Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 9 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in…

Raad van State, 19 januari 2023

Zaakgegevens

Op 19 januari 2023 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19 januari 2023
Datum publicatie
19 januari 2023
Zaaknummer
202206856/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2023:223
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 9 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.

Uitspraak

202206856/1/V3.

Datum uitspraak: 19 januari 2023

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 november 2022 in zaak nr. NL22.23362 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 24 november 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Hol, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geen aanknopingspunten gezien voor een vergelijkbaar oordeel als in de uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:667, onder 3. Uit de maatregel van bewaring volgt dat de staatssecretaris het Gemeenschappelijk Grens Coördinatiecentrum (GGC) heeft geraadpleegd. Dat wordt bemand door personeel van de Koninklijke Marechaussee en de Bundespolizei. Het GGC heeft bevestigd dat de vreemdeling een verblijfsrecht heeft in Duitsland, waardoor op het moment van inbewaringstelling kon worden aangenomen dat de noodzakelijke reisbescheiden binnen korte termijn voorhanden zouden zijn (artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000).

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.

w.g. Schipper-Spanninga

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Schippers

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2023

873