Vreemdelingenrecht

Aanvraag om toepassing van artikel 64 afgewezen. Geen medische noodsituatie. Beroep ongegrond.

Rechtbank Den Haag, 27 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 27 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
27 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
NL24.30092
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31632
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Aanvraag om toepassing van artikel 64 afgewezen. Geen medische noodsituatie. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.30092


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. Simicevic),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.N. Spijkerman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van deze aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Op 5 januari 2024 heeft eiseres een aanvraag ingediend om toepassing van artikel 64 van de Vw. Bij het primaire besluit van 28 februari 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

5. Nadat partijen toestemming hebben gegeven om de zaak zonder zitting af te doen, heeft de rechtbank het onderzoek op 7 oktober 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit

6. Het bestreden besluit, waarbij het primaire besluit is gehandhaafd, houdt het volgende in. Verweerder heeft eiseres geen uitstel van vertrek verleend, omdat eiseres medisch gezien in staat is te reizen en er bij uitzetting geen reëel risico bestaat op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) om medische redenen. Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 27 februari 2024. Eiseres heeft ter weerlegging van het BMA-advies geen contra-expertise overgelegd of anderszins concrete aanknopingspunten verschaft op grond waarvan aan het advies getwijfeld moet worden, aldus verweerder.

Het beroep van eiseres

7. Eiseres betoogt dat haar uitzetting in strijd is met artikel 3 van het EVRM, omdat zij in een medische noodsituatie zal komen te verkeren. Zij zal geen toegang hebben tot de medisch noodzakelijke zorg in Somalië. Zij heeft daar geen sociaal vangnet en financiële middelen. Ook is Somalië voor eiseres geen veilige behandelomgeving, omdat haar posttraumatische stressstoornis (PTSS) daar (mogelijk) is ontstaan. Verder is onduidelijk hoe de behandeling die zij nu van de huisarts krijgt in Somalië kan worden voortgezet. Ter onderbouwing van haar betoog wijst eiseres op het arrest van het EHRM van 13 december 2016 in de zaak Paposhvili tegen België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD00417381, en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:4019).

De beoordeling

8. In het BMA-advies van 27 februari 2024 is aangenomen dat eiseres kampt met psychische klachten in de vorm van slaapproblemen, nachtmerries, neerslachtigheid en vergeetachtigheid. Deze klachten komen vermoedelijk voort uit PTSS. Daarnaast lijdt eiseres aan osteomalacie, een aandoening waarbij te weinig calcium in het bot wordt afgezet. Verder heeft eiseres chronische pijnklachten van meerdere gewrichten. Onderzoek door een reumatoloog heeft geen afwijkingen aan het licht gebracht. Eiseres heeft voorts een verstoord vetspectrum waarvoor zij een cholesterolverlagend middel gebruikt. Verder is eerder sprake geweest van een syndroom van Tietze, waarbij pijnklachten ontstaan door een irritatie van het kraakbeen tussen ribben en borstbeen, maar het is niet duidelijk of deze diagnose nog actueel is. Behandeling ervoor vindt in ieder geval niet plaats. Voorts heeft eiseres last van droge ogen. Eiseres is voor deze klachten alleen bij de huisarts onder behandeling. In het verleden is er wel (kortdurend) contact geweest met een GGZ-instelling en reumatoloog. Qua medicatie gebruikt eiseres simvastatine (vanwege het verstoord vetspectrum/verhoogd cholesterol), topiramaat (vanwege de psychische klachten, met name om nachtmerries tegen te gaan), povidon oogdruppels (vanwege de droge ogen) en colecalciferol (vitamine D, wordt door de huisarts niet genoemd maar de reumatoloog heeft eerder suppletie levenslang geadviseerd). Volgens het BMA zal eiseres naar alle waarschijnlijkheid blijvend simvastatine en colecalciferol gebruiken. Dit is voor de overige medicatie minder waarschijnlijk. Bij uitblijven van de behandeling verwacht het BMA geen medische noodsituatie op korte termijn. Verder wordt eiseres in staat geacht om te reizen en zijn er geen aanwijzingen dat enige medische voorziening daarbij noodzakelijk is.

9. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraken van 15 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1268, en 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674, volgt dat een BMA-advies een deskundigenadvies is en dat verweerder, als hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van moet vergewissen dat dit advies naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Als aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij zijn beoordeling in beginsel van de juistheid van dit advies uitgaan. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2017 volgt ook dat eiseres de zorgvuldigheid, inzichtelijkheid en concludentie van het BMA-advies aan de orde kan stellen en concrete aanknopingspunten kan aanvoeren voor twijfel aan de inhoud van dat advies.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat het BMA-advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen of dat dit advies naar inhoud niet inzichtelijk of concludent is. Zij heeft ook anderszins geen aanknopingspunten aangedragen voor twijfel aan de juistheid van het BMA-advies van 27 februari 2024. Zij heeft bijvoorbeeld geen medische verklaringen van een arts of behandelaar overgelegd waaruit blijkt dat getwijfeld kan worden aan het BMA-advies. De enkele stelling dat wel sprake is van een medische noodsituatie, is onvoldoende.

11. Gezien het voorgaande heeft verweerder het BMA-advies aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. Op basis van dit BMA-advies heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat eiseres op dat moment niet in aanmerking kwam voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw, aangezien niet is gebleken dat eiseres op dat moment medisch gezien niet in staat was te reizen of dat er op dat moment een reëel risico bestond op schending van artikel 3 van het EVRM om medische redenen.

12. De stellingen van eiseres dat zij geen toegang zal hebben tot medische zorg in Somalië omdat zij geen sociaal vangnet en financiële middelen heeft, onduidelijk is of de behandeling van de huisarts in Somalië kan worden voortgezet en Somalië voor haar geen veilige behandelomgeving is omdat haar PTSS daar (mogelijk) is ontstaan, leiden niet tot een ander oordeel. Deze argumenten van eiseres hebben betrekking op de feitelijke toegankelijkheid van de medische behandeling in haar land van herkomst (Somalië). Een beoordeling van de beschikbaarheid en feitelijke toegankelijkheid van de noodzakelijke medische behandeling in het land van terugkeer is echter pas aan de orde als het BMA heeft geconcludeerd dat bij het uitblijven van die medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid een medische noodsituatie op korte termijn zal ontstaan (of als het BMA medische reisvereisten heeft geadviseerd) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3555). Dat is hier niet het geval. Het beroep van eiseres op het arrest Paposhvili en de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2012 slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Roozeboom, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.