonlijk onderhoud niet voorgeschreven en zal dat in de regel ook niet plaatsvinden.

Begeleide minderjarige kinderen in een procedure van de Asiel- en migratiebeheerverordening krijgen in afwijking van paragraaf C1/5.2 Vc de gelegenheid hun mening schriftelijk naar voren te brengen, ook wanneer hun ouders niet worden gehoord.

Bij de niet-begeleide minderjarige vreemdeling neemt de IND wel een persoonlijk onderhoud af, zodat het belang van het kind getoetst kan worden. Gedurende de procedure mag een niet-begeleide minderjarige zijn of haar mening ook altijd schriftelijk kenbaar maken

Rechtsvragen en overwegingen

15. Verzoekster heeft op 13 augustus 2026 mede namens haar drie kinderen, een baby van zes maanden en een tweeling van vier jaar oud, een verzoek om internationale bescherming ingediend. Verzoekster heeft eerder een verzoek om internationale bescherming in België ingediend en die procedure is afgerond en heeft niet tot het verlenen van internationale bescherming geleid. De Belgische autoriteiten hebben de ontvangst van de kennisgeving inzake terugname die verweerder op 20 augustus 2026 heeft verzonden, op 21 augustus 2026 bevestigd en daarmee erkend dat zij verantwoordelijk zijn voor het in Nederland ingediende verzoek om internationale bescherming van verzoekster.

16. Verweerder heeft geen persoonlijk onderhoud met verzoekster gehouden alvorens te bepalen dat de Belgische autoriteiten verantwoordelijk zijn voor het verzoek om internationale bescherming van verzoekster en aan deze autoriteiten een kennisgeving inzake de terugname te verzenden. Verweerder heeft alvorens een overdrachtsbesluit vast te stellen ook geen persoonlijk onderhoud met verzoekster gevoerd. Verweerder heeft verzoekster wel -na de vaststelling van het overdrachtsbesluit- per brief medegedeeld dat zij zelf of via haar advocaat per brief kan aangeven dat zij niet aan België kan worden overgedragen en bewijzen mee kan sturen om de bezwaren te onderbouwen. Aan verzoekster is ook een folder “Wat u moet weten over de Verordening Asiel en Migratiebeheer” gegeven. De brief is aan haar uitgereikt op 21 augustus 2026. In deze brief is niet vermeld tot wanneer verzoekster in de gelegenheid wordt gesteld om dergelijke bezwaren tegen de overdracht kenbaar te maken. In de brief is vermeld:” Stuur uw reactie zo snel mogelijk op. De IND gaat door met de AMbV-Procedure. Als een ander EU+-land verantwoordelijk is maakt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ook het overdrachtsbesluit. Dit kan met of zonder uw reactie.”

17. Verzoekster heeft niet gereageerd op deze brief. Uit het dossier blijkt dat verweerder op 25 augustus 2026 aan verzoekster kenbaar heeft gemaakt wie haar advocaat is en op 27 augustus 2026 een overdrachtsbesluit heeft vastgesteld en daarin heeft vermeld dat verzoekster geen bezwaren tegen de overdracht aan België heeft ingediend.

18. Verzoekster heeft een rechtsmiddel tegen het overdrachtsbesluit ingesteld en onder meer aangevoerd dat haar verdedigingsrechten zijn geschonden en dat verweerder meerdere procedurele waarborgen uit Verordening 2024/1351 niet in acht heeft genomen. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat verweerder een persoonlijk onderhoud met haar had moeten voeren en met haar had moeten bespreken waarom verweerder België verantwoordelijk acht voor haar verzoek om internationale bescherming en haar in dat onderhoud in de gelegenheid had moeten stellen om gemotiveerde redenen voor te kunnen leggen om verweerder te doen overwegen om de discretionaire clausule toe te passen.

19. De rechtbank ziet zich in het hoofdgeding voor meerdere vragen gesteld.

I Draagwijdte van het rechtsmiddel

20. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verzoekster haar rechtsmiddel kan onderbouwen door zich te beroepen op procedurele waarborgen die de Uniewetgever in Verordening 2024/1351 heeft neergelegd en mede op grond van dit belang de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit kan betwisten en aan een rechterlijke controle kan onderwerpen.

21. Bij het vaststellen van een overdrachtsbesluit is sprake van het ten uitvoer brengen van het recht van de Unie in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De bevoegde nationale autoriteiten kunnen zich bij de vaststelling van een dergelijk besluit niet onttrekken aan een beoordeling van de eerbiediging van de door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde grondrechten (Voetnoot 3). In overweging 87 van Verordening 2024/1351 is vermeld dat deze verordening de grondrechten en de beginselen die worden gewaarborgd in het Unie- en het internationaal recht, waaronder het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie eerbiedigt en dat deze verordening met name is gericht op volledige waarborging van het recht op asiel dat wordt gegarandeerd door artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en van de rechten die worden erkend uit hoofde van de artikelen 1, 4, 7, 24 en 47 daarvan en de lidstaten deze verordening derhalve dienovereenkomstig moeten toepassen, met volledige inachtneming van die grondrechten.

22. Het Hof heeft in haar rechtspraak verduidelijkt wat de draagwijdte van het rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit was toen Verordening 343/2003 en Verordening 604/2013 van toepassing waren. Het Hof heeft in haar arrest van 7 juni 2016 in de zaak Ghezelbash onder meer verduidelijkt op welke wijze de omvang van het rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit moet worden bepaald (Voetnoot 4).

23. Het hoofdgeding wordt beheerst door Verordening 2024/1351. Dit is niet in geschil tussen partijen en ook de Belgische autoriteiten hebben geen bezwaar gemaakt tegen het volgen van de terugnameprocedure zoals die volgt uit Verordening 2024/1351. In artikel 43 van Verordening 2024/1351 is de regeling van de rechtsmiddelen opgenomen.

24. Op grond van artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 moet aan de verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 36, lid 1, punten b) en c), een doeltreffend rechtsmiddel worden toegekend dat hij bij een rechterlijke instantie kan aanwenden tegen een overdrachtsbesluit in de vorm van een beroep of een bezwaar ten aanzien van de feiten en het recht. De kenmerken van dit rechtsmiddel moeten, naar het oordeel van de rechtbank, worden bepaald in overeenstemming met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, volgens hetwelk eenieder wiens door het Unierecht gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dat artikel gestelde voorwaarden, en in overeenstemming met het belang van het kind, dat met name wordt gewaarborgd door artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 en in overeenstemming met artikel 41, lid 2 onder a) van het Handvest van de grondrechten dat een grondrecht op behoorlijk bestuur garandeert (Voetnoot 5).

25. In artikel 43, eerste lid, van Verordening 2024/1351 wordt de draagwijdte van het rechtsmiddel beperkt tot drie concreet opgesomde situaties. Anders dan in Verordening 604/2013, bevat de tekst van de regeling van de rechtsmiddelen in Verordening 2024/1351 dus wel een beperking van de argumenten die door de verzoeker in het kader van dat rechtsmiddel kunnen worden aangevoerd.

26. De Uniewetgever heeft in hoofdstuk 1 van deel III van Verordening 2024/1351 onder meer algemene beginselen en waarborgen neergelegd. Deze waarborgen bevatten rechten voor de verzoeker en verplichtingen voor de lidstaten. In overweging 60 van Verordening 2024/1351 is onder meer vermeld dat er een persoonlijk onderhoud met de verzoeker dient plaats te vinden om gemakkelijker te kunnen bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming. Tevens is vermeld dat om er zeker van te zijn dat alle relevante informatie van de verzoeker wordt verkregen om correct vast te kunnen stellen welke lidstaat verantwoordelijk is, een lidstaat die het persoonlijk onderhoud achterwege laat de verzoeker de mogelijkheid moet bieden om alle aanvullende informatie te overleggen, met inbegrip van naar behoren gemotiveerde redenen op basis waarvan de autoriteit de noodzaak van een persoonlijk onderhoud kan overwegen. Verzoekster heeft op grond van artikel 21 van Verordening 2024/1351 het recht op juridische counseling.

27. De kern van het rechtsmiddel van verzoekster ziet op de mate waarin verweerder deze waarborgen daadwerkelijk heeft geboden alvorens een overdrachtsbesluit vast te stellen en te bepalen dat verzoekster aan België zal worden overgedragen. Verzoekster roept hiermee een in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerd grondrecht in, te weten het recht op behoorlijk bestuur. In artikel 41, lid 2 onder a) van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is bepaald dat eenieder er recht op heeft dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld en dat dit recht met name behelst het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen. Verzoekster wenst dat Nederland haar verzoek om internationale bescherming behandelt. Het overdrachtsbesluit waarin verweerder kenbaar maakt dat België verantwoordelijk is voor haar verzoek en verweerder geen aanleiding ziet om de discretionaire clausule toe te passen is aan te merken als een voor haar nadelige maatregel. Het “horen” vereist weliswaar niet altijd een persoonlijk onderhoud maar kan ook bestaan uit het naar voren brengen van schriftelijke bezwaren. Artikel 41, lid 2 onder a) van het Handvest bepaalt wel uitdrukkelijk dat het recht op behoorlijk bestuur een recht omvat om gehoord te worden alvorens een nadelige individuele maatregel wordt genomen. In het hoofdgeding heeft verweerder reeds bepaald dat de Belgische autoriteiten verantwoordelijk zijn voor het verzoek om internationale bescherming en hebben de Belgische autoriteiten de kennisgeving van de terugname reeds bevestigd voordat verzoekster bezwaren kenbaar kon maken. Weliswaar is verzoekster voorafgaand aan het vaststellen van het overdrachtsbesluit in de gelegenheid gesteld om schriftelijk bezwaren kenbaar te maken tegen een overdracht aan België. Het horen voorafgaand aan het nemen van een voor een verzoeker nadelige individuele maatregel is evenwel een essentieel onderdeel van het verdedigingsbeginsel. Daargelaten dat de bezwaren van verzoekster hadden kunnen leiden tot de conclusie dat beide lidstaten zich op onjuiste of onvolledige gegevens hebben gebaseerd, volgt uit deze werkwijze onmiskenbaar dat verweerder geen toepassing zal geven aan de discretionaire clausule. Weliswaar is het aan de lidstaten om te bepalen of zij gebruik willen maken van deze bevoegdheid om verzoeken om internationale bescherming te behandelen terwijl een andere lidstaat verantwoordelijk kan worden gehouden. Nederland maakt gebruik van die bevoegdheid en heeft beleid ter zake vastgesteld, echter verweerder lijkt in deze terugnameprocedure de individuele omstandigheden van verzoekster en haar kinderen niet relevant te vinden als eerst overeenstemming over de verantwoordelijkheid met de andere lidstaat wordt gezocht en daarna pas gelegenheid wordt geboden om bezwaar te maken tegen de verantwoordelijkheidsbepaling en te verzoeken om het toepassen van de discretionaire clausule. Indien bij het afzien van een persoonlijk onderhoud de mogelijkheid wordt geboden om schriftelijk een zienswijze kenbaar te maken, dan dient ook een reële mogelijkheid te worden geboden om met behulp van rechtsbijstand bezwaren aan te dragen en bewijsmiddelen te verzamelen om de bezwaren te onderbouwen. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat dit in haar procedure niet het geval is en legt dit bezwaar in beroep aan de rechtbank voor.

28. Uit de Toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Voetnoot 6) en onder meer de daarin genoemde rechtspraak van het Hof blijkt dat artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is gebaseerd op het bestaan van de Unie als een rechtsgemeenschap waarvan de kenmerken zijn ontwikkeld door de jurisprudentie, die met name behoorlijk bestuur heeft erkend als algemeen rechtsbeginsel. In het arrest van 5 november 2014 in de zaak Mukarubega heeft het Hof onder meer verduidelijkt dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de eerbiediging van de rechten van de verdediging een fundamenteel beginsel van Unierecht vormt waarvan het recht om in elke procedure te worden gehoord integraal deel uitmaakt (Voetnoot 7). In het arrest van 9 juli 2026 in de zaak Adão da Fonseca-Engenheiros Consultores, Lda, heeft het Hof ook verduidelijkt dat volgens vaste rechtspraak het recht om te worden gehoord binnen de werkingssfeer van het Unierecht waarborgt dat eenieder in staat wordt gesteld om naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken in het kader van een administratieve procedure en voordat een besluit wordt genomen dat voor hem bezwarend is of zijn belangen kan schaden, ook wanneer de toepasselijke regeling niet in een dergelijke formaliteit voorziet (Voetnoot 8).

29. Verzoekster doet een beroep op dit algemene rechtsbeginsel en grondrecht. Indien de Uniewetgever met artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 heeft beoogd dat andere grondrechten dan artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie niet kunnen worden ingeroepen bij het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit en de naleving van de eerbiediging hiervan wordt uitgesloten van een rechterlijke controle, komt de vraag of op deze beperking verenigbaar is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Procedurele waarborgen kunnen immers zinledig worden indien de niet-naleving door de autoriteiten daarvan niet aan een rechterlijke controle kan worden onderworpen en daardoor zonder gevolgen zullen blijven. Verzoekster moet, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook in de gelegenheid zijn om de eerbiediging van haar rechten af te dwingen door in de procedure waarin de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit wordt gecontroleerd door de rechterlijke instantie aan te kunnen voeren dat de bepaling van de verantwoordelijke lidstaat onzorgvuldig is verlopen. In het dossier is vermeld dat verzoekster bij haar aanmelding heeft verklaard dat zij op 29 november 2011 haar land van herkomst heeft verlaten en dat zij in Italië over een verblijfsvergunning heeft beschikt (Voetnoot 9). Verweerder is er aanvankelijk vanuit gegaan dat niet de Belgische, maar de Italiaanse autoriteiten verantwoordelijk zouden zijn voor het verzoek om internationale bescherming en hebben dat ook aan verzoekster medegedeeld en haar in de gelegenheid gesteld om bezwaren tegen een overdracht aan Italië kenbaar te maken (Voetnoot 10). Zo eenvoudig is de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat dus kennelijk niet geweest. Het bevreemdt dan ook dat verweerder het kennelijk niet nodig acht om verzoekster te horen of om schriftelijke zienswijze heeft gevraagd om zo de nodige informatie te verzamelen om de verantwoordelijke lidstaat te kunnen bepalen. Verweerder heeft bovendien een overdrachtsbesluit vastgesteld zonder zich uit eigen beweging te hebben vergewist van de persoonlijke omstandigheden van verzoekster en haar drie jonge kinderen. Verzoekster heeft bij haar aanmelding verklaard HIV (humaan immunodeficiëntievirus) te hebben (Voetnoot 11). Blijkens het aanmeldformulier heeft verweerder dit aangemerkt als aandachtspunt voor de opvangvoorzieningen, maar heeft verweerder hierin kennelijk geen aanleiding gezien om verzoekster om nadere informatie te vragen over de ernst van deze aandoening, de wijze waarop deze aandoening zich bij haar openbaart en de gevolgen die deze aandoening op dit moment heeft voor haar, mede in relatie tot de omvang van de zorgplicht die zij als alleenstaande moeder voor haar drie jonge kinderen heeft. Verweerder heeft beleid vastgesteld waarin is bepaald dat in terugnameprocedures geen persoonlijk onderhoud wordt gevoerd tenzij de verzoeker een niet-begeleide minderjarige is. Daargelaten dat verweerder zich niet nader heeft vergewist van de medische omstandigheden van verzoekster, heeft verweerder geen enkele informatie over haar kinderen vergaard en weet verweerder alleen wanneer en waar deze kinderen zijn geboren en welk geslacht en welke nationaliteit zij hebben. Verzoekster stelt dat de procedurele waarborgen die Verordening 2024/1351 biedt onvoldoende in acht zijn genomen en zij met verweerder had willen bespreken of de Belgische autoriteiten verantwoordelijk kunnen worden geacht, danwel dat verweerder de discretionaire clausule had moeten toepassen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster voorafgaand aan het vaststellen van het overdrachtsbesluit in de gelegenheid is gesteld om bezwaren kenbaar te maken tegen de overdracht aan België. Of verzoekster naar behoren en daadwerkelijk in staat is geweest om haar standpunt kenbaar te maken in het kader van een administratieve procedure en voordat het overdrachtsbesluit is genomen en of verweerder het verdedigingsbeginsel heeft geschonden, kan mede gelet op deze persoonlijke omstandigheden en gelet op het feitelijke verloop van de procedure en het geringe tijdsverloop hierin, naar het oordeel van de rechtbank, niet van een rechterlijke controle verstoken blijven. De rechtbank verzoekt het Hof dan ook om te verduidelijken of artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 geldig is voor zover hierin is bepaald dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de in artikel 43, lid 1, onder a), b) en c) genoemde gronden.

II Persoonlijk onderhoud in terugnameprocedure van minderjarige verzoeker?

30. Verzoekster stelt dat verweerder haar een persoonlijk onderhoud had moeten aanbieden. Verweerder heeft er op gewezen dat in het terugnameprocedures niet verplicht is om een persoonlijk onderhoud met de verzoeker te houden. Verweerder heeft in zijn beleid bepaald dat hij in terugnameprocedures daarom geen persoonlijk onderhoud voert, tenzij de verzoeker een niet-begeleide minderjarige is omdat dan het belang van het kind moet worden getoetst.

31. De rechtbank overweegt dat artikel 22 van Verordening 2024/1351 is opgenomen in “Deel III - Criteria en mechanismen voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat” en in Hoofdstuk I dat is getiteld “Algemene beginselen en waarborgen”. De regeling van het persoonlijk onderhoud is door de Uniewetgever dus niet opgenomen in Afdeling II van Hoofdstuk V, welke afdeling specifiek ziet op de procedures voor overnameverzoeken. In artikel 22, lid 1, van Verordening 2024/1351 is echter bepaald dat een persoonlijk onderhoud met de verzoeker wordt gevoerd met het oog op de toepassing van artikel 39, welke bepaling ziet op overnameprocedures. De Uniewetgever heeft de lidstaten kennelijk niet willen verplichten om in elke terugnameprocedure, ongeacht de concrete feiten en omstandigheden van de verzoeker, een persoonlijk onderhoud te moeten voeren. Uit de keuze om het voeren van een persoonlijk onderhoud op het nemen in het deel van Verordening 2024/1351 dat ziet op de wijze waarop de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald, leidt de rechtbank echter af dat niet uitgesloten kan worden geacht dat de lidstaten in bepaalde omstandigheden, toch verplicht kunnen zijn om ook in een procedure voor een terugname een persoonlijk onderhoud te voeren, danwel verplicht kunnen zijn om te motiveren waarom zij hier van afzien. Het komt de rechtbank voor dat het vereiste van zorgvuldig handelen, dat in alle procedures geldt, in specifieke omstandigheden immers zou kunnen meebrengen dat een persoonlijk onderhoud aangewezen is omdat het schriftelijk bezwaren kenbaar kunnen maken niet volstaat om de autoriteiten te kunnen helpen bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor het verzoek om internationale bescherming en niet volstaat om de bevoegde autoriteiten naar behoren gemotiveerde redenen voor te leggen om hen te doen overwegen artikel 35, lid 1, van Verordening 2024/1351 toe te passen.

32. De Uniewetgever heeft in overweging 60 van Verordening 2024/1351 vermeld dat om er zeker van te zijn dat alle relevante informatie van de verzoeker wordt verkregen om correct vast te kunnen stellen welke lidstaat verantwoordelijk is, een lidstaat die het persoonlijk onderhoud achterwege laat de verzoeker de mogelijkheid moet bieden om alle aanvullende informatie te overleggen, met inbegrip van naar behoren gemotiveerde redenen op basis waarvan de autoriteit de noodzaak van een persoonlijk onderhoud kan overwegen. De rechtbank merkt op dat het kennelijk de bedoeling van de Uniewetgever is geweest om de verzoeker voorafgaand aan de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze hierover te geven. Het persoonlijk onderhoud moet namelijk plaatsvinden in de fase voorafgaand aan de verantwoordelijkheidsvaststelling. Hieruit volgt logischerwijze dat de verzoeker dan ook in die fase moet kunnen verzoeken om een persoonlijk onderhoud en de noodzaak daarvan moet kunnen aanvoeren. In het hoofdgeding is verzoekster hiertoe niet in de gelegenheid gesteld.

33. In overweging 60 wordt het moeten voeren van een onderhoud niet gekoppeld aan de overnameprocedure en lijkt de waarborg van een persoonlijk onderhoud het uitgangspunt in een procedure op grond van Verordening 2024/1351 te zijn. De uitzonderingen op het moeten voeren van een persoonlijk onderhoud zijn namelijk concreet opgesomd. Zoals hiervoor overwogen kan het horen ook geschieden door de mogelijkheid te bieden om een schriftelijke zienswijze te geven. Een schriftelijke zienswijze zou in dat geval ook de gelegenheid moeten bieden om om een persoonlijk onderhoud te verzoeken en de noodzaak van een persoonlijk onderhoud aan te voeren. Dat zou betekenen dat deze schriftelijke zienswijze moet kunnen worden gegeven voordat bij een andere lidstaat een kennisgeving van een terugname wordt ingediend. In artikel 22, lid 2, van Verordening 2024/1351 is bepaald dat het persoonlijk onderhoud tijdig plaatsvindt en in ieder geval voordat er een overnameverzoek op grond van artikel 39 wordt gedaan. Niet valt in te zien waarom in terugnameprocedures dan geen gelegenheid moet worden geboden om een schriftelijke zienswijze te geven om te verzoeken om een persoonlijk onderhoud voordat een kennisgeving inzake terugname wordt gedaan.

34. De rechtbank vraagt zich af of, indien dit onderscheid in procedurele waarborgen tussen overname- en terugnameprocedures, zoals dit anders dan in overweging 60, wel in artikel 22 van Verordening 2024/1351 is neergelegd, door de Uniewetgever daadwerkelijk is beoogd en gerechtvaardigd moet worden geacht, het afzien van een persoonlijk onderhoud mag plaatsvinden zonder zich eerst te vergewissen van de concrete omstandigheden van de betreffende verzoeker, als deze verzoeker of een van de verzoekers, minderjarig is. De rechtbank vraagt zich ook af, gelet op overweging 60 van Verordening 2024/1351, of in geval de verzoeker of een van de verzoekers minderjarig is, moet worden gemotiveerd waarom is afgezien van een persoonlijk onderhoud. Verweerder heeft in zijn beleid neergelegd dat er geen persoonlijk onderhoud plaatsvindt in terugnameprocedures als de verzoeker geen niet-begeleide minderjarige is. Dit betekent dat alle andere minderjarige verzoekers categorisch en dus ongeacht hun persoonlijke omstandigheden, zijn uitgesloten van de mogelijkheid om in hun persoonlijk onderhoud bezwaren te maken tegen een overdracht. De rechtbank vraagt zich niet alleen af hoe dit zich verhoudt met de inherente kwetsbaarheid die minderjarigen aan hun leeftijd ontlenen, maar ook hoe zich dit verhoudt met de verplichting van verweerder om het belang van het kind een eerste overweging te laten zijn in de terugnameprocedure. Het Hof heeft in het arrest van 11 juni 2024 in de zaak K.L immers onder meer verduidelijkt dat belang van het kind niet enkel in aanmerking moet worden genomen bij de inhoudelijke beoordeling van verzoeken met betrekking tot kinderen, maar ook, middels specifieke procedurele waarborgen, van invloed moet zijn op de besluitvormingsprocedure die tot die beoordeling leidt (Voetnoot 12). Het Hof heeft bij deze verduidelijking gewezen op artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 3, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind. Deze verduidelijking is dus overeenkomstig van toepassing op alle procedures waarin Verordening 2024/1351 voorziet en daarmee ook op terugnameprocedures.

35. Artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 bepaalt onder meer dat bij alle procedures waarin deze verordening voorziet, het belang van het kind de eerste overweging voor de lidstaten vormt. Deze verplichting geldt onverkort in terugnameprocedures. Dat kan ook niet anders omdat deze verplichting de concretisering is van artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten. Deze verplichting van de lidstaten geldt ten aanzien van alle minderjarige kinderen en dus ook ten aanzien van de minderjarige kinderen die niet op grond van artikel 2, onder 11, van Verordening 2024/1351 zijn aan te merken als ‘niet-begeleide minderjarigen”.

36. Verweerder vindt dat hij voldoende rekening heeft gehouden met het belang van het kind. Artikel 36, lid 2, van Verordening 2024/1351 bepaalt dat, kort gezegd, kinderen en ouders bij elkaar moeten blijven en met oplegging van dit overdrachtsbesluit is daaraan voldaan. Daarmee heeft verweerder het belang van het kind voldoende betrokken, aldus verweerder.

37. De rechtbank is het hier niet mee eens en wijst op overweging 46 van Verordening 2024/1351 waarin onder meer is vermeld dat bij het beoordelen van het belang van het kind de lidstaten met name het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige op de korte, middellange en lange termijn, overwegingen van veiligheid en de opvattingen van de minderjarige, in overeenstemming met zijn leeftijd en mate van volwassenheid, alsook met diens achtergrond, terdege in aanmerking dienen te nemen. Deze verduidelijking van wat moet worden betrokken bij het beoordelen van het belang van het kind is ook neergelegd in artikel 23, lid 4, van Verordening 2024/1351. Overweging 46 en artikel 23, lid 4, van Verordening 2024/1351 hebben grotendeels betrekking op alle minderjarigen, waarbij onder het begrip “minderjarige” op grond van artikel 2, onder 11, van Verordening 2024/1351 een onderdaan van een derde land of een staatloze die jonger is dan 18 jaar moet worden volstaan.

38. De vraag rijst dus of het aangewezen kan zijn om een persoonlijk onderhoud te voeren om het belang van het kind te onderzoeken alvorens een overdrachtsbesluit vast te stellen dat zich (mede) richt tot een minderjarige, danwel gevolgen heeft voor minderjarigen en het voeren van een persoonlijk onderhoud in deze procedures van minderjarigen tot uitgangspunt te nemen. Deze verplichting is niet uitdrukkelijk neergelegd in Verordening 2024/1351, maar kan mogelijk wel worden afgeleid uit de verplichting om het belang van het kind in alle procedures een eerste overweging te laten vormen. Verweerder heeft in zijn beleid bepaald dat in terugnameprocedures niet-begeleide minderjarigen wel worden gehoord om zodoende het belang van het kind vast te kunnen stellen. Verweerder heeft toegelicht dat dit onderzoek uitsluitend wordt verricht omdat niet kan worden voldaan aan de verplichting om minderjarige kinderen en hun ouders niet te scheiden. Zoals hiervoor overwogen is de opvatting over wat moet worden verstaan onder het belang van het kind niet juist gelet op de verduidelijking die onder meer te vinden is in Verordening 2024/1351.

39. In artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 is onder meer bepaald dat bij alle procedures waarin deze verordening voorziet, het belang van het kind de eerste overweging voor de lidstaten vormt. Het is evident, gelet op deze formulering en gelet op artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat deze verplichting zich tot de autoriteiten richt. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat verweerder een kennisgeving inzake de terugname bij de Belgische autoriteiten mag indienen en vanwege de ontvangstbevestiging van deze kennisgeving een overdrachtsbesluit mag vaststellen en dat het aan verzoekster is om aan te voeren waarom het belang van het kind zich tegen de overdracht verzet, getuigt dit, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook van een onjuiste rechtsopvatting.

40. Bij alle procedures waarin deze verordening voorziet, moet het belang van het kind de eerste overweging voor de lidstaten vormen. Aan deze verplichting kan uitsluitend worden voldaan als deze autoriteiten zich dan ook uit eigen beweging vergewissen wat het belang van het kind is alvorens een (overdrachts-)besluit vast te stellen. Immers, zonder te weten wat het belang van het kind in een concrete procedure is, kan niet worden volgehouden dat het belang van het kind een eerste overweging vormt. Dit geldt temeer als reeds een kennisgeving inzake de terugname bij een andere lidstaat wordt ingediend voordat de mogelijkheid wordt geboden om een persoonlijk onderhoud te voeren of schriftelijk bezwaar te maken tegen een mogelijke overdracht. De verplichting om het belang van het kind een eerste overweging te laten zijn, heeft betrekking op alle handelingen in verband met kinderen. Dit volgt uit artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten en is dus niet beperkt tot het nemen van besluiten en ziet dus ook op het indienen van een kennisgeving inzake terugname en het moment waarop dit geschiedt.

41. Verweerder hoort bij wijze van uitgangspunt alle minderjarigen tenzij dit niet in hun belang is. Ook begeleide minderjarigen kunnen worden gehoord indien zij dat wensen (Voetnoot 13). Verweerder heeft in zijn beleid bepaald dat begeleide minderjarige kinderen in een Verordening 2024/1351-procedure in afwijking van dit beleid de gelegenheid krijgen hun mening schriftelijk naar voren te brengen, ook wanneer hun ouders niet worden gehoord (Voetnoot 14). De rechtbank overweegt dat dit beleid niet voorziet in deze mogelijkheid voordat de kennisgeving inzake terugname wordt ingediend. In het hoofdgeding heeft te gelden dat de kinderen van verzoekster zes maanden oud en vier jaar oud zijn en dus niet schriftelijk of mondeling kunnen worden gehoord. Verweerder is echter niet nagegaan of hij verzoekster in de gelegenheid moet stellen om namens haar kinderen een schriftelijke zienswijze naar voren te brengen alvorens te bepalen dat de Belgische autoriteiten verantwoordelijk kunnen worden gehouden en geen aanleiding bestaat om de discretionaire clausule bevoegdheid toe te passen.

42. Het beginsel van behoorlijk bestuur, welk beginsel als een grondrecht is opgenomen in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten, is nauw verweven met het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, dat als een grondrecht is opgenomen in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten. Het Hof heeft eerder verduidelijkt dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging een fundamenteel beginsel van het Unierecht vormt en van welk beginsel het recht om in elke procedure te worden gehoord integraal deel uitmaakt. In het arrest van 9 juli 2026 in de zaak Adão da Fonseca-Engenheiros Consultores, Lda, heeft het Hof ook verduidelijkt dat volgens vaste rechtspraak het recht om te worden gehoord binnen de werkingssfeer van het Unierecht waarborgt dat eenieder in staat wordt gesteld om naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken in het kader van een administratieve procedure en voordat een besluit wordt genomen dat voor hem bezwarend is of zijn belangen kan schaden, ook wanneer de toepasselijke regeling niet in een dergelijke formaliteit voorziet.

43. Ook indien de Uniewetgever heeft beoogd om de lidstaten niet te verplichten om in elke terugnameprocedure een persoonlijk onderhoud te voeren, vraagt de rechtbank zich af of de verplichting om het belang van het kind een eerste overweging te laten zijn, mee moet brengen dat de beslissing om geen persoonlijk onderhoud te voeren, moet worden gebaseerd op een beoordeling van de individuele omstandigheden van de verzoeker indien de verzoeker, of een van de verzoekers, minderjarig is. Dat zou immers ook betekenen dat verweerder moet motiveren waarom hij heeft afgezien van het persoonlijk onderhoud en daardoor zowel de verzoeker, als de rechtbank kan controleren op welk wijze verweerder zich heeft vergewist van het belang van het kind en op welk wijze verweerder dit belang heeft betrokken in zijn beslissing om geen persoonlijk onderhoud te voeren en een overdrachtsbesluit vast te stellen. Het aan een rechterlijke controle kunnen laten onderwerpen van het handelen van de autoriteiten is een van de waarborgen die het recht op een doeltreffende voorziening in rechte garandeert. Indien verweerder geen persoonlijk onderhoud voert, geeft verweerder hiermee te kennen dat hij meent over alle relevante informatie te beschikken om correct vast te kunnen stellen welke lidstaat verantwoordelijk is. In het hoofdgeding is de informatie die verweerder over verzoekster en haar kinderen heeft echter buitengewoon summier en kan bezwaarlijk worden volgehouden dat verweerder over alle relevante informatie heeft beschikt alvorens een kennisgeving inzake terugname in te dienen en alvorens een overdrachtsbesluit vast te stellen.

44. Verweerder heeft verzoekster gescreend en heeft verzoekster uitsluitend in die fase van de procedure en uitsluitend in het kader van de screening enkele vragen gesteld. Verweerder heeft zichzelf in staat geacht om op basis van deze screening en informatie uit Eurodac te beslissen dat hij verzoekster en haar drie minderjarige kinderen kan overdragen aan België en daarom een kennisgeving inzake de terugname kon indienen. Verweerder heeft geen persoonlijk onderhoud gevoerd en heeft in het overdrachtsbesluit niet gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om een persoonlijk onderhoud te voeren. Ter zitting heeft verweerder op vragen van de rechtbank verklaard dat verweerder op grond van zijn beleid geen persoonlijk onderhoud voert in terugnameprocedures tenzij de verzoeker een niet-begeleide minderjarige is. Verweerder heeft de beslissing om verzoekster niet te horen dus gebaseerd op zijn beleid en niet op de concrete feiten en omstandigheden en zonder over informatie over de drie kinderen van verzoekster te beschikken. Verweerder moet het belang van het kind onderzoeken om dit belang een eerste overweging te kunnen laten zijn. Ten tijde van het indienen van de kennisgeving van de terugname en tijde van het vaststellen van het overdrachtsbesluit heeft verweerder geen enkele informatie over deze kinderen vergaard en weet verweerder alleen wanneer en waar deze kinderen zijn geboren en welk geslacht en welke nationaliteit zij hebben. Verweerder is ervan de op de hoogte dat verzoekster een alleenstaande moeder is en HIV-besmet is. De rechtbank meent dat indien verweerder in deze situatie gehouden zou zijn om zijn beslissing om af te zien van een persoonlijk onderhoud te baseren op de concrete feiten en omstandigheden, verweerder aanstonds er van doordrongen zou zijn geraakt dat hij te weinig informatie had om de verantwoordelijke lidstaat te bepalen en te weinig informatie had om te beslissen dat de terugnameprocedure kon worden gestart. Alleen indien de verplichtingen die verweerder heeft om ook in terugnameprocedures het belang van het kind een eerste overweging te laten zijn, vereisen dat de beslissing om af te zien van een persoonlijk onderhoud moet worden gebaseerd op de individuele en specifieke omstandigheden van verzoekster en haar kinderen en deze beslissing moet worden gemotiveerd, kan het recht van verzoekster op behoorlijk bestuur en het recht op een doeltreffende voorziening ten volle worden gewaarborgd. De rechtbank verzoekt het Hof dan ook om te verduidelijken of artikel 22 van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 en met artikelen 24, lid 2, 41, lid 2 onder a), en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus moet worden uitgelegd dat de beslissing om af te zien van een persoonlijk onderhoud in een procedure inzake terugname moet worden gebaseerd op een beoordeling van de individuele omstandigheden van de verzoeker, indien deze verzoeker, of een van deze verzoekers, minderjarig is en vereist dat deze beslissing moet worden gemotiveerd.

III Omvang van de verplichting voor de rechterlijke autoriteiten om het belang van het kind te waarborgen

45. Indien het Hof in antwoord op de eerste vraag van de rechtbank verduidelijkt dat artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 geldig is ook voor zover hierin is bepaald dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de in artikel 43, lid 1, onder a), b) en c) genoemde gronden, betekent dit dat de naleving van verweerder van zijn verplichting om het belang van het kind een eerste overweging te laten vormen in de terugnameprocedure niet kan worden betrokken bij de rechterlijke controle van het overdrachtsbesluit. Ook als het Hof de eerste vraag van de rechtbank aldus beantwoord, ziet de rechtbank zich in het hoofdgeding voor de vraag gesteld op welke wijze de rechtbank invulling moet geven aan haar eigen verplichting om het belang van het kind een eerste overweging te laten zijn, welke verplichting voortvloeit uit artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

46. De verplichting om bij alle handelingen in verband met kinderen de belangen van het kind een essentiële overweging te laten vormen richt zich, naar het oordeel van de rechtbank, ook tot de rechterlijke instantie. De rechtbank wijst in dit verband op artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het Kind, waarin is bepaald dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen.

47. Artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is een equivalent van artikel 3, lid 1, van het Verdrag voor de Rechten van het Kind. De rechtbank wijst hierbij op het Handboek over het Europese Recht inzake Kinderrechten van de Fundamental Rights Agency (Voetnoot 15), waarin onder meer is opgenomen dat artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie rechtstreeks is geïnspireerd door het Verdrag inzake de rechten van het kind en het belang van het kind als een van de beginselen van dit Verdrag hierin terugkomt. Dit Handboek licht ook toe dat de bescherming van de rechten van het kind is aan te merken als algemene doelstelling van de Europese Unie, wat uitdrukkelijk blijkt uit artikel 3, vijfde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en uit de Richtsnoeren van de Europese Unie ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind (Voetnoot 16).

48. Dat de verplichting om het belang van het kind een eerste overweging te laten zijn niet alleen op grond van artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het Kind, maar ook op grond van het Unierecht mede is gericht tot de rechterlijke instanties volgt dus uit artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de Toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Voetnoot 17). Zoals eerder overwogen is in overweging 46 van Verordening 2024/1351 bovendien onder meer vermeld dat overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties van 1989 inzake de rechten van het kind en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, voor de lidstaten bij de toepassing van deze verordening het belang van het kind de eerste overweging dient te vormen. Daargelaten dat artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is gebaseerd op artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het Kind en dat de inhoud van artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 gelijkluidend is, dient het Unierecht overeenkomstig het Verdragsrecht te worden uitgelegd en toegepast. Het Unierecht kan de verplichtingen die de lidstaten als verdragspartij hebben niet beperken als de lidstaten optreden in hun hoedanigheid als lidstaat van de Unie.

49. Verweerder is op grond van artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 verplicht om bij alle procedures waarin deze verordening voorziet, het belang van het kind de eerste overweging te laten vormen. Verweerder heeft in het overdrachtsbesluit vermeld dat het in het belang van de minderjarige kinderen van verzoekster is om bij elkaar te blijven. In het overdrachtsbesluit is tevens vermeld dat de situatie van de kinderen onder de verantwoordelijkheid van België valt en dat verzoekster geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat overdracht aan België niet in het belang van haar kinderen is.

50. De rechtbank overweegt dat verweerder in het overdrachtsbesluit terecht heeft verwezen naar artikel 36, lid 2, van Verordening 2024/1351, waaruit volgt dat -kort gezegd- de kinderen van verzoekster bij haar blijven tenzij wordt aangetoond dat dat niet in hun belang is. Dit betekent echter niet dat hiermee reeds volledig is voldaan aan de verplichtingen die verweerder heeft op grond van artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dat het bij wijze van uitgangspunt wordt aangenomen dat het in het belang van haar kinderen is om bij hun moeder te blijven, brengt dan ook niet zonder meer mee dat de overdracht kan worden uitgevoerd. De kinderen kunnen immers ook bij hun moeder blijven in de verzoekende lidstaat; dit kan namelijk ook in het belang van het kind zijn. Indien de weging van het belang van het kind tot de conclusie zou leiden dat het belang van de kinderen indruist tegen de overdracht, zou dit vervolgens dan ook betekenen dat ook verzoekster niet kan worden overgedragen. De rechtbank overweegt dat dit niet afdoet aan het uitgangspunt dat slechts één lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming en die lidstaat in wezen in beginsel verantwoordelijk blijft voor deze verzoeker zolang deze op het grondgebied van de Unie verblijft. Het hogere belang van het kind, dat is verankerd in het Verdrag inzake de rechten van het Kind, kan immers meebrengen dat van een overdracht moet worden afgezien en dit hogere belang van het kind kan daarmee de verantwoordelijkheidsvaststelling bepalen.

51. In overweging 46 van Verordening 2024/1351 is vermeld dat bij het beoordelen van het belang van het kind, de lidstaten met name het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige op de korte, middellange en lange termijn, overwegingen van veiligheid en de opvattingen van de minderjarige, in overeenstemming met zijn leeftijd en mate van volwassenheid, alsook met diens achtergrond, terdege in aanmerking dienen te nemen. De rechtbank merkt op dat deze overweging, net als artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 ziet op alle minderjarigen en niet alleen op niet-begeleide minderjarige verzoekers.

52. Zoals hiervoor overwogen heeft verweerder zich in het geheel niet vergewist van het belang van de kinderen van verzoekster, heeft verweerder geen informatie over deze kinderen verzameld en heeft hij ook geen persoonlijk onderhoud met verzoekster gevoerd om tenminste zich nader te vergewissen van het belang van deze kinderen. De rechtbank stelt voorts vast dat verzoekster zich niet heeft beroepen op het belang van het kind.

53. Omdat verweerder het belang van het kind niet heeft onderzocht en verzoekster het belang van het kind niet heeft aangevoerd om bezwaar te maken tegen de terugname en het overdrachtsbesluit te betwisten, rijst de vraag wat de omvang van de verplichting is die de rechtbank heeft om het belang van het kind een eerste overweging te laten vormen in het hoofdgeding. De rechtbank vraagt zich af of zij gehouden is om, in dit geval ambtshalve omdat partijen dit niet hebben gedaan, zich nader te vergewissen wat het belang van het kind is en te onderzoeken op grond van het (zeer summiere) dossier en mogelijk door het benoemen van een deskundige, of een mogelijke overdracht aan België indruist tegen het belang van het kind.

54. Het Hof heeft in het arrest van 11 juni 2024 in de zaak K.L. onder meer voor recht verklaard dat dat artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van de grondrechten van de Europese Unie aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de bevoegde nationale autoriteit op een door een minderjarige ingediend verzoek om internationale bescherming beslist zonder het belang van deze minderjarige eerst in het kader van een individuele beoordeling concreet te hebben vastgesteld (Voetnoot 18). Het Hof heeft in dit arrest ook het navolgende overwogen:

(…)

73. Uit artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en uit artikel 3, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, dat op 20 november 1989 is vastgesteld door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, waar de toelichting op artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie uitdrukkelijk naar verwijst, blijkt dat het belang van het kind niet enkel in aanmerking moet worden genomen bij de inhoudelijke beoordeling van verzoeken met betrekking tot kinderen, maar ook, middels specifieke procedurele waarborgen, van invloed moet zijn op de besluitvormingsprocedure die tot die beoordeling leidt. Zoals het Comité voor de Rechten van het Kind van de Verenigde Naties heeft opgemerkt, verwijst de uitdrukking „belangen van het kind” in dit artikel 3, lid 1, immers tegelijkertijd naar een inhoudelijk recht, een uitleggingsbeginsel en een procedureregel [zie General Comment nr. 14 (2013) van het Comité voor de Rechten van het Kind over het recht van het kind dat zijn belangen de eerste overweging vormen (artikel 3, lid 1), CRC/C/GC/14, punt 6].”

(…)

55. In het hoofdgeding is de inhoudelijke beoordeling van het verzoek om internationale bescherming niet aan de orde omdat verweerder een overdrachtsbesluit heeft vastgesteld. Gelet op de verduidelijking die het Hof eerder heeft gegeven van artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, meent de rechtbank dat het belang van het kind op overeenkomstige wijze als het Hof heeft verduidelijkt in het arrest van 11 juni 2024 in de zaak K.L. moet worden betrokken in het hoofdgeding. De rechtbank verzoekt het Hof door het beantwoorden van de derde prejudiciële vraag om te verduidelijken of de zelfstandige verplichting voor de rechterlijke autoriteit om het belang van het kind een eerste overweging in haar beslissing te laten zijn, in het hoofdgeding ertoe moet leiden dat de rechtbank uit eigen beweging nader onderzoek naar dit belang van het kind verricht omdat beide partijen dit onvoldoende hebben gedaan.

IV Aanvang overdrachtstermijn als rechterlijke instantie niet binnen zes maanden na de kennisgeving inzake de terugname, heeft beslist op het eerste opschortingsverzoek

56. Verzoekster heeft gebruik gemaakt van haar recht om om opschortende werking te verzoeken. Dit betekent dat de uitvoering van het overdrachtsbesluit wordt opgeschort en verzoekster en haar kinderen (in ieder geval) niet aan België mogen worden overgedragen totdat op het eerste verzoek om opschorting is beslist door de rechtbank.

57. Het opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit betekent niet dat de termijn waarbinnen de overdracht moet worden uitgevoerd wordt verlengd. De Uniewetgever heeft de omstandigheden op grond waarvan verweerder bevoegd is om de overdrachtstermijn te verlengen uitdrukkelijk en limitatief opgesomd. Deze omstandigheden zijn in het hoofdgeding (thans) niet aan de orde.

58. De Uniewetgever heeft in artikel 43, lid 3, van Verordening 2024/1351 termijnen bepaald voor de rechterlijke autoriteiten om beslissingen te nemen. Een beslissing over het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit wordt genomen binnen een maand na de datum waarop de bevoegde rechterlijke instantie dat verzoek heeft ontvangen. Indien opschortende werking wordt toegekend, tracht de rechterlijke instantie binnen een maand na de beslissing om opschortende werking toe te kennen, een beslissing ten gronde te nemen over het beroep of het bezwaar.

59. De Uniewetgever zal er hierbij, naar de rechtbank aanneemt, vanuit zijn gegaan dat rechterlijke instanties zonder meer in staat zullen zijn om aan deze verplichting te voldoen. Er is namelijk niet geregeld wat de gevolgen zijn als de rechterlijke instantie niet binnen deze termijnen beslist op het opschortingsverzoek of op het beroep of bezwaar. De rechtbank stelt ook vast dat beide partijen geen mogelijkheid hebben om een beslissing op het eerste opschortingsverzoek of beroep of bezwaar af te dwingen, danwel om het nemen van een dergelijke beslissing te bespoedigen.

60. Indien de rechterlijke instantie niet binnen deze termijnen beslist op het opschortingsverzoek of op het beroep of bezwaar, is dit ook geen omstandigheid die een bevoegdheid aan verweerder verleent om de overdrachtstermijn te verlengen. Het verstrijken van een periode van zes maanden vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek of de bevestiging van de kennisgeving inzake terugname door een andere lidstaat, voordat de rechtelijke instantie beslist op het eerste opschortingsverzoek geeft ook geen bevoegdheid om de overdrachtstermijn te verlengen.

61. Artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351 regelt wanneer de overdrachtstermijn aanvangt. De rechtbank vraagt zich af hoe deze regeling moet worden toegepast als de opschortende werking, zoals in het hoofdgeding, is verkregen doordat (tijdig) om opschorting is verzocht. Het lijkt erop dat de Uniewetgever heeft bepaald dat uitsluitend indien de rechterlijke instantie een beslissing op het eerste opschortingsverzoek neemt en opschortende werking toekent, de overdrachtstermijn aanvangt bij de definitieve beslissing op bezwaar en beroep.

62. Verzoekster heeft een doeltreffend rechtsmiddel doordat zij om opschorting van de uitvoering van het overdrachtsbesluit kan verzoeken en zo kan bewerkstelligen dat zij en haar kinderen niet mogen worden overgedragen aan België voordat de rechtbank beslist op het eerste opschortingsverzoek.

63. Verweerder heeft geen mogelijkheid om om opschorting te verzoeken omdat beroep en bezwaar alleen openstaat voor de adressaat van een overdrachtsbesluit. Het Hof heeft in het arrest van 30 maart 2023 in de zaak, N., S.S. en J.Y. hieraan toegevoegd dat de bevoegde autoriteiten geen enkel belang bij hebben het opkomen tegen hun eigen besluiten (Voetnoot 19).

64. Verweerder heeft op 20 augustus 2026 een kennisgeving inzake terugname ingediend bij de Belgische autoriteiten. De Belgische autoriteiten hebben de ontvangst van de kennisgeving op 21 augustus 2026 bevestigd. Verzoekster heeft op 2 september 2026 beroep ingesteld tegen het overdrachtsbesluit en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen om de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten.

65. Doordat de rechtbank het noodzakelijk acht om prejudiciële vragen aan het Hof te stellen alvorens het hoofdgeding te kunnen beslechten, voldoet de rechtbank niet aan haar verplichting om binnen een maand na 2 september 2026 een beslissing over het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit te nemen. Indien het Hof de vragen van de rechtbank niet in de prejudiciële spoedprocedure behandelt, zal er, zeer waarschijnlijk, een termijn van zes maanden nadat de Belgische autoriteiten de kennisgeving inzake de terugname hebben bevestigd en daarmee verantwoordelijkheid voor het verzoek om internationale bescherming hebben, erkend verstrijken voordat de rechtbank beslist op het eerste opschortingsverzoek en het beroep.

66. Het verzoeken om opschortende werking is een rechtsmiddel van verzoekster. Omdat verzoekster tijdig om opschortende werking heeft verzocht, is verweerder niet bevoegd om het overdrachtsbesluit uit te voeren. Verzoekster heeft dus reeds door het verzoeken om opschortende werking bewerkstelligd dat zij en haar kinderen in Nederland mogen blijven totdat de rechtbank uitspraak doet op hun eerste opschortingsverzoek. De rechtbank kan geen beslissing nemen voordat het Hof heeft verduidelijkt wat de draagwijdte van het rechtsmiddel is en heeft verduidelijkt op welke wijze de rechtbank invulling moet geven aan haar verplichting om het belang van het kind een eerste overweging te laten zijn. De rechtbank kan het opschortingsverzoek niet toewijzen met als doel het voorkomen van het verstrijken van de overdrachtstermijn. Dit acht de rechtbank namelijk niet verenigbaar met de strekking en ratio van het rechtsmiddel dat -uitsluitend- aan verzoekster toekomt en er alleen toe strekt om opschortende werking te verkrijgen. Verzoekster heeft derhalve geen belang meer bij een beslissing van de rechtbank waarin opschortende werking wordt toegekend, omdat zij en haar kinderen die reeds hebben verkregen.

67. Artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351 bepaalt onder meer dat een verzoeker (…) wordt overgedragen zodra dat praktisch mogelijk is en binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek of de bevestiging van de kennisgeving inzake terugname door een andere lidstaat, of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit met opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3. De rechtbank verzoekt het Hof om te verduidelijken hoe “vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit met opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3” moet worden begrepen.

68. Indien in de situatie in het hoofdgeding, waarin opschortende werking is verkregen uitsluitend door het tijdig verzoeken om opschorting, de overdrachtstermijn aanvangt op het moment dat de rechtbank uitspraak doet op het beroep, betekent dit dat het aanvangsmoment ongewis is en dat de procedure om de verantwoordelijke lidstaat vast te stellen en de overdracht uit te voeren in ieder geval een aanzienlijke duur zal kennen.

69. Het Hof heeft eerder verduidelijkt, bij de uitlegging van enkele bepalingen uit Verordening 604/2013, dat de wetgever van de Europese Unie heeft willen bevorderen dat overdrachtsbesluiten snel worden uitgevoerd, maar dit niet wegneemt dat hij de rechtsbescherming van personen die om internationale bescherming verzoeken niet heeft willen opofferen aan het vereiste dat hun verzoek snel wordt afgehandeld, en dat hij ter waarborging van die bescherming heeft bepaald dat de uitvoering van die besluiten in bepaalde gevallen kan worden opgeschort (Voetnoot 20). Het Hof heeft echter ook bij die uitlegging benoemd dat dwingende termijnen voor overname- en terugnameprocedures op doorslaggevende wijze bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstelling van een snelle behandeling van verzoeken om internationale bescherming.

70. In punt 37 van Verordening 2024/1351 is onder meer vermeld dat een duidelijke en werkbare methode om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de

behandeling van een verzoek om internationale bescherming moet zijn gebaseerd op objectieve en zowel voor de lidstaten als voor de betrokken personen eerlijke criteria en dat met name snel kunnen worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is, teneinde de vlotte en daadwerkelijke toegang tot billijke en doeltreffende procedures voor het

verlenen van internationale bescherming te waarborgen en de doelstelling om verzoeken om internationale bescherming snel te behandelen, niet te ondermijnen. In punt 64 van Verordening 2024/1351 is vermeld dat met het oog op een snelle vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat de termijnen voor het indienen en beantwoorden van overnameverzoeken, voor het doen van kennisgevingen inzake terugname en voor het instellen van en het beslissen over beroepen, worden gestroomlijnd en ingekort, onverminderd de grondrechten van de verzoekers. De rechtbank leidt hieruit af dat de Uniewetgever ook met Verordening 2024/1351 ‘snelheid, maar zonder afbreuk te doen aan grondrechten van de verzoekers’ heeft beoogd.

71. De rechtbank stelt vast dat niet is voorzien in een regeling die gevolgen toekent aan het niet binnen de termijnen beslissen door de rechterlijke instantie. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of indien zij niet binnen een termijn van zes maanden vanaf de bevestiging van de kennisgeving inzake terugname door de Belgische autoriteiten beslist op het eerste opschortingsverzoek, dit reeds betekent dat Nederland verantwoordelijk wordt zoals bedoeld in artikel 46, lid 2, van Verordening 2024/1351, of dat ook in die situatie de overdrachtstermijn -pas- aanvangt op het moment dat de rechtbank uitspraak doet op het beroep tegen het overdrachtsbesluit.

72. Indien het Hof artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351 aldus uitlegt dat de opschortende werking die is verkregen doordat verzoekster tijdig om opschorting van de uitvoering van het overdrachtsbesluit heeft verzocht betekent dat de overdrachtstermijn aanvangt op het moment dat de rechtbank uitspraak op het beroep doet, betekent het dat het onzeker is wanneer de termijn waarbinnen de overdracht kan worden uitgevoerd aanvangt en dat de termijn tussen het instellen van het rechtsmiddel en het afronden van de procedure geen maximale duur kent. De rechtbank lijkt dit niet verenigbaar met de wens van de Uniewetgever zoals deze blijkt uit punten 37 en 64 van Verordening 2024/1351. Deze uitlegging zou ook betekenen dat de duur van de procedure in al die procedures waarin om opschortende werking wordt verzocht, geen door partijen afdwingbare aanvang van de overdrachtstermijn kennen. Aan het erkennen van opschortende werking door een rechterlijke instantie komt dan slechts geringe waarde toe omdat het doel van het verzoeken om opschortende werking reeds is bereikt door het enkele verzoeken hierom

73. Een ongewisse en niet strikt afgebakende duur van de procedure is niet in het belang van verzoekster die gedurende de gehele procedure in onzekerheid zal verkeren welke lidstaat het verzoek van haar en haar kinderen om internationale bescherming zal behandelen. De rechtbank wijst er hierbij op dat de Uniewetgever bovendien heeft bepaald dat de verzoeker vanaf het moment van kennisgeving van een besluit tot overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat geen recht op de opvangvoorzieningen als vermeld in de artikelen 17 tot en met 20 van die richtlijn heeft in een andere lidstaat dan die waar de verzoeker op grond van artikel 17, lid 4, van deze verordening vereist wordt aanwezig te zijn. In het hoofdgeding is dit niet aan de orde omdat verzoekster niet door de Belgische autoriteiten in kennis is gesteld van haar verplichtingen en de gevolgen van de niet-nakoming daarvan overeenkomstig artikel 11, lid 1, punt b), van Verordening 2024/1356 of artikel 5, lid 1, en artikel 21 van Richtlijn 2024/1346. De beantwoording van deze vierde prejudiciële vraag van de rechtbank zal evenwel ook relevant zijn voor procedures waarin de opvang wel wordt beëindigd op de wijze als voorzien in artikel 18, eerste lid, van Verordening 2024/1351.

74. Deze uitlegging waarbij het enkele (tijdig) verzoeken om opschortende werking reeds betekent dat de overdrachtstermijn -pas- aanvangt als de rechterlijke instantie een beslissing neemt op het beroep en bezwaar zou meebrengen dat het ongewis en onzeker is hoe lang de fase van de procedure vanaf het moment van het indienen van een opschortingsverzoek tot aan de uiterste datum waarop de overdracht moet zijn uitgevoerd duurt. Omdat deze fase dan ook niet in tijd is begrenst, kan dit mogelijk tot willekeur leiden en onaanvaardbare verschillen voor verzoekers naar gelang bij welke rechterlijke instantie en in welke lidstaat een verzoek om internationale bescherming wordt ingediend. Denkbaar is immers dat een groot aantal verzoeken en andere ‘werkvoorraad zaken’, waarvoor geen verzoek op het solidariteitsmechanisme kan worden gedaan, bepalend zal zijn voor de totale duur van de procedure waarin de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald en de overdracht wordt uitgevoerd. Een van de doelstellingen van het Asiel- en Migratiepact is het terugdringen van secundaire migratie. Om die doelstelling te verwezenlijken zijn in Verordening 2024/1351 termijnen bepaald voor de verschillende fases van de procedures. Een fase die niet strikt afgebakend is en niet begrensd is in duur, lijkt onverenigbaar met deze uitgangspunten en zullen tot verschillen tussen de lidstaten leiden. Verschillen in de duur van de procedure kunnen vervolgens secundaire migratie in de hand werken, althans zullen niet bijdragen aan het voorkomen hiervan.

75. Indien het Hof artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351 aldus uitlegt dat de opschortende werking die uitsluitend is verkregen doordat verzoekster tijdig om opschorting van de uitvoering van het overdrachtsbesluit heeft verzocht betekent dat de overdrachtstermijn niet aanvangt op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, rijst de vraag of dit betekent dat Nederland verantwoordelijk wordt voor het verzoek om internationale bescherming als de rechtbank niet beslist binnen zes maanden vanaf de bevestiging van de kennisgeving inzake de terugname door de Belgische autoriteiten. Indien die conclusie moet worden getrokken, doet dit, zo meent de rechtbank, ook afbreuk aan de ratio van Verordening 2024/1351 en de wijze waarop is geregeld welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming. Verweerder heeft geen invloed op het moment waarop de rechterlijke instantie in staat is om te beslissen op het eerste opschortingsverzoek en het beroep en Verordening 2024/3151 biedt de lidstaten geen mogelijkheid om te voorkomen dat de overdrachtstermijn verstrijkt indien de rechterlijke instantie niet voldoet aan de beslistermijnen.

76. De rechtbank verzoekt het Hof daarom te verduidelijken of de zinsnede “vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit met opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3”, in artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351, aldus moet worden begrepen dat dit uitsluitend ziet op de situatie dat de rechterlijke instantie een beslissing over het opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit heeft genomen en opschortende werking heeft toegekend.

77. De rechtbank merkt hierbij uitdrukkelijk op dat deze vraag geen louter hypothetische vraag is ondanks dat in het hoofdgeding de situatie nu nog niet aan de orde is dat er een termijn van zes maanden is verstreken nadat de Belgische autoriteiten door de bevestiging van de kennisgeving inzake de terugname hun verantwoordelijkheid hebben erkend. De rechtbank voorziet namelijk reeds nu dat zij niet in staat zal zijn om te beslissen op het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit en het beroep voor het verstrijken van deze termijn in het geval het Hof de vragen niet in de prejudiciële spoedprocedure zal behandelen. Afhankelijk van de verduidelijking die het Hof zal geven, zal alsdan mogelijk moeten worden geconcludeerd dat Nederland verantwoordelijk wordt vanwege het verstrijken van zes maanden na de datum waarop de rechtbank het verzoek om opschorting van het overdrachtsbesluit heeft ontvangen. De rechtbank verzoekt het Hof, gelet op al het voorgaande om ook de vierde prejudiciële vraag van de rechtbank te beantwoorden.

Conclusie en prejudiciële vragen

78. Verzoekster is een alleenstaande moeder die afkomstig is uit Nigeria. Zij heeft mede namens haar drie kinderen, een baby van zes maanden en een tweeling van 4 jaar oud, die in België zijn geboren en net als verzoekster de Nigeriaanse nationaliteit hebben, een verzoek om internationale bescherming in Nederland ingediend.

79. Verweerder heeft een kennisgeving terzake terugname ingediend bij de Belgische autoriteiten en de Belgische autoriteiten hebben deze kennisgeving bevestigd en daarmee erkend verantwoordelijk te zijn voor het verzoek om internationale bescherming van verzoekster en haar kinderen.

80. Verzoekster maakt bezwaar tegen de overdracht aan België en legt hieraan met name ten grondslag dat verweerder essentiële procedurele waarborgen die Verordening 2024/1351 bevat niet heeft nageleefd en dat haar verdedigingsrechten zijn geschonden.

81. De Uniewetgever lijkt in de regeling van de rechtsmiddelen, die is neergelegd in artikel 43 van Verordening 2024/1351, de draagwijdte van de omvang van het rechtsmiddel te hebben beperkt tot drie concreet opgesomde situaties.

82. Indien de Uniewetgever met artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 heeft beoogd dat andere grondrechten dan artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie niet kunnen worden ingeroepen bij het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit, komt de vraag of op deze beperking verenigbaar is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

83. Verzoekster beroept zich in wezen op haar grondrecht op behoorlijk bestuur en haar grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte, welke grondrechten zijn neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verordening 2024/1351 bevat naast verplichtingen voor de verzoeker, meerdere procedurele waarborgen en verplichtingen voor de autoriteiten. Indien verzoekster de niet-naleving door verweerder van deze verplichtingen niet ten gronde kan leggen aan haar rechtsmiddel, ontneemt dit het nuttig effect aan deze waarborgen. De niet-naleving blijft dan immers zonder gevolgen en levert bovendien een risico op dat verweerder niet over alle relevante feiten en omstandigheden beschikt om de verantwoordelijke lidstaat te bepalen en te onderzoeken of hij toepassing zal geven aan de discretionaire clausule.

84. Voor zover de Uniewetgever heeft beoogd om met artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 uit te sluiten dat verzoekster zich kan beroepen op andere grondrechten dan artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de naleving van deze grondrechten door de autoriteiten uit te sluiten van de rechterlijke controle van het overdrachtsbesluit, verzoekt de rechtbank het Hof om te beoordelen of deze bepaling geldig is.

85. Verzoekster stelt zich onder meer op het standpunt dat verweerder haar een persoonlijk onderhoud moeten aanbieden. De Uniewetgever lijkt de lidstaten in artikel 22 van Verordening 2024/1351 uitsluitend in overnameprocedures te verplichten om een persoonlijk onderhoud met een verzoeker te houden voordat een verzoek om overname wordt gedaan, behoudens in een aantal specifiek genoemde situaties. De rechtbank heeft gewezen op de verplichting voor verweerder om het belang van het kind een eerste overweging bij alle procedures op grond van Verordening 2024/1351 te laten vormen. Deze verplichting vereist dat verweerder zich vergewist van het belang van het kind omdat verweerder zonder dit belang vast te stellen, dit belang niet kan betrekken bij zijn handelen. Zowel verzoekster als de rechtbank moeten kunnen controleren op welke wijze en in welke mate verweerder zich heeft vergewist van het belang van het kind. Verweerder heeft geen enkele vraag aan verzoekster gesteld over haar kinderen en weet van deze drie kinderen alleen hoe oud ze zijn, wanneer en waar ze zijn geboren, welk geslacht en welke nationaliteit ze hebben. Desondanks heeft verweerder in deze specifieke procedure geen persoonlijk onderhoud gevoerd omdat verweerder in zijn beleid heeft bepaald dat in terugnameprocedures geen persoonlijk onderhoud wordt gevoerd tenzij de verzoeker een niet-begeleide minderjarige is. Verweerder meent dat ten aanzien van alle andere minderjarige verzoekers zijn enige verplichting erin bestaat om de kinderen en ouders bijeen te houden en dat dit dan volstaat om het belang van het kind een eerste overweging te laten zijn. In dit verband rijst de vraag of de beslissing om af te zien van een persoonlijk onderhoud in een procedure inzake terugname moet worden gebaseerd op een beoordeling van de individuele omstandigheden van de verzoeker, indien deze verzoeker, of een van deze verzoekers, minderjarig is en vereist dat deze beslissing moet worden gemotiveerd.

86. Ook indien het Hof de eerste prejudiciële vraag van de rechtbank aldus zou beantwoorden dat artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 met inbegrip van de beperking van de draagwijdte van het rechtsmiddel geldig is en het belang van het kind niet door partijen onderdeel van de rechterlijke controle kunnen worden gemaakt, ziet de rechtbank zich in het hoofdgeding voor de vraag gesteld op welke wijze de rechtbank invulling moet geven aan haar eigen verplichting om het belang van het kind een eerste overweging te laten zijn.

87. Omdat verweerder het belang van het kind niet concreet heeft onderzocht en verzoekster zich niet beroept op het belang van haar kinderen, rijst de vraag wat de omvang van de verplichting is die de rechtbank zelf heeft om het belang van het kind een eerste overweging te laten vormen in het hoofdgeding. De rechtbank vraagt zich af of zij gehouden is om, in dit geval ambtshalve omdat partijen dit niet hebben gedaan, zich nader te vergewissen wat het belang van de kinderen van verzoekster is en te onderzoeken op grond van het dossier en mogelijk door het benoemen van een deskundige, of een mogelijke overdracht aan België Italië indruist tegen dit belang.

88. Tot slot rijst de vraag wanneer in het hoofdgeding de overdrachtstermijn aanvangt.

89. In het hoofdgeding heeft verweerder een termijn van zes maanden om verzoekster en haar kinderen over te dragen aan België. Er zijn geen omstandigheden aan de orde op grond waarvan verweerder de mogelijkheid heeft om de overdrachtstermijn te verlengen. Thans is verweerder niet bevoegd om de overdracht uit te voeren omdat verzoekster heeft verzocht om opschortende werking en de rechtbank nog geen beslissing heeft genomen op dit opschortingsverzoek.

90. De Uniewetgever heeft in artikel 43, lid 3, van Verordening 2024/1351 termijnen bepaald voor de rechterlijke autoriteiten om beslissingen te nemen. Er is niet geregeld wat de gevolgen zijn als de rechterlijke instantie niet binnen deze termijnen beslist op het opschortingsverzoek of op het beroep of bezwaar. De rechtbank stelt ook vast dat beide partijen geen mogelijkheid hebben om een beslissing op het eerste opschortingsverzoek of beroep of bezwaar af te dwingen.

91. Doordat de rechtbank het noodzakelijk acht om prejudiciële vragen aan het Hof te stellen alvorens het hoofdgeding te kunnen beslechten, voldoet de rechtbank niet aan haar verplichting om binnen een maand na 2 september 2026, de dag waarop verzoekster om opschortende werking heeft verzocht, een beslissing over het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit te nemen. Indien het Hof de vragen van de rechtbank niet in de prejudiciële spoedprocedure behandelt, zal er een termijn van zes maanden nadat de Belgische autoriteiten hun verantwoordelijkheid hebben erkend door de kennisgeving terzake de terugname te bevestigen verstrijken voordat de rechtbank beslist op het eerste opschortingsverzoek en het beroep.

92. Artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351 regelt wanneer de overdrachtstermijn aanvangt en bepaalt onder meer dat een verzoeker (…) wordt overgedragen zodra dat praktisch mogelijk is en binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek of de bevestiging van de kennisgeving inzake terugname door een andere lidstaat, of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit met opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3. De rechtbank verzoekt het Hof om te verduidelijken hoe “vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit met opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3” moet worden begrepen.

93. Indien in de situatie in het hoofdgeding, waarin opschortende werking is verkregen uitsluitend door het tijdig verzoeken om opschorting, de overdrachtstermijn aanvangt op het moment dat de rechtbank uitspraak doet op de beroepen, betekent dit dat de procedure om de verantwoordelijke lidstaat vast te stellen en de overdracht uit te voeren een aanzienlijke duur zal kennen en verzoekster de gehele procedure in onzekerheid zal verkeren of verweerder haar verzoek om internationale bescherming zal behandelen.

94. Indien het Hof artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351 aldus uitlegt dat de opschortende werking die uitsluitend is verkregen doordat verzoekster tijdig om opschorting van de uitvoering van het overdrachtsbesluit heeft verzocht betekent dat de overdrachtstermijn niet aanvangt op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, rijst de vraag of dit betekent dat Nederland verantwoordelijk wordt voor het verzoek om internationale bescherming als de rechtbank niet beslist binnen zes maanden vanaf de bevestiging van de kennisgeving terzake de terugname door de Belgische autoriteiten. Indien die conclusie moet worden getrokken, doet dit, zo meent de rechtbank, ook afbreuk aan de ratio van Verordening 2024/1351 en de wijze waarop is geregeld welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming. Verweerder heeft geen invloed op het moment waarop de rechterlijke instantie in staat is om te beslissen op het eerste opschortingsverzoek en het beroep. Verordening 2024/3151 biedt de lidstaten geen mogelijkheid om te voorkomen dat de overdrachtstermijn verstrijkt indien de rechterlijke instantie niet voldoet aan de beslistermijnen en biedt de lidstaten geen mogelijkheid om in die situatie de overdrachtstermijn te verlengen.

95. De rechtbank verzoekt het Hof daarom te verduidelijken of de zinsnede “vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit met opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3”, in artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351 aldus moet worden begrepen dat dit uitsluitend ziet op de situatie dat de rechterlijke instantie een beslissing over het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit heeft genomen.

96. Deze vraag is geen louter hypothetische vraag ondanks dat in het hoofdgeding de termijn waarbinnen verzoekster en haar kinderen kunnen worden overdragen -ongeacht de wijze waarop het Hof deze prejudiciële vraag zal beantwoorden- nog niet is verstreken. De rechtbank voorziet namelijk reeds nu dat zij niet in staat zal zijn om te beslissen op het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit en het beroep voor het verstrijken van deze termijn in het geval het Hof de vragen niet in de prejudiciële spoedprocedure zal behandelen. Afhankelijk van de verduidelijking die het Hof zal geven, zal alsdan mogelijk moeten worden geconcludeerd dat Nederland verantwoordelijk wordt vanwege het verstrijken van zes maanden na de datum waarop de rechtbank het verzoek om opschorting van het overdrachtsbesluit heeft ontvangen.

97. De rechtbank wendt zich gelet op noodzaak van een nadere precisering van het Unierecht tot het Hof om de navolgende prejudiciële vragen voor te leggen en verzoekt het Hof om de vragen in de spoedprocedure (PPU) te behandelen:

(…)

I Is artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in het licht van artikelen 41, lid 2 onder a) en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, geldig voor zover hierin is bepaald dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de in artikel 43, lid 1, onder a), b) en c) genoemde gronden?

II Dient artikel 22 van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 en met artikelen 24, lid 2, 41, lid 2 onder a), en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat de beslissing om af te zien van een persoonlijk onderhoud in een procedure inzake terugname moet worden gebaseerd op een beoordeling van de individuele omstandigheden van de verzoeker, indien deze verzoeker, of een van deze verzoekers, minderjarig is en vereist dat deze beslissing moet worden gemotiveerd?

III Dient artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikelen 24, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit die wordt aangezocht om de rechtmatigheid van een overdrachtsbesluit te controleren verplicht is om, zo nodig ambtshalve, na te gaan wat het belang van het kind is en dit belang als een eerste overweging bij deze rechterlijke controle te betrekken?

IV Dient artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 43, lid 3, van Verordening 2024/1351, aldus te worden uitgelegd dat de overdrachtstermijn uitsluitend aanvangt vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit, indien de opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3 door een rechterlijke beslissing op het eerste opschortingsverzoek is toegekend of volstaat hiertoe dat om opschortende werking is verzocht?

98. De rechtbank schorst de behandeling van het beroep en houdt iedere verdere beslissing aan.

Beslissing

De rechtbank:

-verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing in de spoedprocedure uitspraak te doen op de hierboven onder rechtsoverweging 97 geformuleerde vragen;

-schorst de behandeling van het beroep in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie en houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. F.A.E. van de Venne, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 21 september 2026.

Rechtsmiddel

Tegen deze verwijzingsuitspraak staat geen rechtsmiddel open. Hoger beroep kan worden ingesteld gelijktijdig met het hoger beroep tegen de einduitspraak.

Voetnoot

Voetnoot 1

Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 2

Gedingstuk 35.

Voetnoot 3

Vergelijk punt 55 van het arrest van het Hof van 4 juni 2026 in de zaak Safi, C-147/24, ECLI:EU:C:2026:442.

Voetnoot 4

Arrest van het Hof van 7 juni 2016 in de zaak Ghezelbash, C-63/15, ECLI:EU:C:2016:409.

Voetnoot 5

Vergelijk punt 46 van arrest van het Hof van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat, C-156/23, ECLI:EU:C:2024:892, ten aanzien van de uitlegging van artikel 13, eerste lid, van richtlijn 2008/115.

Voetnoot 6

Toelichtingen bij het Handvest van de Grondrechten, PB 2007/C 30-3/02.

Voetnoot 7

Arrest van het Hof van 5 november 2014 in de zaak Mukarubega, C-166/13, ECLI:EU:C:2014:2336, punt 42.

Voetnoot 8

Arrest van het Hof van 9 juli 2026 in de zaak Adão da Fonseca-Engenheiros Consultores, Lda, C-888/24, ECLI:EU:C:2026:560, punten 74-75.

Voetnoot 9

Gedingstuk 12.

Voetnoot 10

Gedingstuk 29.

Voetnoot 11

Gedingstuk 12.

Voetnoot 12

Arrest van het Hof van 11 juni 2024 in de zaak K.L. tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-646/21, ECLI:EU:C:2024:487, punt 73.

Voetnoot 13

Dit beleid is neergelegd in paragraaf C1/5.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000.

Voetnoot 14

In paragraaf C1/5.2 Vc is onder meer bepaald dat een minderjarige in de gelegenheid wordt gesteld om een gehoor te hebben en dat begeleide minderjarigen, als ze dat wensen, hun mening als bedoeld in artikel 12 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) schriftelijk naar voren kunnen brengen.

Voetnoot 15

Handboek over het Europese recht inzake de rechten van het kind, juni 2015, pagina 28.

Voetnoot 16

Raad van de Europese Unie (2007), Richtsnoeren van de EU inzake de rechten van het kind, Brussel, 10 december 2007.

Voetnoot 17

Toelichtingen bij het Handvest van de Grondrechten, PB 2007/C 303/02.

Voetnoot 18

Arrest van het Hof van 11 juni 2024 in de zaak K.L. tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-646/21, ECLI:EU:C:2024:487.

Voetnoot 19

Zie in dit verband het arrest van het Hof van 30 maart 2023 in de zaak, N., S.S. en J.Y., C-556/21, ECLI:EU:C:2023:272, punt 26.

Voetnoot 20

Arrest van het Hof van 30 maart 2023 in de zaak, N., S.S. en J.Y., C-556/21, ECLI:EU:C:2023:272, punt 19.