Vreemdelingenrecht

Opheffing bewaring – eiser is in bewaring gesteld omdat er een concreet aanknopingspunt bestaat voor een…

Rechtbank Den Haag, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.63810
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31670
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Opheffing bewaring – eiser is in bewaring gesteld omdat er een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en er een onderduikrisico bestaat.

De rechtbank heft de maatregel op omdat verweerder heeft volstaan met een lichter middel-bouwsteen over de medische zorg die in en vanuit het DTC kan worden geleverd. Deze motivering is, hoewel inhoudelijk juist, onvoldoende op de persoonlijke situatie van eiser toegespitst. Ook in de omstandigheid dat medische zorg beschikbaar is in het DTC en niet kan worden vastgesteld dat eiser detentieongeschikt is, kan immers aan de orde zijn dat het ondergaan van een vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend is en de maatregel daarom niet mag worden opgelegd. De rechtbank merkt op dat de rechtbank niet vaststelt dat de maatregel onevenredig bezwarend is, maar ‘slechts’ vaststelt dat in de maatregel onvoldoende deugdelijk is ingegaan op de medische en psychische omstandigheden van eiser en onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd waarom deze individuele concrete omstandigheden de maatregel niet onevenredig bezwarend maken.

Opheffing, invrijheidstelling, SV en PKV.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.63810


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] (V-nummer: [V-nummer]), eiser

(gemachtigde: mr. J.P. van Mulken),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 21 oktober 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

1.1.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

1.2.

De rechtbank heeft het beroep op 27 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

2. De maatregel van vreemdelingenbewaring is opgelegd omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een onderduikrisico bestaat.

3. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4. Ter zitting heeft verweerder de j-grond laten vallen.

De gronden van de maatregel

5. Eiser heeft alle gronden bestreden en hij betwist dat er een onderduikrisico bestaat. Eiser heeft herhaaldelijk benoemd dat hij het heel erg vindt dat hij in detentie zit, dat hij medische hulp nodig heeft en dat, als hij dat niet krijgt in Nederland en hier ook niet mag blijven, hij graag zelfstandig wil vertrekken naar Duitsland.

6. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden a, r en s onvoldoende te achten.

7. Wat de grond a betreft is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat deze grond zich feitelijk voordoet. Eiser beschikt(e) niet over een geldig reisdocument of een voor hem geldig visum om Nederland in te reizen en hij heeft zich ook niet gemeld bij de autoriteiten. De stelling van eiser dat er onvoldoende rekening is gehouden met de concrete wijze waarop eiser na de opheffing van een eerdere maatregel van vreemdelingenbewaring op 14 oktober 2026 in Nederland verbleef, leidt niet tot een ander oordeel. Feit is en blijft dat eiser – zoals in de maatregel is toegelicht – de geldende toegangsvoorwaarden niet heeft nageleefd. Bovendien heeft hij geen rechtmatig verblijf in Nederland. Hij had zelfstandig naar Duitsland kunnen vertrekken, maar heeft dat niet gedaan. Dit geeft blijk van een risico op onttrekken aan toezicht. Deze grond is dus feitelijk juist en kan aan eiser worden tegengeworpen.

8. Wat grond r betreft is de rechtbank van oordeel dat verweerder de feitelijke juistheid van deze grond en het onderduikrisico dat hieruit volgt voldoende heeft toegelicht. Volgens vaste jurisprudentie is slechts sprake van een vaste woon- of verblijfplaats als de vreemdeling is ingeschreven in de Basis Registratie Personen (BRP). Eiser staat niet ingeschreven in de BRP en door geen vaste woon- of verblijfplaats te hebben onttrekt hij zich aan het toezicht. Deze grond is dus feitelijk juist en kan aan eiser worden tegengeworpen.

9. Wat grond s betreft is de rechtbank van oordeel dat de feitelijke juistheid van deze grond en het onderduikrisico dat hieruit volgt voldoende heeft toegelicht. Eiser heeft verklaard dat hij geen geld heeft en daarom heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zelfstandig uit Nederland of de Europese Unie kan en zal vertrekken. Deze grond is dus feitelijk juist en kan aan eiser worden tegengeworpen.

10. De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval de gronden a, r en s feitelijk juist zijn en terecht aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag zijn gelegd. Die gronden samen kunnen, mede gelet op de toelichting daarbij, de maatregel al dragen, omdat daaruit het onderduikrisico voortvloeit. Aan een bespreking van de overige gronden komt de rechtbank daarom niet meer toe.

De grondslag van de maatregel

11. De rechtbank overweegt dat in de maatregel is aangekruist dat een overnameverzoek / kennisgeving terugname is verzonden op 15 oktober 2026. Uit het dossier volgt dat Nederland op 17 september 2026 een claimverzoek aan de Duitse autoriteiten heeft verzonden, welk verzoek op 1 oktober 2026 is afgewezen omdat Denemarken verantwoordelijk zou zijn voor eisers asielaanvraag. Op 6 oktober 2026 hebben de Deense autoriteiten het claimverzoek afgewezen en vervolgens is de Duitse autoriteiten op 15 oktober 2026 verzocht om heroverweging. De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek en daarmee het claimverzoek op 21 oktober 2026 aanvaard. Tijdens de zitting heeft verweerder het dossier aangevuld met stukken die deze gang van zaken onderbouwen. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek om heroverweging samen met de uitdrukkelijke bevestiging van 21 oktober 2026 een concreet aanknopingspunt biedt voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening. Gelet hierop en op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het onderduikrisico, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel op de juiste grondslag berust.

Lichter middel

12. De rechtbank zal de maatregel evenwel opheffen omdat de rechtbank van oordeel is dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet is volstaan met een lichter middel. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

13. Verweerder heeft het onderduikrisico met de hierboven genoemde gronden onderbouwd en de rechtbank heeft hierover geoordeeld dat deze gronden terecht aan eiser zijn tegengeworpen en voldoende zijn daarvoor. Ondanks dit onderbouwde onderduikrisico is in eisers geval onvoldoende gemotiveerd dat de inbewaringstelling het geschikte middel is en er niet voor een lichter middel is gekozen of dat van het opleggen van de maatregel had moeten worden afgezien. Daargelaten dat verweerder eiser zeer recent in bewaring heeft gehouden, te weten totdat een eerdere maatregel op 14 oktober 2026 is opgeheven omdat verweerder onvoldoende voortvarend aan de overdracht van eiser werkte en verweerder dus reeds bekend was met eisers medische en psychische conditie, heeft eiser in zijn bewaringsgehoor immers verklaard dat hij depressief is, paniekaanvallen krijgt, stemmen hoort en daarvoor diverse medicatie gebruikt (oxazepam, quetiapine en olanzapine). Ook automutileert eiser en heeft hij gedachten aan zelfdoding. De rechtbank heeft tijdens de zitting littekens die duiden op zelfbeschadiging bij eiser op zijn onderarmen en in zijn nek waargenomen. Eiser heeft tijdens de zitting verklaard dat hij het heel erg vindt dat hij in detentie zit en dat hij weet dat hij heel erg ziek is en medicatie nodig heeft. In de maatregel van vreemdelingenbewaring is hierover slechts overwogen dat in het Detentie Centrum Rotterdam een medische dienst aanwezig is en dat eiser een medische intake zal krijgen. Volgens verweerder is de medische zorgverlening binnen detentie gelijkwaardig aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij en voor mensen met psychische problemen is in detentie gespecialiseerde zorg aanwezig. Deze motivering is naar het oordeel van de rechtbank, hoewel inhoudelijk juist, onvoldoende op de persoonlijke situatie van eiser toegespitst. De maatregel van vreemdelingenbewaring is een zware, vrijheidsbeperkende maatregel en verweerder moet zorgvuldig motiveren waarom een lichter middel niet kan worden toegepast en dat heeft verweerder in dit geval niet gedaan. Ook in de omstandigheid dat medische zorg beschikbaar is in het DTC en niet kan worden vastgesteld dat eiser detentieongeschikt is, kan immers aan de orde zijn dat het ondergaan van een vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend is en de maatregel daarom niet mag worden opgelegd. De rechtbank merkt op dat de rechtbank niet vaststelt dat de maatregel onevenredig bezwarend is, maar ‘slechts’ vaststelt dat in de maatregel onvoldoende deugdelijk is ingegaan op de medische en psychische omstandigheden van eiser en onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd waarom deze individuele concrete omstandigheden de maatregel niet onevenredig bezwarend maken.

14. De rechtbank concludeert dat de maatregel hierdoor vanaf de oplegging onrechtmatig is en zal de maatregel opheffen en eiser in vrijheid stellen. De rechtbank acht het niet opportuun om de andere gronden en rechtmatigheidsaspecten te beoordelen omdat die beoordeling niet tot de conclusie kan leiden dat de maatregel alsnog als rechtmatig moet worden gekwalificeerd.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond en de maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt daarom de opheffing van deze maatregel met ingang van 28 oktober 2026.

16. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank, indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor tien dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 8 x € 120,- (verblijf in het detentiecentrum) = € 960,-.

17. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel;

- gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 960,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.A.E. van de Venne, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 28 oktober 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Vreemdelingenwet 2000. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.