Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 6 april 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling een…

Raad van State, 4 mei 2023

Zaakgegevens

Op 4 mei 2023 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
4 mei 2023
Datum publicatie
4 mei 2023
Zaaknummer
202203241/1/V1
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2023:1752
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 6 april 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 23 mei 2022

    ECLI:NL:RBDHA:2022:6609
  2. Raad van State · 4 mei 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2023:1752

    Niet bevoegd

Uitspraak

202203241/1/V1.

Datum uitspraak: 4 mei 2023

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 23 mei 2022 in zaken nrs. 22/2565 en NL22.5987 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

1.       het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa), en

2.       de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2022 heeft het COa de vreemdeling overgeplaatst naar de Handhavings- en Toezichtlocatie (hierna: HTL) in Hoogeveen.

Bij besluit van 6 april 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd.

Bij uitspraak van 23 mei 2022 heeft de rechtbank de tegen deze besluiten door de vreemdeling ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       De eerste drie grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank over het besluit tot overplaatsing van de vreemdeling naar de HTL. Deze grieven leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

1.1.    Het hoger beroep is in zoverre ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt in zoverre bevestigd.

2.       De vierde grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over een vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 56 van de Vw 2000). Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000).

2.1.    Het verbod op hoger beroep kan worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Maar die situatie doet zich hier niet voor. Wat de vreemdeling tegen het oordeel van de rechtbank over de vrijheidsbeperkende maatregel aanvoert, gaat in wezen over de rechtmatigheid van het besluit tot overplaatsing en ook overigens is er geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen.

2.2.    De Afdeling is in zoverre onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.

3.       Het COa hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de vrijheidsbeperkende maatregel;

II.       bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.

w.g. Lange

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Hanrath

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2023

392