Vreemdelingenrecht
Bij besluiten van 2 december 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling en haar…
ECLI:NL:RVS:2022:217 · Raad van State · 25 januari 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2022-217
Zaakgegevens
Op 25 januari 2022 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 januari 2022
- Datum publicatie
- 25 januari 2022
- Zaaknummer
- 202007066/1/V3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2022:217
Samenvatting
Bij besluiten van 2 december 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling en haar minderjarige kinderen in bewaring gesteld.
Uitspraak
202007066/1/V3.
Datum uitspraak: 25 januari 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 18 december 2020 in zaak nr. NL20.20738, NL20.20742 en NL20.20743 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 2 december 2020 heeft de staatssecretaris de vreemdeling en haar minderjarige kinderen in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 18 december 2020 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdeling en haar minderjarige kinderen ingestelde beroepen ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H. Postma, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling klaagt tevergeefs in haar enige grief dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 in strijd is met artikel 6 van het EU Handvest. Die rechtsvraag is bij uitspraak van 12 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:28, door de Afdeling beantwoord. Daaruit volgt dat artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 een grondslag biedt voor het in bewaring stellen van de vreemdeling en haar minderjarige kinderen met het oog op hun gedwongen vertrek naar Griekenland en dat die grondslag de grondrechten van de vreemdeling en haar kinderen eerbiedigt.
De grief faalt.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2022
47